Wellicht is het u ook opgevallen dat op vliegvelden verhoudingsgewijs veel Joden te vinden zijn. Er wordt kennelijk heel wat gereisd. Bovendien schijnen ze altijd haast te hebben. Misschien zit het verhuizen wel in onze genen en hebben die genen deze aanleg ontwikkeld door vervolgingen en de daaraan gekoppelde verplichte verhuizingen in de loop der eeuwen.
Deze ‘ Schiphol Airport gedachte’ kwam in me op toen ik aan dit Pesach artikeltje begon te schrijven.
Als we aan de Seidertafel zitten, we hebben de matzes, het bittere kruid, de vier bekers wijn weer tot ons genomen, de hagada gelezen en de bekende melodieën gezongen, dan beëindigen we de avond met een vrolijk en verlangend: lesjana haba’ a biroesjalajim – moge het ons gegeven zijn om het komende jaar in Jeruzalem te zijn en dan zit het er weer op.
Klopt dat? Was en is het klaar na de Uittocht uit Egypte? Kunnen we na de doortocht door de Schelfzee achterover leunen omdat we ons bevrijd weten?
Het tweede boek van de Torah, Sjemot- Exodus, spreekt niet alleen over de Uittocht uit de Egyptische slavernij, maar ook over het vervolg: de omzwervingen in de Sinai woestijn, het ontvangen van de totaliteit van het Jodendom op de berg Sinai, de bouw van de Misjkan, de Tenttempel, die met het Joodse volk meetrok. In feite is de bevrijding uit de Egyptische slavernij slechts het begin van het Joodse volk als geheel en dus ook van het leven als individu.
De vertaling van Mitsrajim (Egypte) luidt: begrenzingen. Voortdurend weten we ons verslaafd aan negatieve invloeden om ons heen. Steeds weer proberen we mee te doen met de trend, met de meute, omdat dat doorgaans eenvoudiger is. We worden als het ware gevangen. De Uittocht uit Mitsrajim, uit Egypte, leert ons dat we onszelf steeds weer dienen los te rukken, te bevrijden, van onverhoopte negatieve invloeden, om verslaving te voorkomen.
Maar als we dan vrij zijn, zijn we er echt nog niet! Gelijk onze voorouders trekken we op naar de Sinai om de Torah te ontvangen, want alleen bevrijd zijn geeft geen inhoud aan het leven. Inhoudsloze vrijheid is leeg! De Torah dienen we tot ons te nemen als voeding. Na’ asee wenisjma – we accepteren en we gaan lernen. Hoe lernen we? Hoe nemen we de spirituele voeding tot ons? De Torah is geen aaneen geschreven tekst. Op vele plaatsen zien we spaties, leemten, rustpunten. G’d wil dat we tot ons nemen, accepteren, maar ook van tijd tot tijd een pas op de plaats maken om na te denken, de gedachten op ons te laten inwerken.
Maar zelfs een leven met G’ddelijke Torah-inhoud is niet voldoende! Dit zijn de reizen van het Joodse volk….. Zelfs de plaatsen in de woestijn waar het Joodse volk langere tijd verbleef, rustplaatsen, worden in de Torah niet met de term rustplaats aangeduid, maar worden ook beschouwd en benoemd als een deel van de reizen.
Nooit mogen we denken: ik ben er! Genoeg! Hier stop ik met mijn geestelijke groei! Want Jodendom kent geen rust. Wel rustpunten, de spaties, waar we even tot rust moeten komen om e.e.a. tot ons te laten doordringen. We zijn verplicht van de Joodse wet om genoeg tijd in te ruimen voor nachtrust. Maar uiteindelijk moeten we steeds verder trekken.
Een Tempel moeten we bouwen, een Heiligdom. Bouw Mij een Heiligdom en Ik zal in hen (meervoud!) rusten. Ieder mens moet van zichzelf een heiligdom maken. Een woning voor de Allerhoogste. Maar die woning staat wel midden in de wereld en, zoals we aan het eind van het boek Sjemot – Exodus lezen, dient die tempel ook dienstbaar te zijn. Ieder mens moet steeds weer proberen uit te stralen, klaar te staan voor de ander, een kosjere en positieve bijdrage te leveren aan al hetgeen hem omringt.
U begrijpt inmiddels dat de seideravond slechts een begin is. Het begin van een lange zware reis. Een voortdurend verder trekken om zelf spiritueel te stijgen en non-stop naar de ons omringende omgeving, joods en niet-joods, uit te stralen.
Waarschijnlijk zijn daarom de Joden zoveel onderweg en hebben ze steeds haast.
Nog vele jaren en eet de matzes in gezond!
Binyomin Jacobs, hoofdrabbijn
Pesach 5768
