Chanoeka 5765 – eerst omlaag ….. dan omhoog

Rabbijn J.S. Jacobs, IPOR

Op Rosj Hasjana is het een gewoonte om tijdens de sjemone esree, het hoofdgebed, gebogen te staan, een teken van nederigheid. Op Chanoeka is de mitswa om de vlammetjes te laten opstijgen.

Er waren eens twee broers: reb Elimelech en reb Zoesje. Beiden waren grote Joodse geleerden en mensen van zeer hoog geestelijk niveau. Ze hadden een discussie over de vraag hoe G’d het best te dienen.
De een was van mening dat door te mediteren over de Grootheid van de Allerhoogste, door als het ware eerst omhoog te kijken, er in de mens een gevoel van nederigheid en bescheidenheid wordt opgewekt. De ander meende dat de mens eerst aan zichzelf moet werken, zichzelf moet onderzoeken, z’n fouten en gebreken moet inzien, de blik eerst omlaag, om dan vanuit die ontstane nederigheid te komen tot een inzicht in de G’ddelijke Majesteit.

Omdat ze er samen niet uitkwamen gingen ze naar de Maggied van Mezritz, hun Rebbe, en legden aan hun leraar het probleem voor:
“Beide benaderingen in het dienen van G’d zijn juist, maar we zien dat aan het begin van het jaar, op Rosj Hasjana, wij onszelf naar beneden buigen, we werken aan onszelf, zoeken naar onze tekortkomingen om daarna geïnspireerd verder te gaan. Pas later, op Chanoeka, staat het omhoog, het opstijgen (van de lichtjes) centraal, het ongrijpbare wonder, om daarna aan onszelf te gaan werken.”
Het bestuderen van de Kabbala, de joodse mystiek, is heden ten dage, erg in. Een cursus “Kabbala voor beginners”. Het klinkt in mijn oren als “hogere wiskunde voor analfabeten”.
Eerst omlaag en pas daarna omhoog! Eerst Rosj Hasjana en pas daarna Chanoeka. Zo dient de mens zich op te stellen ten aanzien van zijn eigen spirituele opstelling en ontwikkeling.

Maar er is meer dan de mens als individu. We worden omringd door een samenleving. Een wereld die steeds duisterder lijkt te worden. Een aarde waarop sjalom meer een illusie lijkt dan een realiteit.

De Hoge Feestdagen, Rosj Hasjana en Jom Kippoer, liggen alweer een fikse tijd achter ons. Toen werkten we primair aan het zelfonderzoek. Maar nu is het Chanoeka. We laten de vlammetjes opstijgen en daarmee de verhevenheid van G’d over ons komen, het wonder van het kruikje olie, als bron van oneindige inspiratie in een samenleving die diep duister is. Waarin we niet meer opschrikken als er een medemens wordt vermoord, tenzij hij grote bekendheid geniet! Een samenleving waarin normen hun normatieve eigenschappen schijnen te hebben verloren en waarden geen waarde meer lijken te bezitten. Een gemeenschap waarin kennelijk alles kan en alles mag, maar waarin we tegelijkertijd niet anders mogen zijn en met de meute mee moeten gaan.

De gewoonte bestaat om de avond van het vijfde lichtje extra te vieren door de kinderen Chanoeka-geld te geven en feestelijke Chanoeka bijeenkomsten te organiseren.
Wat is hiervoor de reden?
Onze kalender is dusdanig ingesteld dat ieder lichtje, iedere dag van de acht dagen Chanoeka, ook op een sjabbat kan uitkomen. Behalve de vijfde dag Chanoeka die nooit op sjabbat valt. En juist daarom, omdat dat vijfde kaarsje als het ware achtergesteld is, met een extra duisternis wordt geconfronteerd, vieren we dit lichtje met extra overgave en inzet.

De les is duidelijk: eerst dienen we onszelf te buigen. Heel goed en kritisch naar onszelf te kijken. Keihard aan onszelf te werken. Maar daarna moeten we weten dat we ook de grootste en meest beangstigende duisternis om ons heen kunnen en dus moeten verlichten. Ieder mens op zijn eigen niveau en in zijn eigen omgeving, door na te denken over de Grootheid van G’d en dus de relativiteit van de mens en van het aardse bestaan in te zien.
Gelijk de diepste duisternissen in de loop der historie de zuivere en heldere Chanoeka lichtjes nooit hebben kunnen doven, zo ook hebben wij allen de kracht en de plicht om te vechten tegen kwaad en verderf om uiteindelijk het zuivere licht voor eeuwig te laten stralen.

Reacties zijn gesloten.