Een indrukwekkende bijeenkomst, maar op onderdelen toch ook te plaatsen in de categorie: opmerkelijk, wenkbrauwen optrekkend. Ik voelde me te gast.
“Het was heel vroeg in de morgen van 27 oktober dat ik hoorde van de brand op Schiphol. 11 doden en een aantal gewonden. Verschrikkelijk, een tragedie.” Met die woorden omschreef minister Verdonk van Vreemdelingenzaken de afschuwelijke dood van 11 mannen in het Detentie- en Uitzetcentrum. De minister hield op 8 november een toespraak in een tot kerkzaal omgebouwde hangar op Schiphol Oost. Witte gordijnen bedekten de betonnen muren. Een zandkleurig tapijt onttrok de kale vloer aan het zicht van de deelnemers, nabestaanden, hulpverleners, Tweede Kamerleden, ministers, de rampenprins. De overlevenden uit het Detentie- en Uitzetcentrum waren er niet bij, zij zitten nu elders gevangen en hadden, zo werd verteld, de gelegenheid de bijeenkomst vanuit hun opsluiting te bekijken.

Indrukwekkend en opmerkelijk
Op Schiphol Oost vond een herdenkingsbijeenkomst plaats, georganiseerd door de Dienst Geestelijke Verzorging van het ministerie van Justitie. Het ministerie dat verantwoordelijk is voor het Detentie- en Uitzetcentrum. Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap heeft geestelijk verzorgers bij Justitie, de Justitierabbijnen. Hoewel er geen Joodse slachtoffers zijn gevallen, was ook het NIK uitgenodigd aan de herdenking deel te nemen. Het kwam op mij over als enerzijds een indrukwekkende bijeenkomst, maar op onderdelen toch ook te plaatsen in de categorie: opmerkelijk, wenkbrauwen optrekkend. Ik voelde me te gast.
Zoals bij binnenkomst waar de hoofddirecteur verantwoordelijk voor alle gevangenissen in Nederland de bezoekers keurig verwelkomt, maar gekleed in zijn door de weeks kolbertje. Geen stemmig kostuum, geen zwart of grijs op deze onalledaagse bijeenkomst.
Veelkleurig durven zijn
Op het podium brandt een kaars uit de christelijke eredienst boven een Maria-ikoon. De bijeenkomst wordt geleid door een Rooms-Katholieke pastor en een Turkse imam. Imam Yalcin draagt een Nederlands gedicht voor, het Dodenklaaglied van Hans Andreus. Ook reciteert hij, zittend, een Koran-tekst in het Arabisch. De pastor speelt met Nederlandse taal om zijn boodschap over te brengen: “Ons mens-zijn wordt ook gekleurd door onze zorg en inspanning om verantwoordelijk te zijn en te blijven voor elkaar. Kleur bekennen en kleur geven. Veelkleurig durven zijn. Daartoe nodig ik u op dit moment uit.” Ik weet niet wat de pastor van mij verwacht.
Morgen
Minister Donner spreekt als eerste, spreekt medeleven uit jegens de aanwezige nabestaanden. Hij ontkomt niet aan zijn formele rol: “Wetten moeten worden gehandhaafd; zonodig ook door bewaring. Maar dit is niet de prijs die ons als samenleving daarbij voor ogen staat. Mensen vastzetten impliceert verantwoordelijkheid nemen voor hun veiligheid. Meer dan ooit moeten we daarom weten wat de oorzaak was van de brand, hoe deze zich verspreidde en of dat te voorzien en te voorkomen was. Maar de oorzaken, dat komt morgen. Vandaag herdenken we.”
Een nabestaande, met haar kleuterkind aan haar zijde, treedt naar voren en gaat wèl in op de oorzaak, op verantwoordelijkheid, en de vertwijfelde vraag hoe iets dergelijks in een land als Nederland heeft kunnen gebeuren.
Al voor het begin van de herdenking wordt een diepbedroefde vrouw huilend en kermend weggeleid.
Witte linten
Minister Verdonk zegt toe de nabestaanden te ondersteunen bij hun grote verdriet en de overlevenden zorg en begeleiding te bieden om deze vreselijke gebeurtenissen te verwerken. De avond tevoren zegt de directeur van Vluchtelingenwerk dat de overlevende uit te zetten asielzoekers al tien dagen in de zelfde kleren lopen en hen géén hulp en begeleiding is geboden. Cliënten zijn voor advocaten onvindbaar en onbereikbaar.
Nabestaanden worden uitgenodigd witte linten die normaal gesproken aan een rouwkrans zijn bevestigd, uit te rollen. Met de naam van hun overleden dierbare er op. Op rij drie kan ik nog net de gouden letters op het lint ontwaren. De mensen achter mij zien waarschijnlijk alleen een witte pilaar waarlangs iets naar beneden rolt. De nabestaanden hebben hun jas nog aan. De zaal heeft zijn jas in de garderobe kunnen hangen. Het lijkt alsof de nabestaanden op het laatste moment van de straat zijn gerukt en hier met jas nog aan naar voren komen. Daarmee hun verwilderde indruk temidden van de kostuums van nette overheidsdienaren, volksvertegenwoordigers en bestuurders en de uniformen van marechaussee en hulpdiensten, onbewust en onbedoeld nog meer reliëf gevend.
Joods tintje
Een schitterend koor zingt in het Latijn een dramatische vertolking van de psalmen 50 en 51. De muziek, de zang, ze zijn prachtig. Maar ze lijken me erg westers-christelijk en ik vraag mij af of de nabestaanden, afkomstig uit landen als Libië, de Dominicaanse Republiek, Georgië en Turkije zich er mee kunnen vereenzelvigen.
Er is nog een Joods tintje, wanneer pastor Zandstra psalm 130 voordraagt: “Uit diepten roep ik u.” Burgemeester Fons Hertog van Haarlemmermeer, de gemeente waar zich de ramp heeft voltrokken, grijpt naar zijn eigen roots wanneer zijn toespraak opent met de woorden: “Ik ben als een vogel in de woestijn, een steenuil in een verlaten bouwval.” Hertog zegt dat de woorden ooit, lang geleden door iemand zijn opgeschreven. Het zijn twee zinnen uit mizmor 102, het werk van de Psalmdichter. Veelbetekenend zijn de eigen woorden van Hertog. De eerste burger van Haarlemmermeer wijst er op dat het noodzakelijk is zich te bezinnen op de wijze waarop de overheid omgaat met het verstrekken van zorg aan hen die aan overheidstoezicht zijn toevertrouwd.
Voortleven of de dood
Wanneer de bijeenkomst op zijn einde loopt, dicteert het programmaboekje een slotgebed. Het lijkt te haastig in elkaar gezet. “… geef aan de zielen van de overlevenden de eeuwige rust. Dat zij mogen rusten in vrede.” Overlevenden, de v en de d zijn verwisseld. Het scheelt een letter, de v van voortleven, de d van de dood.
Na afloop is er gelegenheid tot samenzijn in een aparte ruimte met statafels en jus d’orange. Maar de rouwenden concentreren zich niet rond statafels. Zij hebben hun eigen cultuur. Zij komen naar voren, betreden het podium en werpen zich huilend op de vijf kisten waarin evenzoveel van de elf slachtoffers liggen. Onder deze omstandigheden past het mij niet om hier met een glas verder te verwijlen. Wanneer ik de hangar verlaat hoor ik nog het luidkeels geschrei. In sommige culturen neemt men afscheid in stilte, in deze worden de emoties juist luidkeels geëxposeerd. De nabestaanden en verwanten geven letterlijk gehoor aan de uitnodiging van de pastor: kleur bekennen en kleur geven.
Ruben Vis
