Rabbijn Jacobs sprak bij de herdenking van de kindertransporten uit kamp Vught. “Met een brok in mijn keel probeer ik steeds weer niet alleen de namen te lezen, maar ze ook tot mij te nemen. Ik zie het kinderzieltje achter de naam spelen met het speelgoed en tegelijkertijd voel ik een ondraaglijke pijn.” Wederom zijn we bijeen, met een diep gevoel van verbondenheid. Zoals de tekst op het kindermonument aangeeft:
“Het kind is er niet……en ik, waar moet ik heen?”
Ik denk dat we allen de weg kwijt zijn, niet weten waarheen te gaan.
Hoe lang nog zullen er broertjes en zusjes kunnen komen die zich de kinderen van de kindertransporten herinneren? De herinnering wordt steeds vager, het speelgoed onderaan het monument wordt steeds speelser, de met hart en ziel en grote zorgvuldigheid aangebrachte namen op het monument verworden ieder jaar tot meer anoniem…..
Met een brok in mijn keel probeer ik steeds weer niet alleen de namen te lezen, maar ze ook tot mij te nemen. Ik zie het kinderzieltje achter de naam spelen met het speelgoed en tegelijkertijd voel ik een ondraaglijke pijn. Losgerukt van pappa en mamma, van thuis, moederziel alleen de hel in moeten gaan, zonder dit prachtige speelgoed……
Ik mag dadelijk het kadiesj reciteren, het gebed dat door de eeuwen heen door nabestaanden wordt uitgesproken op de overlijdensdag van een dierbare en gedurende de gehele rouwperiode.
In dit kadiesjgebed geen woord over de dood, geen enkele verwijzing naar sterven, geen zinsnede over lijden…uitsluitend de Grootheid van G’d.
Jitkadal we jitkadasj sjemee rabba……..Groot en Heilig is Zijn Naam…..
Het aardse is verdwenen, materialisme bestaat niet meer, de ziel is erboven verheven, pijn is geen pijn meer, verdriet geen verdriet … .
Waartoe dient het speelgoed onder dit indrukwekkende monument? En hebben onze broertjes en zusjes hun namen nog nodig?
We hebben recentelijk Sjawoeot, het Wekenfeest, gevierd. Na de Uittocht uit Egypte kwam het Joodse volk, onze en hun voorouders, aan bij de berg Sinai.
En G’d daalde af vanuit de Hogere sferen en ontmoette daar op die berg Sinai onze profeet en onze leider Mozes, die was opgestegen.
Boven en beneden werden met elkaar verbonden, gingen toen een éénheid vormen. Een huwelijk werd als het ware gesloten met als ketoeba, als huwelijksakte: de Torah, de bijbel.
Wat betekent dat?
Voordien was er een scheiding tussen Boven en beneden, tussen spiritualiteit en materialisme. Het dubbeltje waarmee ik liefdadigheid bedreef bleef voor en na de goede daad hetzelfde dubbeltje. Nadat de verbintenis was ontstaan op de berg Sinai, werd het dubbeltje door de spirituele daad, een heilig dubbeltje, verheven. De strikte scheiding tussen het aardse en het G’ddelijke werd toen opgeheven, voor eeuwig.
Maar toch bleef Boven boven, en beneden bleef beneden.
“Wij danken G’d even zozeer voor een goede tijding als voor een nare tijding”, zeggen wij tijdens de rouwdienst bij een begrafenis. Is dat realistisch? Is dat haalbaar? Is dat menselijk?
Boven en beneden vormen een hechte éénheid. Alles dat van Boven komt is in essentie ‘goed’. En dus geen woord in het kadiesj gebed over pijn en verdriet, over kommer en kwelling. Met onze broertjes en zusjes gaat het goed, hun zieltjes waden zich in een spirituele serene vrede die zijn weerga niet kent en die wij, hier op aarde, van geen kant kunnen vatten…
Maar tegelijkertijd blijft Boven boven en beneden blijft beneden. Zij hebben dat speelgoed niet nodig, maar wij willen het koesteren. Zij hebben geen naam meer, maar wij willen hun naam nooit vergeten.
Ons probleem is onbeschrijfelijk groter dan het hunne. Het monument is er voor ons, niet als een les voor de toekomst, niet als een waarschuwing voor het nu. Ons jaarlijks samenzijn is er voor ons om hun kwelling te kunnen verwerken en hun afwezigheid enigszins een plekje te kunnen geven… .
