Ter herdenking van de transporten vanuit Westerbork vond op zondag 15 juli een bijeenkomst plaats in het voormalige kamp. Een van de sprekers was IPOR Hoofdrabbijn Jacobs. Rabbijn I. Vorst sprak kaddiesj uit en hield een korte toespraak. Hij is een van degenen die in de oorlog in het doorgangskamp Westerbork verbleef en van daaruit per trein werd gedeporteerd.
Namens het NIK waren voorts vice-voorzitter J. Elburg en rabbijn R. Evers bij de herdenking aanwezig.
Rabbijn Ies Vorst vertelde voor hij het kaddiesj-gebed uitsprak een waar gebeurd verhaal, over hoe een meester en een juffrouw hun werk deden onder de uiterst moeilijke omstandigheden in Westerbork. Het verhaal is afkomstig uit het boek Sterrenkinderen van Clara Asscher-Pinkhof.
Zij vertelt over een vijfarig kind dat plotseling haar les in komt, zingend. Het kind zingt “Asjrenoe, ma tow chelkenoe – Wat gelukkig zijn wij. Hoe mooi is ons deel.” De juffrouw neemt het kind op en gaat met de meester en de andere kinderen de klas uit, naar buiten en volgt het jongetje in zijn zang. “Buiten zingen ze, zingen ze, aldoor hetzelfde lied: dat ze zo gelukkig zijn en dat hun lot zo goed is.”
Rabbijn Vorst: “Zo schreef Clara Asscher-Pinkhof. Zij kon dat weten, want zij was die ene overgebleven juffrouw. Die ene overgebleven meester was mijn vader. En dat niet begrijpende onbewust zingende jongetje van vijf jaar, dat was ik … .
Daarom ben ik vandaag hier, terug op deze plek. Daarom voel ik het als een voorrecht, en tevens als een recht, om hier het Kaddiesjgebed te mogen uitspreken. Kaddiesj te zeggen voor mijn moeder, mijn grootouders, ooms, tantes, neven, nichten, en al die anderen, meer dan honderdduizend vaders, moeders, opa’s, oma’s, zoons, dochters, ooms, tantes, neven, nichten, meer dan honderdduizend maal één persoon.
Het menselijke ‘waarom?’ daarvan is er niet. Maar uitgaande van Uw Bestaan, Oh Opperwezen, rest ons niets anders dan Uw Naam te heiligen. Uw Naam, dat wil zeggen dat wat u van Uw Aanwezig-zijn openbaar hebt gemaakt.
Uw Bestaan, Uw Aanwezig-zijn. Er zijn er onder u die zich niet in deze woorden kunnen terugvinden. Want zo velen vragen zich af: “Waar was Jij in die rampzalige wereld die toch ook Jouw wereld is?!”
Daarom eindigen wij het Kaddiesjgebed met de innige bede dat U zich zichtbaar maakt, herkenbaar, merkbaar : “U, die in de hogere hemelen vrede maakt, wilt U ook op aarde vrede doen zijn.”
Of met de woorden van Maimoinides, zoals deze wetsgeleerde en filosoof het Messiaanse tijdperk schetst – Maimonides, mijn in Sobibor vermoorde grootvader was een Maimonideskenner bij uitstek – ‘in die tijd zal er geen honger meer zijn, en geen oorlog. Geen jaloezie en geen naijver. De mensheid zal zich bezighouden steeds meer kennis en inzicht in G-d zich eigen te maken. Zoals de profeet Jesjaja zegt: “de wereld zal vol zijn met kennis van G-d zoals het water de zeeën bedekt.”
Toespraak IPOR-hoofdrabbijn Jacobs bij de herdenkingssteen voor Mauthausen, Westerbork 15 juli 2007
1750 gedeporteerd….1749 vermoord. Eén heeft het kennelijk overleefd. Wie zal die ene zijn? En is hij beter af dan zij die op z’n minst nú rust hebben? Want die ene zal hier op aarde nooit rust en vrede kunnen voelen tenzij hij zo beschadigd is dat hij niet meer beseft wat hij heeft moeten aanschouwen en ondervinden…….
“Want omkoopgeld verblindt helderzienden en verdraait de woorden van rechtvaardigen….” (Exodus 23:8) Verblindt ??? Als een rechter van mening is dat iemand schuldig is en dan, na het verkrijgen van smeergeld, zijn mening verandert, is hij dan blind? Hij ziet vreselijk goed wat de waarheid is die hij met open ogen verdraait! Wat blind? Waar blind?
Een mens heeft verstand. Hij begrijpt en komt tot de conclusie dat de crimineel schuldig is. Een mens heeft gevoel…en op grond van gevoel laat hij de straf zwaarder of lichter uitvallen, binnen de marge.
Maar boven gevoel en verstand zit de wil van de mens, zijn levensvisie, zijn identiteit. Via dat overkoepelende waarden- en normbesef wordt een diepe invloed uitgeoefend op z’n verstand en op z’n gevoel.
En zo konden gewone goede mensen veranderen in onmensen. Ze werden gebrainwashed van kindswijs af aan …en hun verstand beschouwde de moord niet meer als gruwel, terwijl hun gevoel kunstmatig werd uitgeschakeld. Het goed en het slecht, het zwart en het wit … was veranderd in grijs …. Wat eens niet kon, werd een goede daad….en het en de goede veranderde in een crimineel monster.
En toen de moordenaar, de zielepoot, het niet meer kon verwerken, werd het systeem aangepast. Van het sadisme mochten ze genieten, de daarop volgende dood werd aan hun gezichtsveld onttrokken… het mocht niet te belastend worden.
Blind, ze zagen het niet meer. Het systeem van het sadisme had hun overkoepelend waarden- en normbesef veranderd. Het goed werd kwaad en de satan werd het symbool van de heilig goedheid … . Verblindt … blind.
Maar ook hun prooien werden blind. Hun bevroren benen werden niet meer gevoeld Pijn werd niet meer gezien. Konden ze hun dierbare kinderen, hun bezorgde vaders en hun lieve moeders nog missen terwijl de dood de verlossing leek … ?
1750 gedeporteerd … 1749 vermoord.
Ook ik ben verblind. Één duizend zeven honderd negen en veertig. Ik lees er zo overheen. Het getal blijkt niet juist te zijn, wordt me verteld. Het waren er drie meer, of drie minder…so what, denk ik. Het raakt me niet. De cijfers verblinden me. De mens achter ieder getal zie ik niet meer…vier meer…twee minder.
Auschwitz-Birkenau.… Bergen-Belsen….. Sobibor….. Theresiënstadt….. Mauthausen…. ik ben blind. De gruwelijkheden kan ik nog slechts zien, maar niet meer voelen. Een duistere sluier overschaduwt mijn gevoel voor gerechtigheid. Eén mens meer, één mens minder. Een opa van 96 jaar en een zusje van twee maanden.
Befehl ist Befehl en Wir haben es nicht gewusst. Niet te torsen keien moesten ze dragen en ‘na-de-dood’ bestond niet meer, want de dood had zich meester gemaakt van het leven en de hel had zijn zetel van verre boven ons naar het nu verplaatst, zodat kwel en kommer zo intens konden heersen dat de grenzen tussen ziek en gezond, tussen zwart en wit, tussen hel en paradijs, volledig verdwenen waren.
Hier staande verdwijnen ook bij mij de grenzen. Het leven van één en de levens van duidenden vervagen tot een getal dat ik niet meer probeer voor te stellen. Gevoelloos zal ik hier vandaan gaan, machteloos …… Omdat ik de pijn van toen niet meer kan vatten en het verdriet niet meer kan zien.
Ik weet zelfs niet meer of ik me schuldig moet voelen en waaraan ik moet denken. Ik ben verward, gelijk die helden van Mauthausen. Maar ik kan dadelijk gaan naar het informeel samenzijn met lunch om na te praten….voor hun was er geen ná……….op deze aardse en in deze vaak onbegrijpelijke wereld.
En met diep respect en tranen in mijn hart luister ik dadelijk naar het kadiesj-gebed uitgesproken door een overlevende die G’d zij dank verder kon gaan nadat hij zelf de hel mocht verlaten, gelijk een aantal van u, overlevenden, daartoe ook in staat was en ieder dag weer in staat is…..u leeft, wat een prestatie!
Hoe nietig voel ik mezelf dan, als kind van na de oorlog, zo dicht bij u overlevenden……. Speciaal op deze plek met voor mij de grafzerk zonder graf, herinnering aan hen die werden afgevoerd vanwege hun afkomst, hun geloof, hun anders zijn, of omdat ze mensen waren en mensen bleven, verzetsstrijders die vochten tegen het gruwelijke kwaad en die weigerden zich te laten verblinden ………
