Op dinsdag 22 januari is het Toe Bisjwat, het Nieuwjaarsfeest van de bomen.
Wanneer wij het Nieuwjaarsfeest der Bomen vieren, zitten we alweer een paar weken in Sjemot, het tweede boek van de Tora.
Waarom, zo wordt de vraag gesteld, is het eerste boek van de Tora, Bereesjiet-Genesis, een onderdeel van de Tora? De geschiedenis van de schepping heeft niet specifiek iets te maken met het Joodse volk dat pas in het Tweede boek, Sjemot-Exodus, ontstaat.
Het eerste boek draagt ook de naam, sefer ha-ja-sjar, het boek van de Jesjariem – onze Aartsvaders. Onze Aartsvaders zijn ons voorbeeld. Uiteraard kunnen we van alle grote profeten en geleerden leren hoe te leven, maar niet alle gedragingen van hen zijn voor iedereen en in iedere situatie van toepassing. Wèl echter de gedragingen van onze Aartsvaders, Awraham, Jitschak en Jacov. Zij zijn ons voorbeeld en geven ons de kracht om als Joden te leven en te óverleven.
En daarna, na hun voorbeeld, trekken we de Egyptische ballingschap binnen, symbool voor alle moeilijke tijden, die het Joodse volk helaas zullen beleven.
De laatste sidra van Bereesjiet begint met de woorden: en Ja’acov leefde. Als we echter de tekst goed lezen, zien we dat er bijna uitsluitend wordt gesproken over zijn sterven!?
De essentie van onze nesjomme blijft altijd, een jood blijft altijd jood, ondanks zijn wel of niet leven volgens de wet … .
Als Josef sterft, lezen we in de laatste zin van Bereesjiet dat zijn atsamot, zijn beenderen, ‘in een kist worden geplaatst in Egypte’. Het woord atsamot, beenderen, en etsem, essentie, hebben dezelfde stam. Josef wil dat zijn essentie in Egypte, in ballingschap, wordt beschermd door een aron, een kist. Het Joodse volk wordt niet alleen Jisraeel genoemd, maar ook Josef (Ps 80:2 Rasjie; alle nazaten van Josef mogen vanwege zijn weldoen naar hen, naar hem (Josef) vernoemd worden). Onze essentie, onze nesjomme, is steeds beschermd alsof die in een kist zit. Zelfs als de Jood zich heeft afgekeerd van zijn voorouders doordat de omgeving hem niet als jood laat leven of door andere oorzaken die ook in hem zelf kunnen liggen, is dat slechts schijn, in essentie, nesjomme-technisch beschouwd, blijft Ja’acov, Israël altijd leven en onaangetast.
Nadat we in sjoel Bereesjiet hebben beëindigd, roepen we allen luidkeels uit: chazak, chazak wenitchazeek – wees sterk, wees sterk, verzamel kracht!
Het is natuurlijk geweldig dat de jood altijd jood blijft en nooit kan en mag worden afgeschreven als Jood. En als hij het Jodendom onverhoopt toch heeft verworpen, dan is dat schijn. Maar tegelijkertijd moeten we ons sterken en proberen de wegen van onze Aartsvaders te bewandelen door sterk te zijn in de Tora, sterk in Mitswot en krachtig om ook voor de medemens op een Joodse wijze klaar te staan.
Wat deze gedachte te maken heeft met Toe Bisjwat, het Nieuwjaarsfeest der bomen? Dit zijn onze roots, onze wortels. Wortels die ervoor zorgen dat we stormen kunnen verdragen, dat we overeind blijven ondanks alles en dat we ook vruchten produceren, voor anderen tot nut en hulp zijn.
Binyomin Jacobs, hoofdrabbijn van het IPOR
Toe Bisjwat 5768
