Lech Lecha (Bereesjiet / Genesis 12:1 – 17:27); 12 november 2006/ 10 Marchesjwan 5767

LECH LECHA (ga (voor jezelf)). G’d beveelt Awram zijn geboortegrond te verlaten om naar een onbekend land te trekken. Hij neemt vrouw, familieleden en personeel mee. G’d belooft hem tot een groot volk te maken. Wegens een hongersnood daalt hij af naar Egypte, waar hij zijn vrouw Sarai verzoekt voor zijn zuster door te gaan opdat hij niet vermoord zal worden door de Egyptenaren. Ze komt aan het hof van de Farao maar G’d zendt ziekten zodat Sarai ongedeerd blijft. Na enige tijd keert Awram met de zijnen terug. Daar er te veel vee is geeft Awram zijn neef Lot de keus waar hij zich zal vestigen. Hij kiest voor de vruchtbare grond richting Sedom. Na een oorlog redt Awram de krijgsgevangen Lot. Awram krijgt een visioen, dat zijn nakomelingen 400 jaar onder een vreemd juk gebukt zullen gaan, maar dat ze rijk aan bezit zullen weerkeren in hun land. Na tien jaar huwelijk heeft Sarai nog geen kinderen. Daarom vraagt ze Awram een kind bij Hagar te verwekken, zodat Sarai uit haar opgebouwd zal worden. Er komt ruzie tussen de vrouwen en Hagar vlucht de woestijn in. De zoon die zij baart heet Jisjmaeel. G’d geeft Awram de opdracht zichzelf en alle mannen en jongens in zijn huis te besnijden. Het is een Verbond tussen G’d en Awrams nakomelingen. Wie nog geboren zal worden, moet met de 8e dag besneden worden. Awram wordt in het vervolg Awram en Sarai Sara. Daarna belooft G’d het echtpaar een zoon, ondanks hun leeftijden: 100 en 90 jaar!

Koheen, (12:1-13) Awram verlaat zijn vaders huis en belandt door hongersnood in Egypte.

►Terach kon de reis niet afmaken en daarom zei G’d tegen Awraham: “Ga voor jezelf weg uit je land, uit je geboorteplaats en uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal tonen” (Bereesjiet 12:1). Pas hierna wordt er iets verteld over de grote daden van Awraham. Waarom wordt er niet duidelijk bij verteld waarom G’d Awraham uitgekozen had?

►Kennelijk had de Tora hier een bepaalde bedoeling mee. De Tora lijkt in feite te zeggen, dat G’d ook iemand anders had kunnen kiezen.
G’d haalde Awraham weg uit zijn heidense omgeving, zoals we ook in de Hagada zeggen:” Toen zei Jehosjoe’a tegen het hele volk:”Zo zegt Hasjeem, G’d van Israël: uw voorvaderen, Terach, de vader van Awraham en de vader van Nachor woonden altijd aan de andere kant van de rivier” (Jehosjoe’a 24:2). Hebben de Hagada en Jehosjoe’a niets meer te vertellen over Awraham dan: “En zij dienden andere goden maar Ik nam uw voorvader, Awraham, van de andere kant van de rivier en Ik leidde hem door het hele land Kena’an”? Waarom wordt nergens verteld dat Awraham al op vroege leeftijd G’d als Schepper van de wereld heeft erkend? Het lijkt er bijna op dat G’d Awraham als heiden heeft uitverkoren!

►Maimonides (1135-1204) vertelt ons inderdaad, dat Awraham afgoden diende samen met andere volken voor de tijd dat hij zijn Schepper begon te erkennen. De verzen lijken ons te vertellen dat Hasjeem plotseling een heiden naar Kena’an haalde alsof het niet Awraham was, die G’d erkende maar Hasjeem die Awraham erkende!

►Dagelijks reciteren wij in onze gebeden een pasoek (vers) uit Nechemja (9:7) waar staat:”U heeft Awraham uitgekozen en hem uit Oer Kasdiem gebracht”. Pas daarna wordt gesteld in hetzelfde boek:”U vond dat zijn hart trouw aan u was”. Pas nadat G’d Awraham had uitverkoren bleek hij Hem een trouwe dienaar te zijn. Het lijkt er keer op keer op alsof Hasjeem Awraham zonder duidelijke reden heeft uitgekozen! Hoe kan dit? We weten toch dat Awraham zijn Schepper op zijn derde jaar reeds erkende, later in de brandende oven stapte, het geloof in G’d verspreid heeft over de wereld en in Zijn naam allerlei liefdevolle daden heeft uitgevoerd?

►Rabbi Awigdor Nebenzahl sjelieta gaat er vanuit dat de Tora ons inderdaad wil mededelen dat ondanks de grote verdiensten die Awraham had, Awraham niet zozeer uitverkoren werd vanwege zijn opzienbarende daden. Hasjeem schiep Awraham als Awraham en alleen daarom was hij in staat te doen wat hij ook feitelijk deed. Zou G’d hem geschapen hebben als iemand anders dan zou die ander veel hebben kunnen doen wat Awraham zou hebben gedaan want de mens heeft een vrije wil. Hasjeem heeft Awraham inderdaad met enorme capaciteiten geschapen maar Awraham had in principe een andere weg kunnen kiezen. Misschien hadden Nimrod en anderen ook geweldige capaciteiten maar zij verkozen een andere weg. Awraham koos het pad van het monotheïsme en daarom vond U hem ‘een trouwe dienaar’ voor U. Voordat Awraham zijn keuzes maakte, had G’d Awraham geschapen en hem al uitgekozen. Hasjeem had besloten dat iemand uit het huis van Terach gekozen zou worden, vanonder alle afgodendienaren uit die tijd om naar Kena’an te gaan. Job stelt reeds:’Wie kan reinheid uit onreinheid voortbrengen? Niemand!”(14:4). Awraham werd uit het afgodenhuis van Terach naar het land Israël gebracht om G’d te dienen.

►De mens heeft een vrije wil.
Als hij het goede kiest wordt hij beloond en als hij het slechte kiest wordt hij gestraft. Dit is één van de fundamentele ideeën uit de Tora, zoals Maimonides in zijn hilchot tesjoewa (voorschriften van inkeer) beschrijft. We moeten eraan geloven, dat ieder van ons de capaciteit heeft om zo’n tsaddiek te worden als Mosje Rabbenoe. Misschien kunnen we geen profeet worden zoals Mosje, maar de mogelijkheid om zo heilig te worden als Mosje is bij iedereen aanwezig. We kunnen ook tot de ‘andere kant’ vervallen en zo slecht worden als Pharao.

►Maar boven deze wereld van keuzevrijheid bestaat er een hogere wereld waar geen vrije wil bestaat. Het beste waar we op kunnen hopen is te weten wat er voor ons daarboven besloten is. Onze vrije wil is eigenlijk alleen maar een illusie in de hogere werelden. Hasjeem besloot dat Awraham Awraham zou worden, dat Jitschak Jitschak zou worden, en dat Ja’akov Ja’akov zou worden. In onze wereld van illusie lijkt het erop, dat onze vrije wil bepaalt wat er gaat gebeuren, en wij moeten met deze illusie leren leven. Maar we weten in feite dat ‘alles wat G’d doet ten goede is’ (B.T. Berachot 60b). We leven in een illusoire wereld. Uiteindelijk is het G’d die alle gebeurtenissen van begin tot eind leidt. We leven niet in een wereld van absolute kennis van G’d. Onze wereld is een van keus. Inderdaad, Hasjeem besloot Awraham weg te halen uit het huis van Terach, waarbij Hij geen rekening hield met zijn eerdere goede daden. Deze ‘dwar-Tora’ van Rav Nebenzahl is verbuffend! Een diepe gedachte voor de rest van de week.

Levi, 2e Alija (12:14 -13:4) Farao schaakte Sara. Maar G’d sloeg de Egyptische koning.

3e Alija (13:5 -18) Awram en Lot gaan uit elkaar.

4e Alija (14: 1-20) Awram behaalt een overwinning op de koningen van het oosten.
►Awraham gaf Malkie-Tsedek een-tiende van de buit van Sodom, die Awrahams eigendom was geworden op grond van het toen geldende oorlogsrecht, omdat Malkie-Tsedek priester van G’d, de Allerhoogste was. De aardse rijkdommen, waarmee Awraham gezegend was, worden door de Ba’alé haTosafot (Bereesjiet 24:1) gezien als een uitvloeisel van Awrahams bereidheid een-tiende van zijn inkomsten weg te schenken. Awraham, de man van chessed, legde de fundamenten voor Klal Jisraëel…

5e Alija (14:21- 15:6) Awram wil geen geschenken van Sedoms koning. G’d belooft hem nageslacht.

6e Alija (15:7 – 17:6) G’d sluit met Awram het verbond tusen de stukken en voorspelt ballingschap en Exodus. Sarai geeft Hagar aan Awram. Jisjmaeel word geboren.

7e Alija (17:7 – 27) Op zijn 99e beveelt G’d Awram de besnijdenis te verrichten. G’d belooft een speciale relatie met Awrams afstammelingen.

►Naar aanleiding van de pasoek: “En op de achtste dag moet het vlees van zijn voorhuid worden besneden” vragen de Meforsjiem (commentatoren) waarom de beriet-mila nu juist op de achtste dag plaatsvindt. De Midrasj vergelijkt de besnijdenis met het brengen van een korban (offer). Ook daarbij staat geschreven dat het pas “vanaf de achtste dag in welgevallen zal worden aangenomen”. Offerbloed geeft kappara (verzoening). Beriet-mila verzoent ook. Een ander reden voor de achtste dag heeft te maken met het feit dat de kraamvrouw na een baring minimaal zeven dagen onrein is. Wanneer men een simcha (feest) maakt ter gelegenheid van de besnijdenis zouden de ouders treurig zijn omdat intimiteit dan nog steeds verboden is. Weer anderen zien dit als een uiting van Hemelse barmhartigheid. Waarom wordt het kind pas op de achtste dag besneden? Omdat G’d medelijden heeft met de baby en wacht tot het de kracht heeft om de beriet-mila goed te doorstaan.

Overdag
►Verklaarders gaan ook in op de vraag waarom de beriet-mila alleen overdag mag geschieden. Misschien wil de Tora een contrast scheppen: misdadig bloedvergieten geschiedt vaak ’s nachts. De dag is het symbool voor het goede: besnijden is geen verminking doch een positief verbond. Zo staat ook bij de eerste besnijdenis uit de geschiedenis: “Midden op deze dag werden Awraham en Jisjmaeel, zijn zoon, besneden” (Bereesjiet 17)”. Het vereiste van overdag geldt ook voor offerbloed. Offers konden alleen overdag gebracht worden. Maar er wordt nog meer afgeleid van bovenvermelde pasoek. De Beriet-mila moet op de achtste dag plaatsvinden. De Beriet-mila duwt zelfs de Sjabbat terzijde. Hoewel men een wond maakt bij de besnijdenis is dit toch geoorloofd. Zowel de besnijdenis als de Sjabbat zijn een verbondsteken tussen G’d en het Joodse volk. Maar waarom is de besnijdenis toch sterker dan de Sjabbat? De beriet-mila is een voorwaarde voor het houden van de Sjabbat. De Sjabbat is inderdaad een exclusief verbond tussen G’d en het Joodse volk. Maar hoe werden we Joods volk? Dat gebeurde door de Beriet-mila. De besnijdenis is de eerste kedoesja (heiligheid) die leidt tot de tweede kedoesja – Sjabbat. Zonder Beriet-mila is er geen sprake van een apart Joods volk dat verplicht zou zijn tot het houden van de Sjabbat.

Geen draagverbod?
►Toch blijft het moeilijk dat men op Sjabbat een Beriet-mila mag uitvoeren. Een aantal andere mitswot (geboden) die ook op Sjabbat moesten worden vervuld, werden afgeschaft omdat men vreesde dat de uitvoerders van het gebod het draagverbod zouden schenden. Zo is het verboden op Sjabbat Rosj Hasjana op de sjofar te blazen en op Sjabbat Soekot een loelav te schudden. Men vreesde dat men de sjofar of de loelav op straat zou meenemen. Waarom is men niet bang dat de moheel (besnijder) zijn instrumentarium over straat zou vervoeren op Sjabbat? Eigenlijk had men de besnijdenis moeten verbieden op Sjabbat. Rabbi Baroech Epstein (20e eeuw) legt uit dat Rosj Hasjana en Soekot (Loofhuttenfeest) een onzekere datum hebben. Omdat wij niet meer de kalender vaststellen volgens de voorschriften kan het zijn dat ze op een andere dag zouden moeten vallen. Het kan dus zijn dat de mitswa van Sjofar of Loelav vandaag niet gedaan hoeft te worden. Daarom is de mitswa al enigszins ‘verzwakt’. Vandaar dat wij rekening houden met het mogelijk schenden van het draagverbod. De achtste dag van de besnijdenis is echter altijd zeker en duidelijk de achtste dag. Daarom hoeven we niet te vrezen voor een mogelijke overtreding van het draagverbod.

Besnijden is offeren
►Rabbenoe Bachja ibn Pakoeda (11e eeuw) meent op grond van de vergelijking tussen beriet-mila en offeren, dat er een verplichting tot een se’oeda (maaltijd) bij de besnijdenis bestaat. Zo staat er in Sjemot 29:33 dat “men de offers moet eten waardoor er kappara (verzoening) plaatsvindt”. Daarom maakt men ook een se’oeda (maaltijd) op de dag van de besnijdenis.De beriet-mila wordt vergeleken met een offer. Het wordt gezien als een opoffering voor de ouders om hun kind zo te zien lijden. De mila geeft kappara (verzoening) als een korban. Daarom is de mila ook op de achtste dag bepaald want pas vanaf de achtste dag wordt een korban (Tempelgave) als offer geaccepteerd (Wajikra 22:27). Door het eten van een korban ontvangt men kappara – verzoening (vgl. Sjemot 29:33).

►Bij een Briet-mila hoort een se’oeda (maaltijd).
Dit wordt een se’oedat mitswa genoemd en de commentatoren zijn verdeeld over de vraag of deze verplichting uit de Tora stamt, van Rabbijnse origine is, of alleen een minhag is. Als men uitgenodigd wordt voor een se’oeda bij een briet-mila moet men gaan. Vandaar dat het de gewoonte is om slechts aan de gasten mede te delen waar de se’oeda plaatsvindt, maar mensen niet uit te nodigen. Rabbi Ja’akov Emden (18e eeuw) stelt dan ook dat men iemand niet moet uitnodigen van wie men weet dat hij niet zal komen. Volgens Sefer haBriet moet het een broodmaaltijd zijn. De Maharasj is van mening dat men zonder vlees aan de verplichting om vreugde te voelen niet voldaan heeft, maar de Maĝeen Awraham stelt dat een se’oeda met vis ook goed is.

Sjabbat Sjalom

Reacties zijn gesloten.