De Tora begint met de creatie van alles wat bestaat, o.a. duisternis en licht, de hemellichamen, water en land, alle planten en dieren en tenslotte mensen. G’d schiep dit alles uit het niet. Adam en Eva woonden in het Paradijs, de Tuin van Eden. Deze sidra draagt de naam ‘In een begin’ = B’reesjiet. Dit geschiedde in zes dagen; op de zevende dag heeft G’d gerust. G’d vaardigde één verbod uit: het eerste mensenpaar mocht niet eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. De slang brengt Eva ertoe toch een hap te nemen van een vrucht van deze boom en geeft ook Adam ervan. Zij worden verbannen uit de Tuin opdat zij niet ook van de Boom van het Eeuwige Leven nemen. Vanaf dat moment moeten zij hard werken om in hun onderhoud te voorzien en de vrouw(en) zullen met pijn kinderen krijgen. De twee eerste kinderen van Adam en Eva heten Kaïn en Abel. Op een dag brengen beiden een offer voor G’d; dat van Kaïn wordt niet aanvaard, dat van Abel wel. Kaïn doodt zijn broeder; hij wordt veroordeeld om over de wereld te zwerven. Er volgt een geslachtsregister tot en met Noach. Sjet is het derde kind van Adam en Eva. Het morele niveau van de mensen is inmiddels zo laag gezonken, dat G’d besluit alle levende wezens te vernietigen. Alleen Noach en zijn gezin mogen in leven blijven omdat Noach genade in G’ds ogen vond. Koheen (1:1 – 2:3) De schepping van de wereld
Het was in ieder geval geen appelboom
“En G’d gebood de mens als volgt: Van alle bomen in deze tuin kunt u vrijelijk eten; van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad zult u echter niet eten. Want op het moment dat u daarvan eet, zult u sterven”.
(Bereesjiet 2:15)
Vier meningen
De identiteit van de Boom van Kennis blijft onduidelijk. Het was in ieder geval geen appelboom. Vier meningen vinden wij in de Talmoed. Volgens de eerste mening was het een vijgenboom, omdat na de zondeval de mens bedekt werd met vijgenbladeren. Met de vrucht waarmee hij gezondigd had, moest hij zich kleden.
Een tweede visie stelt, dat de boom een etrog was, waar citrusvruchten aan groeiden. Een derde mening gaat ervan uit dat het de wijnstok was, omdat wijn tot zonde brengt. Volgens een vierde opvatting was de Boom gewoon graan, omdat de mens pas inzicht verwerft tegen de tijd dat hij graanproducten gaat eten.
Voordat hij at van de Boom, was Adams geest vrij en kon hij zich volledig wijden aan zijn relatie met G’d. Woning, voedsel en kleding waren geen probleem. Het kwaad in het Hof van Eden werd gesymboliseerd door de slang en was geen onderdeel van de menselijke natuur. Het was een kracht van buitenaf die hij kon negeren, vermijden of bevragen. De mens had maar één opdracht, die overigens slechts van vrijdag drie uur ‘s middags – het Scheppingsmoment – tot de ingang van de Sjabbat, vrijdagavond omstreeks zes uur, duurde.
Toch kon hij zich niet inhouden. Hij mocht niet eten maar deed het toch. En gelijk in de Boom Goed en Kwaad onlosmakelijk met elkaar waren verbonden, zo werd de slechte neiging een deel van de menselijke ziel, die hij nooit meer zou kunnen mijden. Overal waar hij gaat, zal hij de slechte neiging voortaan met zich meedragen.
De mens werd een vat vol tegenstrijdigheden, één groot frustrerend conflict. Zijn spirituele roeping en zijn animale driften zouden hem verscheuren. De mens verloor de onsterfelijkheid gelijk met zijn onschuld. Met de zondeval van de mens verviel ook de Schepping tot een lager niveau. Heel de Schepping was nu doortrokken van een mengeling van goed en kwaad. De Boom van Leven, de Tora, zou de mensheid weer kunnen optillen uit zijn zondetoestand. Met de Tora ontstond de gelegenheid om het kwaad te overwinnen, het zelfs om te zetten in goed. De Tora is de remedie tegen de slechte neiging.
Keuzevrijheid
Toch heeft dit mengsel van goed en kwaad ook een voordeel. Het waarom van de Schepping heeft vele filosofen beziggehouden. G’d heeft de wereld geschapen als een daad van pure naastenliefde, om goed te doen aan het geschapene. De mens als uitverkoren schepsel moest de ontvanger van dit goede worden. G’d wil ons niets minder dan het allerbeste geven, en dit hoogste is niets minder dan G’d Zelf. Het is de bedoeling dat de mens op G’d zou lijken, en Hem naderbij zou komen. Om enigszins G’d gelijk te worden, moet de mens een volledig vrije wil hebben. In feite is dat het “beeld van G’d” waarover in Bereesjiet bericht wordt. G’d is volledig vrij om te doen en te laten wat Hij wil; wanneer de mens een beetje G’d gelijk wil worden, moet hij over een volledig vrije wil beschikken. Maar voor zijn vrije keuze moest er naast de mogelijkheid om goed te doen ook een potentieel voor kwaad bestaan. Tot de zondeval was de mens een volledig geïntegreerd wezen, zonder interne conflicten. Na de zondeval vertoonde hij een duidelijke innerlijke scheuring. Dit interne conflict bepaalt de keuzevrijheid van de mens.
Eet uw verstand niet op!
Rabbi Zalman Sorotzkin uit Lutzk (1889-1966) legt het eten van de Boom en de daarop volgende zondeval als volgt uit. Ook vóór het eten van de Boom was de mens intelligent en begiftigd met verstand. Hij was zelfs in staat om de dieren namen te geven en had meer inzicht dan de Engelen (Bereesjiet Rabba 17).
De Boom des Levens symboliseert het eeuwige leven dat de mens in principe kan bereiken als hij naar G’ds opdrachten leeft. Geestelijke zaken, zoals het spirituele leven, hebben tegenhangers in de fysieke wereld, symbolen die op het bestaan van hogere zaken duiden. Het is plausibel te veronderstellen dat de geestelijke aspiraties van de mens zijn bedoeld voor hogere zaken. Om de G’ddelijke ziel en het verstand enkel te gebruiken voor de bevrediging van onze lichamelijke behoeften, is bijna gelijk aan het verteren van de ziel, een geestelijke dood. Dit heeft G’d de eerste mens willen aanleren met het verbod om te eten van de Boom van Kennis: dat hij zijn denken en verstandelijke vermogens niet enkel en alleen zou gebruiken om daarmee zijn inkomsten te verwerven. Dat is het doel van het eeuwige leven – gesymboliseerd door de Boom des Levens, het niveau van de Engelen.
2e alija (2:4-19) G’d schept de mens …. .
En G’d zei: “Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal hem een Ezer Kenegdo maken – een hulp die tegenover hem staat” (2:18).
Wat dat ‘alleen’ zijn betekent is niet moeilijk. We kunnen ons allemaal in deze pasoek (vers) herkennen. Het dilemma van Adam is ons dilemma en de ideale relatie tussen man en vrouw wordt in twee woorden geschetst. De letterlijke vertaling van ‘Ezer Kenegdo’ is ‘een hulp tegenover hem’. Rasjie legt uit, dat wanneer de man dit waard is, zijn vrouw hem een hulp zal zijn (Ezer). Maar, indien de man dit niet verdient, zal zijn vrouw zich tegen hem keren, Kenegdo. ‘Een hulp tegenover hem’ is een vrij ongebruikelijke term. Waarom heeft G’d niet gewoon een maat, een sparringpartner, voor Adam gecreëerd, die hem altijd terzijde zou staan? Waarom is het nodig om tegenover Adam te staan?
Dieren?
Een tweede probleem is het volgende. Direct na G’ds besluit om ‘een hulp tegenover hem’ te creëren volgen de verzen 19 en 20: “Toen vormde G’d uit de aardbodem al het gedierte van het veld en al het gevogelte van de Hemel en bracht het tot de mens om te zien hoe hij het zou noemen; en zoals de mens alle levende wezens zou noemen, aldus zou hun naam zijn. En de mens gaf namen aan al het vee en aan het gevogelte van de Hemel en het gedierte van het veld, en voor de mens vond hij geen hulp die bij hem paste”. Het lijkt erop, dat de Tora de mogelijkheid overweegt, dat Adams gezelschap onder de dieren gevonden zou kunnen worden. Dit is moeilijk te begrijpen!
Twee soorten eenzaamheid
Wij kennen verschillende vormen van eenzaamheid. Sociaal zijn wij eenzaam wanneer wij met niemand onze gedachten en gevoelens kunnen delen. Iets eerder lezen wij in de Tora dat “G’d de mens uit het stof van de aardbodem formeerde en hem levensadem in zijn neus blies; zo werd de mens tot levend wezen” (Bereesjiet 2:7). De Targoem vertaalt ‘levend wezen’ als ‘roe’ach memalela’ – een geest die spreekt. Wanneer wij niemand hebben om mee te communiceren, is dat tragisch.
Sleutel tot onsterfelijkheid
Maar er bestaat ook een andere vorm van eenzaamheid, die existentiële eenzaamheid heet en die verband houdt met het einde van het leven. Deze existentiële eenzaamheid staat al aangeduid in een vreemde werkwoordsvorm in ons sleutelvers: ‘Lo Tow Hejot HaAdam Lewado’ (2:18) – het is niet goed dat de mens alleen is. De werkwoordsvorm Hejot, hetgeen ‘zijn in de meest pure vorm’ betekent, slaat op de bestaansvoorwaarden van ons menszijn. Het is niet alleen het sociale isolement, dat de Tora wil voorkomen, maar in feite beoogt de Tora meer. Iedereen heeft zo zijn dromen en aspiraties en of we nu veel of weinig van onze ambities realiseren, uiteindelijk moeten wij de laatste reis alleen maken. Die vrees voor het einde is het motief achter G’ds verklaring dat ‘het niet goed is voor de mens om alleen te zijn’. Wanneer wij deze aarde verlaten, doen wij dat volledig alleen. Daarom vertelt de Tora ons dat wij een gezin moeten stichten om die eenzaamheid aan het einde van het leven te overwinnen. De ‘Ezer Kenegdo’ vervult beide behoeften: het sociaal klankbord en de sleutel tot de eeuwigheid.
Geen ja-knikkers
Ezer betekent hulp, maar de wijze waarop wij elkaar het beste kunnen helpen is door onszelf enigszins te beperken om ruimte te creëren voor de ander om de eigen gevoelens te ontwikkelen en zelfstandig te leren denken. Een levenspartner moet in staat zijn om nee te kunnen zeggen wanneer dit nodig is, het Kenegdo gedeelte. Want als je getrouwd bent met een ja-knikker wordt je niet geconfronteerd met een ander. Bovendien bestaat er altijd het gevaar dat de lippen ja zeggen, maar dat het hart nee zegt. Totdat er een moment aanbreekt wanneer er zo veel nee’s zijn vanuit het hart, dat dit tot een breuk leidt. De bedoeling van een goede relatie is, dat er een eigen toon wordt gevonden, een unieke synthese van twee individuen. Elk echtpaar wil leven, maar niet noodzakelijk hetzelfde leven. De een kan de ander corrigeren, complimenteren, troosten, opvrolijken, helpen of zich laten helpen. Slechts dan is men niet alleen.
Definiëren is controleren
G’d laat alle dieren – na constatering van Adam’s eenzaamheid – in een rij aan Adam voorbij gaan. Adam kon in deze schepselen geen sparringpartner vinden, omdat hij in hen geen ‘hulp tegenover hem’ kon vinden. Met dieren heeft men geen gevoel van partnership of een wederzijdse menselijke relatie. G’d vroeg aan Adam om alle dieren te benoemen. Wanneer wij iets benoemen, definiëren we het. En wanneer wij iets definiëren, hebben we er controle over. Maar een relatie van beheersing en controle is eenzijdig. Het is alleen maar nemen en niet geven. De mens moet inderdaad de fysieke, dierlijke wereld beheersen, zoals geschreven staat: “Vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst….” (1:28).
Het gezin – de poort naar eeuwigheid
De man is echter niet geroepen om zijn vrouw te overheersen. Als hij dat toch doet, ontkent hij zichzelf in de ontdekking van die speciale Ezer Kenegdo relatie. Hij ontneemt zich de mogelijkheid om zijn sociale isolatie te doorbreken. Door het gezin kan de mens verder gaan en bouwen aan zijn toekomst. De geboorte van kinderen is de belofte van een schitterend panorama buiten de levensverwachting van de partners: de kinderen vormen de poort naar de eeuwigheid. Alleen de mens kan de G’ddelijke boodschap verder dragen. Investeren in gebouwen, computerprogramma’s en economie is fraai, maar de mens blijft de bekroning van de schepping en die moet in discussie blijven met zijn omgeving om zijn potentieel te kunnen ontplooien.
3e alija (2:20 – 3:21) De mens begaat de eerste zonde.
4e alija (3:22 – 4:18) De mensen worden weggestuurd uit het Paradijs en Kain doodt Abel.
5e alija (4: 19-26) De derde zoon, Sjet van Adam en Eva wordt geboren.
6e alija (5: 1-24) Geslachtregister van de voorvaders van de mensheid.
7e alija (5:25 – 6:8) De mensen leefden slecht en Noach wordt uitverkoren.
