Parsja 15 Bo (Sjemot/Exodus 10:1 – 13”16) 4 februari 2006 / 6 Sjewat 5766

BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjé. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier. Koheen, 10:1-11. G’d waarschuwt Farao voor de sprinkhanen.

► “Kom naar Farao (kie=)want ik heb zijn hart verstokt” (10:1).
Het woordje `kie’ kan hier beter vertaald worden als ofschoon. Hoewel Ik zijn hart verstokt heb, moet je Farao toch benaderen om de Joden vrij te laten. Ondanks alles heeft hij nog steeds een vrije wil.

Levie, 10:12-23. Sprinkhanen overvallen Egypte. Farao geeft toe dat hij gezondigd heeft en verzoekt Mosje en Aharon te dawwenen dat de plaag verdwijnt. Een omgekeerde wind voert de sprinkhanen weg. 3e alija, 10:24-11:3. Farao stelt Mosje voor de dieren achter te laten. Mosje benadrukt dat allen zullen vertrekken.

► “En G’d zei tegen Mosjé: Nog één plaag zal Ik brengen over Pharao en over Egypte; daarna zal hij u van hier laten wegtrekken. Spreek tot het volk dat zij zullen vragen, iedere man van zijn vriend en iedere vrouw aan haar vriendin, om zilveren en gouden voorwerpen” (11: 1-2).
Ondanks alle verklaringen blijft het vreemd, merkt de Gerrer Rebbe op in zijn werk ‘Beet Jisraël’, dat G’d de Joden moest verzoeken om dat geld aan te nemen. Als wij tegenwoordig gevraagd zouden worden om ergens geld op te halen, zouden we ’s ochtends vroeg al in een lange rij voor de deur staan. De Joden realiseerden zich echter, dat geld ook veel negatieve kanten heeft. Rijkdom is een enorme uitdaging. Daarom moest G’d vragen ‘neem alstublieft dat geld aan’, omdat welstand en overvloed de mens met name in religieuze zin problemen kunnen brengen. Daarom staat er ook, dat de Joden het geld moesten lenen. Want wanneer wij het gevoel hebben dat alle bezit in deze wereld slechts geleend is en niet ons eigendom is, zijn we beter af. Wanneer wij realiseren dat onze overvloed slechts een G’d gegeven deposito is, dat we vroeg of laat moeten teruggeven en waarover we rekening en verantwoording moeten afleggen, gaan we er veel voorzichtiger en verantwoord mee om.

Dit ‘lenen’ heeft overigens 1000 jaar na de uittocht uit Egypte nog een juridisch staartje gekregen bij het internationale tribunaal van Alexander de Grote. De Egyptenaren claimden, dat zij de Joden allerlei zilveren en gouden voorwerpen geleend hadden, die zij nu eens een keer terug wilde hebben. De advocaat van de Joden, ene Gewiha ben Pesisa, vroeg de Egyptenaren voor het claimtribunaal waarop zij hun vordering baseerden. Hun antwoord was triomfantelijk: “Uit jullie eigen Tora!”. Daarop hernam Gewiha: “Dan breng ik ook mijn bewijs uit de Bijbel: “En de Joden woonden 430 jaar in Egypte. Geef ons salaris voor het werk van 600.000 mensen gedurende 430 jaar!”. Alexander de Grote vroeg de Egyptenaren om een antwoord. Zij vonden geen verweer en vluchtten in paniek.
4e alija, 11:4-12:20. Mosje kondigt aan dat alle eerstgeborenen zullen sterven. Farao zal blijven weigeren.

5e alija, 12:21-28. De uittocht moet herinnerd worden met vragen en antwoorden.

Het offeren van het Pesachlam symboliseert onze breuk met ons afgodisch verleden. Dit was een centraal thema, dat ook nu nog uiterst actueel is. Waarom herinnert de Tora ons er zo vaak aan dat onze voorouders afgodendienaren waren en verbiedt de Tora dit zo vaak? Afgodendienst is niet zozeer het buigen voor stukken hout, metaal of klei. Het is ondenkbaar, dat mensen geloven dat deze dode objecten, die ze zelf geproduceerd hebben, goden zijn die bovennatuurlijke krachten bezitten. Maar de werkelijke drijfveer achter afgoderij wordt in de Talmoed als volgt gemotiveerd: “De Joden wisten dat al deze beeldjes niets betekenden, maar zij misbruikten de afgoderij om verboden relaties toe te staan” (B.T. Sanhedrin 63b). Iemand die de verlangens van zijn hart wil rechtvaardigen en zijn schuldgevoel wil sussen, zoekt een simpele oplossing. Hij stelt een autoriteit over zich aan, die de teugels zo laat vieren, dat alles door de beugel kan. En wanneer deze autoriteit maar voldoende aanzien heeft, is zo ongeveer alles toegestaan. Wat kan beter als “god” dienen dan een beeldje dat normen en waarden dicteert, die we zelf verzonnen hebben? Het verschil tussen Tora en afgoderij is zeer basaal. In de Tora schiep G’d de mens en gaf Hij hem opdrachten hoe hij zich moest gedragen. In de wereld van afgoderij creëert de mens zijn eigen goden en dicteert hij wat hij graag wil horen.

6e alija, 12:29-51. Na de dood van de eerstgeborenen overladen de Egyptenaren de Joden met cadeaus en verdrijven ze. Het deeg heeft geen tijd om te rijzen. Het Korban (=offer) Pesach wordt besproken.

Wanneer wij over het feest van de Uittocht spreken, hebben wij het over Pesach. De Tora noemt het echter “het feest van de Matsot”. Kennelijk bestaat er een verschil in benadering vanuit de optiek van ‘Boven’ en
die van de mensen. Rabbi Levi Jitschak van Berditschev (19e eeuw) legt uit, dat matsa de totale opoffering symboliseert van de Joden voor G’d. Dit staat ook aangeduid in de pasoek (vers), waar beschreven wordt dat de Joden Egypte overhaast verlieten, geen tijd hadden om hun deeg te laten rijzen en geen proviand voor onderweg meenamen (Exodus 12: 39). Zo sterk was het vertrouwen in G’d, dat zij nauwelijks voedsel of water meenamen. Aan de andere kant duidt het woord Pesach op de wonderlijke redding, waarbij G’d de eerstgeborenen van Egypte trof, maar de huizen van de Israëlieten spaarde door “er overheen te lopen” (Exodus 12: 13). Het woord Pesach betekent ‘ergens overheen stappen’. G’d en het Joodse volk prijzen elkaar over en weer. De Tora beschrijft het Pesachfeest als het feest van de matsot, hetgeen de loyaliteit van de mens benadrukt. Wij op aarde benoemen het feest als Pesach (passeren, overheen stappen) om het G’ddelijke wonder te herinneren. Op deze manier leren we ons op een positieve manier uit te drukken, waarbij we altijd de verdienste van de ander benadrukken.

7e alija, 13:1-16. De eerstgeborenen moeten gelost worden van mensen, dieren en ezels. Tefillien moeten op de arm en het voorhoofd gedragen worden.

► “Maar elk eerste ezelsveulen zult u lossen met een stuk kleinvee” (13:13). Het lossen van de eerstgeboren ezel vormt een raadselachtige opdracht aan het begin van de Joodse volkswording. Ook de context waarbinnen de lossing van de ezel beschreven staat, is niet duidelijk: “Elke eerstgeborene van een ezel zul je lossen voor een lam. Wanneer je hem niet lost, dan zul je hem de nek breken (14) en wanneer uw zoon uw morgen vragen mocht ‘wat is dit?’ dan zult u hem zeggen: ‘Met een sterke hand heeft G’d ons uitgevoerd uit Egypte, uit het slavenhuis”. (15) Toen Pharao zich bleef verzetten om ons te laten wegtrekken, doodde G’d alle eerstgeborenen uit het land Egypte, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee” (Exodus 13: 13-15).
Waarom worden de eerstgeborenen gelost? Omdat alle eerstgeborenen gewijd zijn aan G’d en daarom zich eigenlijk niet mogen bezighouden met profane, seculiere activiteiten. Maar omdat de gemiddelde mens zo’n heilig leven meestal niet aankan, kopen wij onze eerstgeborenen terug van G’ds vertegenwoordigers hier op aarde, de Kohaniem (priesters). Het lossen van de eerstgeboren mensen is dus plausibel, maar waarom moet ook het eerstgeboren vee worden gelost? Dat voorschrift van pidjon bechor behema – het lossen van de eerstgeboren dieren moet ons duidelijk maken, dat alles wat wij bezitten aan G’d toebehoort. Ter herinnering aan de grote wonderen die G’d voor ons deed bij de uittocht uit Egypte, heiligen wij ook de eerstgeboren dieren.

Met ons vroeg Rabbenoe Bachja ben Asjer (14e eeuw, Spanje) zich reeds lang geleden af: “Waarom is de ezel, hoewel het een onrein dier is, onderworpen aan de wetten van het lossen van de eerstgeborenen?”. Hij geeft twee antwoorden. Allereerst worden de weigerachtige heidense Egyptenaren vergeleken met ezels en ten tweede bestaat er een traditie dat iedere Israëliet Egypte verliet met negentig ezels, beladen met goud en zilver. Moeilijk te begrijpen verklaringen. Rabbi Owadja Sforno (1475-1550, Italië) legt het verband uit tussen de vraag van het kind “wat is dit?” – die het ook op Seideravond stelt – en het voorschrift van het lossen van de eerstgeboren ezel. Volgens hem betekent de vergelijking tussen de ezel en de Egyptenaar dat zij zo koppig geweest waren als ezels en er niet toe te bewegen waren om de Joden vrij te laten, ondanks het natuurgeweld van de tien plagen. Het lossen van de ezel met een schaap betekent dat de Egyptenaren zich hadden kunnen verlossen van al die turbulentie door het schaap, het Joodse volk, dat als een dolend schaap wordt beschreven in de profeet Jesaja 3:17, vrij te laten. Zij weigerden. G’d moest hen doden als een ezel wiens nek gebroken moet worden als hij niet tegen het schaap wordt vrijgekocht.
De ezel heeft een speciale status. Omdat het onrein is kan het alleen maar gelost worden met een schaapje. Gebeurt dit niet dan wordt het onthoofd. Rabbi Naftali Zwi Jehoeda Berlin (1817-1893) legt ons de symboliek hiervan uit: “Met een lam hadden wij de Kohaniem – de priesters die hun leven opofferen voor de G’dsdienst – een voordeel kunnen geven. Wanneer we weigeren om heilige mensen, die het speerpunt van ons volk vormen, te helpen en te bevoordelen, wanneer we dat potentieel niet benutten, is het alsof ons hoofd wordt afgehakt. De Geleerden en de heiligen worden als de leiders – ‘het hoofd’ van het Joodse volk gezien. Wanneer we dat leidende potentieel niet aanspreken en promoten, is het eigenlijk erger dan wanneer we dat charismatische potentieel nooit gehad hadden. Onbenutte mogelijkheden zijn eigenlijk een aanfluiting voor een getalenteerd mens. Hetzelfde geldt op volksniveau. Wanneer die verborgen gaven, talenten en capaciteiten niet aangewend worden ter verheffing van het algemeen, ware het beter dat men deze gaven überhaupt nooit gekregen had. Dàt is de les van het te nekken kalf.

Aan het einde (13:11-16) wordt het gebod van het lossen van de eerstgeboren mensen en eerstgeboren kosjere dieren besproken:
“G’d doodde de eerstgeborenen in Egypte, van mensen tot dieren; daarom offer ik nu de eerste van de baarmoeder aan G’d”.
De Talmoed vertelt echter, dat alle eerstgeborenen stierven in Egypte, zowel van moeders, – als van vaderszijde. De vraag wordt gesteld waarom tegenwoordig dan alleen de eerstgeboren zoons van de moeder worden gelost en niet die van de vader. Het idee van het lossen van de eerstgeborenen is – hetgeen wij ook zien bij de Bikoeriem, de eerste vruchten, die naar de Tempel te Jerusalem gebracht moesten worden – dat de mens de natuurlijke gang van zaken in de wereld leert herwaarderen en gaat inzien en beseffen, dat het `niet zijn kracht en macht was die hem deze grote rijkdom heeft geschonken (Dewariem 8:17). De eerstgeborene van de moeder is meestal het gevolg van een natuurlijke gang van zaken. Wat de Tora ons wil bijbrengen, is dat een kind krijgen eigenlijk een wonder is. Daarom heeft de eerste baby een speciale kedoesja (heiligheid). Wanneer een kind alleen de eerstgeborene is van vaderskant, is er doorgaans geen sprake van een standaard-voorgeschiedenis. Vaak is er sprake van een tweede huwelijk en waren er eerdere problemen, die inmiddels overwonnen zijn. Daardoor werd de mens automatisch al aan G’d herinnerd. Maar wanneer alles zijn gewone gangetje gaat, is men snel geneigd aan te nemen dat wij alles onder controle hebben. Waar het om gaat is dat wij ons realiseren dat ook de meest normale dingen bijzonder zijn en gegeven zijn door G’d.

Sjabbat Sjalom.
U wordt vriendelijk verzocht dit blad in Sjoel te laten liggen op Sjabbat.

Reacties zijn gesloten.