Kedosjiem (heiligen) bevat een grote hoeveelheid ge- en verboden. We kunnen een bepaalde kedoesja verwerven door de mitswot te vervullen. Het Jodendom is echter niet alleen een doe-religie. Wij moeten er ook bij voelen en denken. Wij moeten ook in ons dagelijkse gedrag heilig blijven. Verder moeten wij onze ouders eren en de Sjabbat houden. Wij mogen ons niet richten op afgoderij, noch afgoden maken. Offers moeten op juiste wijze worden gebracht in de Tempel. De hoeken van het veld mogen niet worden afgemaaid, zodat arme mensen te eten zullen vinden. Stelen en vals zweren worden verboden. Men mag niet vloeken en geen struikelblok voor een blinde plaatsen (dit laatste betekent: men mag anderen niet misleiden). Salarissen moeten op tijd betaald worden. Betaal ook de babysit op tijd! 1e alija, 19:1-14. Men mag het salaris van een werknemer niet laten overnachten.
Het getuigt van fatsoen om werknemers op tijd te betalen. Dit is een zaak van wederkerigheid. De arbeider heeft werk geleverd dus moet de werkgever betalen. Toch vindt de Tora het nodig om op twee plaatsen hiervoor te waarschuwen: “Gij zult de betaling van de dagloner niet tot de ochtend laten liggen.” (Wajikra 19:13) In het vijfde Boek van de Tora wordt dit herhaald: “Gij zult niets tekort doen aan de arme en behoeftige dagloner onder uw broers of onder uw vreemdelingen, die in uw land zijn, binnen uw poorten. Op zijn dag zult gij hem zijn loon geven en daarover zal de zon niet ondergaan; want arm is hij en daarop richt hij zijn verlangen; opdat hij niet wegens u G’d zal aanroepen en bij u een zonde zou zijn.” (Dewariem 24:14-15)
De Talmoed gaat dieper in op de verhouding tussen de beide verboden. In B.T. Bawa Metsia (110b) zeggen onze Wijzen, dat het verbod “Gij zult niet laten overnachten” spreekt over een arbeider die overdag gewerkt heeft. De tijd van betaling bestrijkt de hele nacht. Heeft men het voor het ochtendgloren niet aan de arbeider betaald, dan overtreedt men het verbod “Gij zult het salaris niet laten overnachten” met het aanbreken van de morgen. Het verbod “De zon mag er niet over ondergaan” spreekt van de arbeider die ’s nachts gewerkt heeft. Aan hem kan men de hele dag nog betalen en men overtreedt het verbod van te laat betalen pas bij zonsondergang. Interessant is dat de Misjna (ibid.) de verboden uitbreidt tot de huur van dieren en de huur van voorwerpen (zoals auto’s tegenwoordig). Voorgaande gaat uit van een werkgever die bereid is om te betalen. Wil men echter helemaal geen salaris uitkeren, dan overtreedt men vijf verboden.
Tijdig betalen is dus belangrijk. De Chagamiem verklaren op de pasoek: “Daarop richt hij zijn verlangen” – hetgeen in het Hebreeuws letterlijk is “naar zijn salaris tilt hij zijn ziel op”, dat iedereen die salaris achterhoudt als het ware zijn ‘ziel’ wegneemt (ibid. 112a). De vraag is alleen wiens ziel hier wordt weggenomen.
Hierover bestaat een meningsverschil tussen Rav Hoena en Rav Chisda. De één is van mening dat men door weigering te betalen zijn eigen leven op het spel zet, terwijl de ander stelt dat hier de ziel van de bedrogen werknemer bedoeld wordt. Volgens Rasji (1040-1105) wordt de werkgever gestraft, omdat zijn daad gelijk wordt gesteld met een aanslag op het leven van de werknemer. De zegsman, die stelt dat de ziel van de werkgever wordt weggenomen, getuigt van diep psychologisch inzicht. Het is namelijk alsof deze geen ziel meer heeft. Hij is harteloos en gevoelloos geworden. Beiden benadrukken de ongevoeligheid in het intermenselijk verkeer. De oorzaak van alle intermenselijke problematiek ligt in ons egoïsme en egocentrisme. Het ‘overnachtingsverbod’ is eerder een morele dan een economische maatregel.
Deze opvatting heeft belangrijke consequenties, ook in de rechtspraak. Normaal stellen wij, dat wanneer wij twijfelen over een verplichting tot uitbetaling, er niet betaald hoeft te worden. De eiser bewijst! Dit betekent dat degene die claimt nog geld te krijgen van een ander, dit maar moet bewijzen. Zolang hij dat niet kan, behoeft er niet te worden betaald. Dit geldt alleen op financieel terrein. Wanneer er twijfel bestaat op religieus of moreel gebied, moet men uit twijfel de verplichting toch nakomen. Bij twijfel omtrent het overtreden van het verbod: “Gij zult niet laten overnachten” – een safeek isoer lechoemra geldt volgens sommigen, dat men betaalt, ook in geval van twijfel.
De Talmoedgeleerde Rav heeft een meningsverschil met Sjemoe’eel over de positie van iemand die voor langere tijd ingehuurd is. Volgens Rav overtreedt men het verbod bij zonsondergang wanneer de week, de maand of het huurjaar ergens overdag eindigde. Wanneer het werk ’s nachts beëindigd werd, overtreedt men het overnachtingverbod met het ochtendkrieken. Volgens Sjemoe’eel overtreedt men het verbod van “Gij zult de zon niet laten ondergaan” pas de volgende dag met zonsondergang. In de praktijk wordt de mening van Rav aanvaardt. Rabbi Mosje Isserles (339:3) stelt dat de arbeiders in zijn tijd slechts dagloners waren, die niet tot de nacht doorwerkten. De werkgever wist op het moment dat hij ze in dienst nam, dat ze nog voor nacht zouden stoppen met werken. Daarom worden zij beschouwd als mensen, die een aantal uur per dag hebben gewerkt. Zodra de zon ondergaat en de werkgever niet betaald heeft, overtreedt hij het gebod “Op zijn dag zult gij hem zijn loon geven”. Tevens overtreedt men het verbod dat de zon er niet over onder mag gaan.
De Chafeets Chaïm schrijft in zijn befaamde werk Ahawat Chessed (9:3): “Weet dat deze voorschriften niet alleen gelden voor werkzaamheden die vrij lang duren. Ook wanneer men iemand inhuurt voor een beetje werk, dat maar een cent waard is, valt hij nog steeds onder de categorie dagloner. Al het voorgaande is nog steeds van toepassing. Sommige geleerden zijn van mening dat men zelfs voor werk van minder dan één cent, het verbod van verlaat uitbetalen overtreedt”. Maar de Chafeets Chaïm gaat verder: “Ook voor huur van voorwerpen en dieren gelden dezelfde voorschriften. Over de huur van onroerend goed wordt gediscussieerd in de Poskiem (de beslissende Rabbijnen). De Gaon van Wilna stelt dat men machmier (verzwarend) moet handelen. Dit betekent dus dat men moet oppassen om de huur van de woning op tijd te betalen”. Interessant is nog dat deze dieniem (voorschriften) ook gelden wanneer men een minderjarige in dienst heeft of iets van hem huurt.
Wanneer men een werknemer op vrijdag heeft ingehuurd kan men niet betalen omdat het de volgende dag Sjabbat is. Sdé Chemed wijst erop dat arbeiders vrijdagmiddag altijd ruim voor nacht naar huis gaan om de Sjabbat voor te bereiden, zodat ze beschouwd worden als arbeiders die slechts per uur overdag werken. Voor hen geldt dat ze dus nog vóór Sjabbat betaald moeten worden.
Tot nu toe werd gesproken over dagloners en arbeiders. Hoe zit het met aanneming van werk? Uiteraard wordt dit ook behandeld in de Sjoelchan Aroech (IV:339:6). Rabbi Joseef Karo is van mening, dat wanneer men bijvoorbeeld kleding heeft gegeven aan een kleermaker, als aanneming van werk, en de kleermaker klaar is, men niet te laat betaalt zolang de kleding nog in handen is van de reparateur. Maar zodra de kleermaker de kleding heeft teruggegeven aan de opdrachtgever – ook al is dat midden op de dag – overtreedt men het verbod van “Gij zult niet laten overnachten” zodra de zon ondergaat. We zien dus dat aanneming van werk gelijk wordt gesteld met huur en dat er dus prompt betaald moet worden.
2e alija, 19:15-22. We mogen het recht niet verdraaien en niemand voortrekken in een rechtszaak. Lesjon hara (roddel, waar of niet waar) is verboden. Men mag niet werkeloos toezien hoe een ander zijn ongeluk tegemoet gaat. Haat uw medemens niet in uw hart; wijs hem met gevoel de juiste weg en zet hem hierbij niet beschaamd. Men mag dieren en planten niet kruisen en geen sja’atneez, mengsels van wol en linnen dragen.
De getallenwaarde van de frase ‘Heb uw naaste lief gelijk uzelf, ik ben G’d’, is 907, terwijl de getallenwaarde van ‘weahawta et haSjeem Elokecha’ – Heb G’d lief – eveneens 907 is. Beide zijn even belangrijk. Een mooie gedachte maar kunnen we elkaar wel liefhebben als onszelf? Ja! In het Tora-denken wordt het Joodse volk gezien als één groot lichaam. Ieder individu vormt als het ware één van haar organen. Sommigen hebben de functie van het hoofd (de Geleerden), anderen vormen de romp (degenen, die G’d op meer emotionele wijze dienen) en weer anderen vormen de voeten, die het hele lichaam dragen. Het Jodendom vormt één geïntegreerd systeem. Indien het ‘laagste deel’ hiervan slecht functioneert, lijden ook de hogere regionen hieronder. De ander is deel van de eigen ‘ik’. Als men een ander haat, verwerpt men in feite een deel van zichzelf. Daarom is kinnesinne uit den boze!
3e alija, 19:23-32. De vruchten van de eerste drie jaar van een boom zijn verboden als orla. Vruchten van het vierde jaar zijn heilig en moeten worden gegeten in Jeroesjalajiem of gelost worden. Vanaf het vijfde jaar zijn de boomvruchten toegestaan. Vele vormen van zwarte magie en astrologie zijn verboden. De hoeken van het hoofd en de baard mag men niet volledig wegscheren. Ouderen moet men eren.
Toen Rabbi Simcha Boeniem van Psjischa, een chassidische leider in Polen (1765-1827), nog jong was, dacht hij dat hij de wereld kon veranderen. Toen hij ouder werd, zag hij dat hij de wereld niet kon veranderen maar misschien wél zijn woonplaats. Daarna begreep hij, dat dát ook te veel was. ‘Ik zal mijn eigen wijk veranderen,’ dacht hij bij zichzelf. Toen hij zag dat ook dát niet lukte, zei hij: ‘Ik zal mijn familieleden proberen te bewerken,’ en toen ook dat niet ging, zei hij: ‘Ik ga nu alleen nog maar mijzelf proberen te verbeteren.’ Dit laatste is bijzonder belangrijk, want wanneer wij onszelf verheffen zien we, dat onze omgeving plotseling ook meeverandert.
De sidra Kedosjim moest besproken worden met de hele gemeente, alle Joden bij elkaar. Kedosjim betekent: “Jullie moeten heilig zijn”. Dit is het uiteindelijke doel van de Tora. Iemand kan alle ge- en verboden vervullen en toch nog steeds een “boef zijn binnen de grenzen van de Torawet”, een “nawal birsjoet haTora”. Je kunt vroom zijn maar toch totaal buiten de Torabedoelingen leven. Zelfs glattkosjer voedsel kun je als een ‘chazzer’ eten. Dit is de belangrijkste opdracht van de Tora: heilig worden! Daarom moest het in de gemeente worden besproken, omdat we nooit heilig in ons eentje kunnen worden. Daarbij moeten we elke dag opnieuw beginnen. Daarom lezen we sidra Kedosjim ook in de omertijd, waarin Rabbi Akiwa centraal staat. Toen Rabbi Akiwa’s levenswerk van het opleiden van zijn 24000 leerlingen plotseling tot een einde kwam – ze stierven allemaal omdat ze elkaar niet konden waarderen en accepteren – begon Rabbi Akiwa gewoon weer opnieuw. Hij zag altijd het goede en het heilige in de wereld. Maar we hebben om heilig te worden een goede omgeving nodig. En die begint thuis. De Joodse traditie staat en valt met eerbied en ontzag voor de overdragers van het Jodendom.
4e alija, 19:33-37. Vreemdelingen mogen niet worden uitgebuit, bekeerlingen moeten liefdevol behandeld worden. Men mag niet wegen met valse gewichten.
5e alija, 20:1-7. Kinderen offeren aan de Molech en waarzeggen zijn verboden.
6e alija, 20:8-22 en 7e alija -27. G’d heiligt ons vanwege onze daden. Het vervloeken van ouders is zelfs na hun dood verboden. De verboden huwelijksrelaties worden herhaald. Het is verboden om de gewoonten en praktijken van de Kena’anieten te volgen.
