HA’AZIENOE (luisteren jullie): Deuteronomium 32:1 – 32:52.
Mosje roept hemel en aarde tot getuigen wat er gebeurde in vroeger dagen en schildert hoe het volk zal afwijken – in zeer poëtische taal. Weer worden alle rampen genoemd die over het volk zullen komen als ze niet de ge- en verboden gehoorzamen. Maar eens zal God Zijn volk genade schenken en wraak nemen op de tegenstanders. En nogmaals vermaant Mosje het volk zijn woorden ter harte te nemen. Het doel is G’d als de Schepper te erkennen en uiteindelijk kan niets de band tussen G’d en het Joodse volk teniet doen.
Mosje moet de berg Newo bestijgen en uitkijken over het Land dat G’d de Bne Jisraeel als erfgoed geeft. Het Land binnentrekken mag hij niet.
53e sidra; bevat geen geboden
Deze Sjabbat heet Sjabbat Sjoewa omdat de Haftara over inkeer en tesjoewa spreekt: “Keer terug O Israël tot G’d want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid. Neem woorden mee en keer terug” (Hosjea 14: 2-3). Deze Sjabbat heet ook Sjabbat Sjoewa omdat het middenin de tien tesjoewa-bekeringsdagen tussen Rosj Hasjanna en Jom Kippoer valt.
Waaruit bestaat tesjoewa (inkeer)? Volgens Maimonides “moet een mens zijn zonden verlaten en ze uit zijn gedachten bannen. Hij moet op zich nemen om de wandaden in de toekomst niet meer te verrichten en spijt hebben van zijn foute daden uit het verleden” (Hilchot Tesjoewa 2:2).
Eén van de leidende Rabbijnen uit de negentiende-eeuwse Russische moessar-beweging, Rabbi Jitschak Blazer uit Sint Petersburg stelt de volgorde van de instructies van Maimonides ter discussie. Het zou logischer zijn om eerst spijt te voelen – omdat dit slaat op het verleden – voordat men begint met de toekomst. Het antwoord van Rabbi Blazer getuigt van een diep psychologisch inzicht: het is onmogelijk om werkelijk spijt te hebben van de slechte daden uit het verleden wanneer men zich niet eerst committeert aan het goede in de toekomst. Tesjoewa geschiedt niet in een vacuüm. Zolang we gewend zijn aan onze slechte gewoonten beseffen we niet eens wat we verkeerd doen om serieus tot inkeer te komen. Eerst moeten we onszelf beloven de toekomst beter te maken. Dan moeten we, in ieder geval in gedachte, reeds nu onze huidige levenspatroon veranderen en een nieuwe levensstijl creëren. Pas daarna kunnen we vanuit onze nieuwe G’dsdienstbeleving terugkijken naar het verleden en werkelijk spijt hebben door vergelijking met de nieuwe commitment.
Daarmee is het vervolg van de woorden van de profeet Hosjea ook begrijpelijk “Neem woorden met u mee en keer terug”. Om werkelijk terug te komen op ons verleden moeten we ons dompelen in woorden – woorden van gebed en woorden van Tora. Pas dan kunnen we retrospectief spijt hebben van ons verleden. Tesjoewa vindt niet plaats in een vacuüm.
Tesjoewa komt al direct in de Tora voor. Adam werd in Gan Eden geplaatst op de dag van zijn schepping. Precies een uur na zijn vorming at hij van de boom van kennis van goed en kwaad en werd hij in feite het paradijs uitgezet. Toen de Sjabbat naderde, huilde Adam over zijn zondeval. Er werd hem verteld, dat hij weer verenigd zou kunnen worden met de Almachtige door tesjoewa. Hij reageerde als volgt: ‘Tesjoewa! En ik wist er niets van!”. Hij stond direct op en zei een Psalm voor de Sjabbatdag (Psalm 92).
Waarom reageerde Adam op het bericht van tesjoewa met het verwelkomen van de Sjabbat? Adam was erg vernederd en raakte depressief omdat hij geen toekomst meer zag na zijn zondeval. Hij kende geen alternatief. Hij realiseerde zich dat zijn eetgedrag in Gan Eden verkeerd was maar hij besefte niet, dat er herstel mogelijk was en hoe hij tot correctie en rectificatie kon komen. Daarom begon hij direct met praktiseren van de eerste Sjabbat na de Schepping. Op deze dag van rust en reflectie kon hij terugkijken, zichzelf rectificeren en het verleden rechtzetten.
Net zoals Rosj Hasjana de Schepping van de wereld herinnert, herinnert deze Sjabbat Sjoewa de eerste zonde van de mens en de herstelmogelijkheden. Sjabbat is een dag van bezinning en terugblik. Sjabbat Sjoewa is een gelegenheid om terug te kijken op de afgelopen week, hoe wij de selichot (speciale boetegebeden), Rosj Hasjana en de hele aanloop tot Jom Kippoer zijn doorgekomen. Deze Sjabbat is net zoals voor Adam, een dag van inspiratie, steun en verwachting, dat wij onze eindeloze gang op weg naar zelfverbetering zullen halen.
Op Sjabbat Sjoewa lezen wij het lied Ha’azinoe (Dewariem hoofdstuk 32). Hoewel Ha’azinoe een lied van zonden, straf en ballingschap voor het Joodse volk lijkt te zijn, legt de 19e eeuwse Malbiem dit lied uit als `reminder’ voor G’d Zelf. G’d bevestigt in de Tora, dat Hij weet, dat wij vroeg of laat tot zonde zullen vervallen. Dit getuigt van hoop. G’d kende ons volkskarakter van begin af aan. Hij wist dat overtredingen onvermijdelijk waren. Ha’azinoe eindigt met nog meer hoop:“En Hij zal Zijn volk terugbrengen naar Zijn land”. Moge wij hier spoedig getuige van zijn!
Ha’azinoe is één van de tien profetische gezangen die in de loop van de geschiedenis uitgesproken zijn. Het eerste profetische lied werd gecomponeerd door Adam in Gan Eden alwaar hij een danklied voor de Sjabbat zong. Aan de oevers van de Jam Soef zongen de bevrijde Benee Jisraeël het lied van de zee (sjierat hajam). Het tiende en laatste gezang zal aangeheven worden wanneer de Masji’ach de wereld zal bevrijden. De eerste negen liederen heten “sjiera” in het Hebreeuws en dragen de vrouwelijke vorm van lied, terwijl het lied van de Masji’ach in het mannelijk gezongen zal worden ‘sjier.’ Alle liederen voor het lied van de Masji’ach zullen vrouwelijk zijn, omdat elke bevrijding weer de barensweeën – vandaar het femininum – vormden voor een nieuwe moeizame situatie. Pas in de tijd van de Masji’ach zal aan alle lijden een einde komen.
Ha’azienoe en de volgende Parsja Wezot HaBeracha vormen het einde van de Tora en werden uitgesproken op 7 Adar 2488 na de Schepping, de geboorte- en overlijdensdag van Mosje Rabbenoe.
Ha’azienoe telt 613 woorden tegenover de 613 ge- en verboden in de Tora. Het bevat 52 pesoekiem (verzen), hetgeen overeenkomt met de getallenwaarde van het woord Elijahoe, de profeet, die in Messiaanse tijden duidelijk zal maken wat er bedoeld wordt met alle moeilijke zinswendingen en inhouden van deze Sidra.
“Neigt het oor, o Hemelen, dan wil ik spreken; en de aarde moge de woorden van mijn mond horen” (32:1)
Kosjere getuigen
Rasjie (1040 – 1105) legt uit dat Mosje Rabbenoe de Hemel aanroept wanneer hij het joodse volk waarschuwt om getuige te zijn en ook de aarde werd opgeroepen. Waarom werden zij als getuigen opgeroepen? Mosje zei tot zichzelf:”Ik ben maar een mens van vlees en bloed. Morgen sterf ik. Wanneer de joden dan zullen zeggen:`Wij hebben het verbond niet aanvaard’, dan zullen er geen getuigen zijn om hen tegen te spreken. Daarom riep Mosje de Hemel en aarde als getuigen tegen hen op omdat ze eeuwig bestaan. Bovendien kunnen deze getuigen beloning schenken wanneer Israël zich netjes gedraagt: de wijnstok zal zijn vrucht schenken en de aarde haar producten. De Hemel zal zijn dauw geven. Maar wanneer het Joodse volk zich schuldig zal maken dan zal de hand der getuigen zich als eerste tegen hen richten (Dewariem 17:7). De Hemel zal zich sluiten en de bodem zal zijn voortbrengselen niet meer schenken aan de mensheid.
Intensief en oppervlakkig
Toch is nog een andere verklaring mogelijk. Wanneer de Hemel wordt aangeroepen staat er een uitdrukking van ‘ha’azana’ hetgeen op intensief luisteren duidt. Het vers (Dewariem 32:1) kan ook als volgt begrepen worden: wanneer wij naar Hemelse zaken luisteren, moeten wij daar extra aandacht aan besteden om alle details op te vangen. “En de aarde moge horen” slaat dan op de aardse aangelegenheden. Wanneer we onze materiële belangen behartigen, hoeven we alleen maar oppervlakkig te luisteren.
Verder staat er na de Hemel “dan wil ik spreken” terwijl er na de aarde “de woorden van mijn mond” worden vermeld. “Dan wil ik spreken” – in het Hebreeuws `dibboer’ – duidt op een strenge, harde manier van toespreken. Wanneer het om Hemelse zaken gaat, moeten wij standvastig zijn en duidelijk onze mening laten blijken. Wanneer het gaat om het behartigen van aardse belangen is het voldoende om met `woorden’ te spreken. De Hebreeuwse term “woorden” duidt op een zachte manier van spreken. Wanneer het om onze materiele belangen gaat moeten wij ons niet al te druk maken. We moeten van de bijzaak geen hoofdzaak maken. Een prachtige gedachte in deze Aseret Jemé Tesjoewa – tien dagen van inkeer.
“Dat als de regen mijn leer zal neerdruppelen, als de dauw mijn rede zal vloeien, als regenvlagen op het kruid en als dichte druppels op het gewas” (32:2)
De Tora als water
Ook dit wordt uitgelegd als een verwijzing naar de Tora en onze spirituele inspanningen. Er zijn zeker veel punten van overeenkomst tussen de Tora en regen. Net zoals regen vitaal is voor de wereld, zo is de Tora ook van levensbelang. Regen komt van boven en de Tora ook. Water maakt schoon in fysiek opzicht terwijl de Tora geestelijk reinigt en de mens op een hoger niveau tilt. Regen doet de flora bloeien. Zo ook zorgt de Tora ervoor dat goede eigenschappen in de mens floreren.
Maar er is meer. Het verschil tussen oppervlakkig en diepgaand luisteren heeft ook nog een ander gevolg. De Midrasj gaat verder met de vergelijking van de Tora met water: net zoals vissen die in een natte omgeving leven toch de hele tijd naar extra regen verlangen, zo ook vergaat het Tora-leerlingen. Hoeveel ze ook weten, ze verlangen steeds naar nieuwe inzichten. Deze behoefte aan verdieping vinden we in mindere mate bij aardse pleziertjes. De spirituele ladder gaat steeds naar boven terwijl al het aardse een bepaalde limiet heeft. Eens zijn we verzadigd en hebben we genoeg van alle geneugten van deze wereld. Bovendien kunnen we er niets van meenemen! Waarom zouden we ons al te zeer in verdiepen? Hemelse schatten daarentegen zijn voor eeuwig en hebben een enorme diepgang.
Omdat de Tora afkomstig is van HaKadosj Baroech Hoe (G’d) kent Zijn woord geen beperking. Net zoals G’ds wezen oneindig is, is ook Zijn Tora niet begrensd door fysieke of geestelijke beperkingen. Daarom is er bij de Tora-inspanningen altijd mogelijkheid tot verdere verdieping, terwijl men deze geestelijke schatten ook nog eens meeneemt naar de Olam HaBa (de Toekomstige Wereld).
De berg Nebo: het vijftigste niveau
Het was de laatste levensdag van Mosje Rabbenoe. De Joden wilden Mosje overigens niet laten gaan. Ze dreigden ook letterlijk: “Wanneer wij merken dat hij gaat sterven, laten we hem niet los. Iemand die ons uit Egypte heeft gevoerd en voor ons de zee heeft gekliefd, het Manna heeft laten neerdalen, de kwartels heeft laten vliegen, de bron heeft doen opwellen en ons de Tora heeft gegeven die laten we niet zomaar los!”. Maar G’d had anders beschikt. Mosje Rabbenoe moest de berg Nebo op en daar zou hij sterven. Letterlijk kan men het woord Nebo splitsen in N-bo, hetgeen in het Hebreeuws betekent: “aldaar is 50”. Het vijftigste niveau van wijsheid zou Mosje op zijn sterfdag bereiken. Maar dit was ook de oorzaak van zijn overlijden: omdat hij zó vervuld was van G’ddelijke wijsheid, was er op aarde geen plaats meer voor hem. Niemand heeft ooit zijn begraafplaats kunnen vinden omdat G’d niet wilde, dat zijn graf een bedevaartsoord zou worden.
