Parsja 50 Ekev (Dewariem/Deuteronomium 7:12 – 11:25) 27 augustus ’05/22 Menachem-Aw ’65

EKEV (onderweg naar de beloning): Nogmaals brengt Mosjé de mensen onder ogen dat ze, als ze zich houden aan de geboden, gezegend zullen zijn maar als ze hooghartig zijn, problemen zullen krijgen. Hij brengt het de zonde van het gouden kalf in herinnering en hoe HaSjeem het volk had willen vernietigen. Het lukte Mosjé G’ds woede tot bedaren te brengen. Weest niet hardnekkig maar dien G’d met heel je hart. Mosjé brengt veel gebeurtenissen in herinnering, ook de Stenen Tafelen van het Verbond. Mosjé legt de nadruk op G’ds goedheid en de wonderen die Hij voor het volk verricht heeft. Ze hebben met eigen ogen gezien wat G’d met de Egyptenaren gedaan heeft. Ook Israël zal worden veroverd met de hulp van HaSjeem. Koheen, 7:12-8:10. Mosjé herinnert aan de ‘deal’: als wij ons aan de Tora houden, zal G’d ons liefhebben en zegenen. Onvruchtbaarheid en ziekten zullen niet meer bestaan. HaSjeem zal ons de machtigste volkeren laten overwinnen. De verovering van Kena’an zal langzaam geschieden, omdat het land anders overspoeld raakt van wildgedierte. Afgoden moeten vernietigd worden. Het Manna diende als test. De zeven soorten van Israël zijn tarwe, gerst, druiven, vijgen, granaatappelen, olijven en dadels. Na het eten moeten we bensjen.

Dewariem 8:10:”Wanneer je gegeten hebt en verzadigd bent, zul je HaSjeem loven”.
Gevoelig voor het hogere. Vaak wordt ons de vraag gesteld of ‘het G’d werkelijk wat kan schelen wat en hoe wij eten’. Filosofen menen, dat G’d Zich alleen zou bezighouden met de grote lijnen van Zijn Schepping maar geen aandacht zou hebben voor de details, zelfs niet voor de mens als individu. Het is onze levensovertuiging – met de Psalmist – dat ‘Zijn genade zich uitstrekt over al Zijn schepselen’ (Psalm 145). Rabbi Samson Rafaël Hirsch (1818-1888) stelt duidelijk, dat de joodse voorschriften ons gevoelig moeten maken voor onze verheven opdracht. De term ‘kosjer’ wijst ook in die richting. Kosjer betekent ‘geschikt’; treife voedsel heet in de Tora ‘tamé’ (lelt.: onrein). Onze Wijzen brengen de term ‘tamé’ in verband met het woord ‘timtoem’, dat verstopping of blokkade betekent. Kosjer eten maakt ons geschikter en gevoeliger voor het spirituele. Tamé-consumptie blokkeert deze ontwikkeling naar ‘steeds hoger’.

Levi, 8:11-9:3. Zeg niet: “Kijk wat ik bereikt heb op eigen kracht”. Herinner altijd dat het G’d was die Zijn belofte aan onze voorouders in acht neemt. Weet dat afgoderij leidt tot vernietiging.

3e alija (9:4-29). Mosjé vertelt, dat G’d het volk wilde vernietigen. Zelfs Aharon moest het ontgelden.

4e alija (10:1-11). De stam Levie krijgt een speciale rol vanwege het slechte gedrag van de rest van het volk.

5e alija (10:12-11:9). We moeten speciaal liefde betonen aan de bekeerling.

In de Tora staat, dat wij G’d met heel ons hart moeten dienen:”Als jullie aandachtig luisteren naar de geboden…en Hem dient met heel uw hart en heel uw ziel” (11:13). Onze Chagamiem (Wijzen) zeggen: “Wat voor een dienst is die dienst van het hart? Dat is het gebed!”. Daarom moeten we bij het dawwenen ook aandacht besteden aan de zuiverheid van onze intenties en gevoelens. Rabbi Nissan Mindel (20e eeuw, New York) gaat in op de Tora-term `awoda’- dienen. De gewone betekenis van ‘awoda’ is bewerking. Gedurende de bewerking van ruwe grondstoffen worden alle onzuiverheden verwijderd. Een leerlooier neemt een ruwe huid en na verschillende baden ontstaat er een mooi stuk leer of perkament, waarop een Sefer Tora kan worden geschreven.
In de Tora wordt het Joodse volk vergeleken met aarde, en met de aarde wordt het G’ds ‘land van verlangen’ genoemd. De Ba’al Sjeem Tov (1700-1760) begrijpt de vergelijking als volgt: “De aarde zit vol schatten maar die liggen vaak diep begraven. We moeten ze opgraven en daarna moeten ze ontdaan worden van onzuiverheid. Verder moeten ze gepolijst worden en geslepen. Ieder mens bezit prachtige karaktereigenschappen. Deze liggen echter vaak diep verborgen en zijn overdekt met aarde en andere onzuiverheden, die weggepoetst moeten worden”. Iemand met een goed karakter heet een ‘verfijnd’ mens. Het kost veel inspanning om trots, woede, jaloezie en andere slechte eigenschappen te sublimeren. Hoe natuurlijk ze ook lijken, toch zijn ze voor ons, als wezens die geschapen zijn naar het evenbeeld van G’d, ongepast.
Tefilla (het gebed) als bewerking van de onzuiverheden van ons karakter richt zich op het dierlijke in de mens. Wij hebben een G’ddelijke ziel gekregen, die als vonk als het ware een deel van de G’ddelijkheid zelf is, waaruit alle prachtige eigenschappen voortkomen die de mens boven het dier plaatsen. Gedurende het dawwenen (bidden) spreekt onze G’ddelijke ziel met G’d en zelfs onze animale neigingen worden van heiligheid vervuld. Wij zijn ons ervan bewust dat we voor G’d staan en de hele materiële wereld, met zijn kommer en kwel, plezier en verlokking, lijkt weg te smelten. We worden ons bewust van de zaken die er echt toe doen. Zelfs wanneer we dawwenen om leven, gezondheid en inkomsten, denken we aan de diepere betekenis van deze verzoeken. Een leven dat het waard is ‘leven’ genoemd te worden; gezondheid, niet alleen lichamelijke maar ook in geestelijke zin. Een verzoek om onderhoud – de dingen die ons echt onderhouden in deze wereld en in de volgende wereld, Tora en mitswot (geboden). We voelen ons gereinigd en gelouterd door zo een ‘dienst’, en wanneer we terugkeren naar onze dagelijkse routine, blijft dat gevoel van reinheid en heiligheid hangen en verheft het ons dagelijks gedrag tot een niveau dat veel meer past bij een lid van het volk dat een ‘koninkrijk van priesters en een heilige natie’ wordt genoemd.

6e alija (11:10-21). Tefilien, Tora-leren en mezoeza staan garant voor een lang leven in het land.

Op dit moment wordt onder auspiciën van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap gewerkt aan een vertaling van de `Kitsoer Sjoelchan Aroech’. Omdat in de Parsja de Mitswa van Tefillien (Devariem 11:18). Aan de orde komt, doe ik een bescheiden greep over minder bekende voorschriften uit dit encyclopedische werk.
*Men doet staande de Tefillien af. Eerst wikkelt men de riem van de middelvinger af en tevens twee of drie wikkelingen rond de arm. Vervolgens neemt men eerst de hoofd-Tefillien af. Daarna verwijdert men de arm-Tefillien. Want er staat geschreven (Dewariem 6-8): “Wehajoe letotafot been enècha” [en zij zullen als een voorhoofdsband tussen je ogen zijn] en uit het feit dat Wehajoe [zij zullen] in het meervoud staat, hebben onze Chagamiem afgeleid, dat zolang men de hoofd-Tefillien op heeft, men beide Tefillien om moet hebben. Daarom doet men eerst de arm-Tefillien aan en neemt men eerst de hoofd-Tefillien af. Dan heeft men gedurende de hele tijd, dat men de hoofd-Tefillien op heeft, ook de arm-Tefillien aan. Men moet de hoofd-Tefillien met zijn linkerhand verwijderen. Dat is de zwakke hand. Daarmee toont men dat men het niet plezierig vindt de Tefillien af te doen, omdat men de Tefillien eigenlijk de gehele dag moet dragen. Maar omdat ons lichaam niet altijd schoon blijft, doen wij de Tefillien meteen na het davvenen af. Men mag zijn Tefillien niet vlak voor een Tora-rol uitdoen en ook niet voor zijn Tora-leraar. Men gaat dan een beetje opzij staan. Tora-Geleerden hebben de gewoonte om de Tefillien te kussen, zowel wanneer men ze aandoet als ook wanneer men ze afdoet. Men mag het Talliet pas afnemen na het afdoen van de Tefillien.
*Men moet de Tefillien zodanig in het zakje opbergen, dat men de volgende dag eerst de arm-Tefillien eruit haalt. Men mag de arm-Tefillien echter niet bovenop de hoofd-Tefillien leggen, omdat de heiligheid van de hoofd-Tefillien groter is dan die van de arm-Tefillien. Men kan ze het beste naast elkaar plaatsen. Men behoort het Tefillien-zakje met de Tefillien erin in de Tallietzak op te bergen en wel onderop. Het Talliet legt men er bovenop. Dan raakt men (de volgende dag) zijn Talliet het eerst aan.
*Als men geen Tefillien heeft en de gemeente davvent al, doet men er goed aan om te wachten tot na het davvenen van de gemeente. Daarna vraagt men van iemand Tefillien te leen om Keriat Sjema en Sjemonee Esree met Tefillien aan te zeggen. Dit is beter dan samen met de gemeente te davvenen zonder Tefillien. Als men echter vreest, dat de tijd van Sjema voorbijgaat, voordat men erin slaagt Tefillien te vinden, moet men Sjema zeggen zonder Tefillien. Als men vermoedt dat ook de tijd voor de Sjemonee Esree ondertussen voorbijgaat, dient men bovendien de Sjemonee Esree [zonder Tefillien] te davvenen. Wanneer men later Tefillien te pakken krijgt, moet men deze met berachot aandoen en zegt men een psalm of davvent men met Tefillien aan mincha. Maar ‘s avonds is het niet de tijd om Tefillien te dragen. Het is verboden om ’s avonds Tefillien aan te doen. Het is toegestaan om Tefillien van iemand anders te lenen, ook zonder zijn medeweten en ze met een beracha om te doen.
*Tefillien vereisen een schoon lichaam. Wie ziek is aan zijn ingewanden, is vrijgesteld van Tefillien, ook indien hij geen pijn heeft, omdat hij zich niet behoorlijk schoon kan houden. Maar als hij denkt, dat hij zich tijdens Sjema en Sjemonee Esree kan goedhouden, moet hij ze wel leggen. Overige zieken die zich ten gevolge van hun lijden niet voldoende kunnen concentreren, zijn vrijgesteld van de Mitswa om Tefillien te leggen. Het is immers met Tefillien om verboden aan andere dingen te denken. Als men zich wel kan concentreren, is men wel verplicht Tefillien te leggen.
*Betreffende het Tefillien leggen op Chol hammo’eed (de tussendagen van Pesach en Soekot) is er verschil van mening tussen de Rabbinale autoriteiten en zijn er verschillende minhagiem (gewoonten). In sommige plaatsen handelt men volgens die autoriteiten die zeggen dat men op die dagen geen Tefillien legt, en in andere plaatsen gaat men volgens de autoriteiten die stellen dat men wel Tefillien moet leggen maar dat men dan niet hardop in de sjoel de berachot zegt, zoals op de overige dagen van het jaar. Anderen zijn gewoon Tefillien zonder berachot te leggen (men behoort er dan aan te denken, dat mochten op Chol hammo’eed Tefillien niet verplicht zijn, men deze als gewone riemen dient te beschouwen (Peri Megadiem)). Ofschoon men dan geen beracha zegt, blijft het toch verboden om tussen het leggen van arm-Tefillien en hoofd-Tefillien te onderbreken. Maar voor Kaddiesj en Kedoesja mag men wel onderbreken. Men moet erop letten dat men in één sjoel niet gelijktijdig verschillende minhagiem volgt, want dan lijkt het zeker dat men het verbod (Dewariem 14:1): “lo titgodedoe” [maak geen aparte groepen] overtreedt.
*Wanneer Tefillien eenmaal kosjer zijn bevonden, mag men ze kosjer blijven beschouwen, zolang de huisjes volledig intact zijn. Dan neemt men ook aan, dat de perkamenten rolletjes met de Tora-afdelingen in orde zijn. Toch is het verstandig hen regelmatig te laten nakijken, omdat Tefillien door transpiratie in kwaliteit achteruit gaan. Als men de Tefillien slechts zo nu en dan legt, moet men ze minstens twee maal in de zeven jaar onderzoeken, wegens kans op schimmel. Indien het huisje is opengescheurd of in het water is gevallen, moet men ook de perkamenten rolletjes onderzoeken. Als er geen bevoegd persoon is, die Tefillien kan onderzoeken en ze daarna weer kan dichtnaaien, mag men deze Tefillien blijven leggen, ook zonder dat ze onderzocht zijn, opdat men het voorschrift van Tefillien niet zal verzuimen. In dat geval mag men echter de berachot niet zeggen (Peri Megadiem).

7e alija (11:22-25). Als we alle mitswot houden uit liefde voor G’d en in Zijn voetsporen volgen (door menslievende daden), zullen wij triomferen.

Reacties zijn gesloten.