WAJEETSEE (en hij ging weg). Ja’akov gaat op weg naar Charan. Als het donker wordt, droomt hij over een ladder waar engelen op en af klimmen. G’d belooft hem een uitgestrekt land en een groot nakomelingschap, alsmede Zijn bescherming. In Charan aangekomen ontmoet hij zijn nicht Rachel, dochter van Lawan. Hij komt in huis bij oom Lawan en wil zeven jaar werken voor Rachel. Na die 7 jaar schuift Lawan bedriegelijk de zwaar gesluierde Lea onder de choepa. Na een week huwt hij ook Rachel, voor wie hij nogmaals 7 jaar moet werken. Lea baart vier zonen: Re’oeween, Sjimon, Levie en Jehoeda. Rachel geeft haar slavin Bilha aan Ja’akov, die Dan en Naftali baart. Lea geeft ook haar slavin Zilpa en die baart Gad en Asjeer. Lea krijgt dochter Dina. Tenslotte krijgt Rachel een zoon: Joseef. Ja’akov wil vertrekken maar Lawan maakt een overeenkomst met hem over welk vee Ja’akov en welk vee Laban toebehoort. Ja’akov wordt steeds rijker. Na 20 jaar wil Ja’akov vertrekken met zijn gezin en doet dat als Lawan afwezig is vanwege schaapscheren. Lawan gaat de stoet achterna maar krijgt te horen dat hij Ja’akov geen kwaad mag doen. Er wordt een steen opgericht als getuigenis en Lawan gaat naar huis.
Koheen, 28:10-22. Ja’akov droomt van de Ja’akovsladder, realiseert zich dat hij in een G’dshuis, de poort van de hemel, is en doet een gelofte aan G’d.
Levie, 29:1-17. Ja’akov ontmoet Racheel, huilt en wordt opgenomen bij Lawan in huis.
3e alija, 29:18-30:13. Ja’akov houdt van Racheel. Lawan verruilt onder de choepa Lea voor Racheel. Ja’akov krijgt veel kinderen.
De Talmoed (B.T. Joma 83b) vertelt hoe Rabbi Meïr (2e eeuw) het karakter van mensen uit hun naam analyseerde. Rabbi Eliahoe Dessler (20e eeuw) stelt, dat een pasgeboren kind niet puur toevallig een naam krijgt. De naam die ouders in hun hoofd hebben, geldt als een nevoe’a ketana – een kleine profetie, omdat in de naam het wezen van het nieuwe mensje tot uitdrukking komt. Daarom gelden zo bijzonder veel minhagiem – gewoonten – bij de naamgeving, die vrijwel alle ontleend worden aan mystieke principes.
Naamgeving wordt vaak bepaald door de traditie van de voorvaderen. Doorgaans wordt een kind vernoemd naar een overleden familielid of een prominente persoonlijkheid uit de joodse geschiedenis. De Talmoed (B.T. Rosj Hasjana 18a) raadt met name dit laatste aan: `Heeft u ooit iemand gezien, die zijn kind vernoemt naar Farao, Sisera of Sancherib? Men vernoemt naar Avraham, Jitschak of Ja’akov’.
Een ander aanknopingspunt voor een naam vormt het tijdstip in de joodse kalender, waarop het kind geboren wordt. Sommigen noemen een kind, dat op Sjabbat geboren wordt Sjabtai. Dit is echter met name in Amsterdam in onbruik geraakt, waarschijnlijk sinds het echèc van de valse messias Sjabtai Zwi in de zeventiende eeuw. Een Chanoeka-kind heet uiteraard Mattitjahoe naar de leider van de Makkabeeën in opstand tegen de Hellenistische Syriërs. Een Poeriem-kind heet Mordechai of Ester. Een kind, dat op Jom-Kippoer geboren wordt, wordt nog wel eens Rachamiem – barmhartigheid – genoemd en een kind, dat op Tisja beAv – de nationale rouwdag ter gelegenheid van de verwoesting van de beide Tempels – besneden wordt, heet Menacheem – de vertrooster.
In de loop van de geschiedenis zijn ook niet-joodse namen in zwang geraakt, zeker bij meisjesnamen. Zo is de Jiddisje naam Sjprinze een verbastering van het Franse princesse. Jongensnamen, zoals Abba, Bär, Mendel of Mechel zijn of van Aramese oorsprong of Jiddisje verbasteringen en vertalingen van Hebreeuwse namen. De geleerden die in de Talmoed voorkomen, dragen veelal geen namen uit de Tora: Abaji, Rawa, Rawiena, Zeïra, Pappa.
Een bijzondere historie geldt de naam Alexander: toen Alexander de Grote bij zijn bezoek aan de Tempel te Jeruzalem daar zijn standbeeld wilde plaatsen, zou de toenmalige Hogepriester hem daarvan hebben afgehouden door de belofte, dat alle jongetjes, die in dat jaar geboren zouden worden als dankbare herinnering te zijner ere de naam Alexander zouden krijgen.
Dubbele namen zijn een novum van de afgelopen vier eeuwen; tot het einde van de middeleeuwen was dit niet gebruikelijk. De patriarch Ja’akov had twee namen maar wordt nergens Ja’akov Jisra’eel genoemd. Toch is het tegenwoordig zo – en zeker in chassidische kring – dat vrijwel ieder kind twee namen krijgt: Ester-Channa, Racheel-Lea, Joseef-Jitschak, Menachem-Mendel.
Bij het vernoemen naar (voor-)ouders bestaat er een interessant verschil in minhag tussen Sefardiem – oriëntaalse joden – en Asjkenaziem – westerse joden. Het is bij Asjkenaziem uitermate ongebruikelijk een kind naar een nog levende ouder te vernoemen. Sefardiem maken hiervan geen probleem. Bij deze laatste groepering geldt vernoeming naar ouders die nog in leven zijn zelfs als iets positiefs. Bij Nederlandse Asjekenaziem is het wel gebruikelijk om naar levenden te vernoemen. Volgens de midrasj hebben zowel vader als moeder het recht van naamgeving. In onze tijd is het echter gewoonte geworden, dat de naamgeving van de eerstgeborene het privilege van de moeder vormt; het tweede kind wordt door de vader een naam gegeven en het derde weer door de moeder, en zo verder.
In de Tora is hierin geen duidelijk patroon te herkennen. Zo gaf Jitschak zijn zoon de naam Ja’akov, Mosjé noemde zijn zoon Gersjom en David zijn zoon Salomo. Aan de andere kant vinden we ook vaak, dat de moeder haar kinderen een naam gaf, zoals Eva Kaïn en Sjet. De kinderen van patriarch Ja’akov werden door zijn vrouwen genoemd en Channa noemde haar zoon Samuël. Het wordt echter niet juist geacht, dat iemand anders het kind een naam geeft.
Een jongen krijgt een naam bij de besnijdenis. Ook deze gewoonte blijkt niet duidelijk uit de gewijde literatuur. Uit de Tora (Bereesjiet 21:3-4) blijkt zelfs het omgekeerde: `En Awraham noemde de zoon, die hem geboren was, Jitschak (en pas daarna) besneed Awraham zijn zoon Jitschak toen hij acht dagen oud was’. Uit Pirké de Rabbi Eliëzer (48) blijkt echter, dat de naamgeving bij de besnijdenis reeds vroeg bij het joodse volk voorkwam: `Mosjé werd op de achtste dag besneden en Jekoeti’eel genoemd’ (Mosjé had 10 namen).
Soms moet de besnijdenis om medische redenen voor kortere of langere tijd worden uitgesteld en dan geeft de vader zijn zoon een naam bij de eerste keer, dat hij voor de Tora wordt opgeroepen. Anderen hebben de gewoonte om hiermee te wachten totdat de besnijdenis feitelijk plaatsvindt ook al duurt dat enige weken. Indien het een bechor – eerstgeborene – betreft, die men op de eenendertigste dag van de geboorte moet lossen, geeft men het kind een naam bij de pidjon habeen – lossing.
Een meisje krijgt een naam, zodra haar vader voor de eerste keer wordt opgeroepen voor de Tora. In sommige plaatsen is het de gewoonte om hiermee te wachten tot de eerste Sjabbat na de geboorte. Anderen wachten hiermee tot de Sjabbat waarop de moeder weer in staat is de synagoge te bezoeken. Meer dan 30 dagen mag men echter niet wachten met de naamgeving voor een dochter. Bij de Sefardiem is de naamgeving van een meisje nog een hele ceremonie, die zewed habat genoemd wordt. Sommigen verbinden hieraan nog een feestelijke maaltijd maar bij de Asjkenaziem is dit onbekend. In mystieke kring wordt deze omissie betreurd daar aangenomen wordt, dat de ziel zich met het lichaam verbindt bij de naamgeving.
Indien een niet-joods kind door joodse ouders geadopteerd wordt, krijgt het kind een joodse naam na de overgang tot het jodendom. Voor een jongetje betekent dit, dat het pas een naam krijgt na de onderdompeling in het mikwe – het rituele bad – en niet reeds bij de besnijdenis, die eerder plaatsvond. Indien de adoptiefouders uitstel van naamgeving als onaangenaam ervaren, krijgt het kind reeds bij de besnijdenis een naam. Bij geadopteerde meisjes geschiedt de naamgeving uiteraard na onderdompeling in het mikwe, die overigens meestal pas in het tweede levensjaar plaatsvindt.
4e alija, 30:14-27. Re’oeween vindt liefdesappelen. Lea baart Ja’akovs zesde zoon. Racheel krijgt Joseef. Ja’akov wil terug naar Israël.
5e alija, 30:28-31:16. Ja’akov verwerft zijn kudde en onderhandelt met Lawan over de beloning. Ja’akov wordt erg rijk en vlucht weg van Lawan.
Ja’akov, de meest uitgebalanceerde aartsvader, verschijnt in onze parsja als een voorbeeld voor de Joodse arbeidsethos. Maimonides paskent (beslist) in zijn arbeidswetgeving dat “een werknemer verplicht is zich volledig voor zijn werkgever in te zetten” want Ja’akov zei letterlijk “met heel mijn kracht heb ik jullie vader (Laban) gediend” (31:6). In de Talmoed wordt Ja’akov niet geciteerd als de voorbeeldige werknemer maar Maimonides heeft dit gegeven direct uit de Tora gelicht, als voorbeeld voor zijn lezers (Huur 13:7).
Een arbeider mag het werk van de werkgever niet veronachtzamen. Wanneer hij hier een beetje nikst en elders zijn tijd verdoet, kan hij een hele dag net doen alsof hij werkt maar in feite weinig uitvoeren. Werknemers zijn verplicht om de tijd van de werkgever optimaal te besteden. Men mag ’s avonds niet te laat opblijven of `doorzakken’. Onze Wijzen gingen zelfs zover, dat zij werknemers hebben vrijgesteld van de vierde beracha (zegenspreuk) van het bensjen, de dankzegging na de maaltijd
Ook verschillende voorschiften voor de zwaarte van de zorg als `goed huisvader’ ingeval van bewaargeving, zoals bij herders (als bewakers van vee) worden afgeleid van herder Ja’akov: “overdag verteerde mij de hitte en ’s nachts de koudte; mijn slaap week van mijn ogen” (31:40). Toch citeert Maimonides deze regels niet in naam van Ja’akov omdat men geen voorschiften voor het heden afleidt uit gebeurtenissen van voor de Tora-wetgeving op de berg Sinaï (Matan-Tora). Hoewel onze Aartsvaders en –moeders grote ethische rolmodellen voor ons zijn, zijn hun daden voor ons – na Matan-Tora – niet normatief. Anders dan in andere geloven, geldt voor ons niet, dat wij `doen als de profeten’ of blindelings de handelingen van onze Aartsouders imiteren. Onze mitswot zijn door G’d op de berg Sinai gegeven. Daarom vervullen wij de geboden. Maar op ethisch terrein kunnen wij van iedereen leren. “Als de Tora niet gegeven was, hadden we nijverheid van de mier en trouw van de duiven geleerd” zeggen onze Wijzen. De verplichting om zich volledig in te zetten voor de werkgever is een ethische gewetenszaak, een kwestie van moraal en fatsoen. Daarom kan Ja’akov van meer dan 3500 jaar geleden daarin zeer wel als voorbeeld figureren. Maar de voorschiften om zorgvuldig om te gaan met zaken, die in bewaring zijn gegeven (zoals vee bij een herder) zien voornamelijk op de schadevergoedingsverplichtingen. Zelfs een arbeider moet bij sommige ongevallen gedurende zijn werk zelf betalen. Hier is sprake van harde juridische aansprakelijkheden in de Tora-wet, die pas na Matan-Tora voor Am Jisraeel geldig zijn geworden. Daarom leidt Maimonides ze niet af van Ja’akov, die voor Matan Tora leefde.Onze Chagamiem (Geleerden) getuigen van een hoogstaande arbeidsmoraal:”Werk is een groot goed”.
6e alija, 31:17-42. Lawan gaat Ja’akov achterna en sluit een verbond met hem.
7e alija, 31:43-32:3. Lawan antwoordt dat de vrouwen zijn dochters zijn en de kinderen zijn kinderen, en ook de dieren horen aan hem toe. Ja’akov en Lawan sluiten een pact. Een hoop stenen vormt het teken van de overeenkomst. Ja’akov brengt offers aan G’d. ’s Ochtends kust en zegent Lavan zijn kinderen en vertrekt hij.
