Koheen (11:26-12:10). Zegen krijgen we wanneer we de mitswot in acht nemen en vloek wanneer we ze verwerpen.
► De naam Jeroesjalajim is in feite een combinatie van twee Hebreewse namen, die reeds vroeg in de joodse geschiedenis verschijnen.
In 2200 vóór had Melchitsedek, die volgens de joodse traditie Sem, de zoon van Noach en stamvader van de Semieten was, de Tempelberg en omgeving ‘Sjalem – perfect’ genoemd. Sem bedoelde daarmee, dat de stad voorbestemd was als centrum waar de gehele mensheid spirituele perfectie kon opdoen. Tien generaties later werd Jitschak door Awraham gebonden op het altaar, dat eens door Adam en Noach was opgericht en later het centrale punt zou vormen in de Tempel te Jeruzalem. Bij de offerande gaf Abraham dezelfde plaats een andere naam ‘Jire – G’d zal vandaar de wereld (welwillend) bezien’. G’d wilde aan beider benaming tegemoet komen en combineerde het tot Jeroesjalajiem – Jeruzalem, de stad waar men met hulp van Boven godsdienstige perfectie zou kunnen bereiken.
Levi (12:11-28). In Israël zal er een speciale plaats worden aangewezen voor het brengen van alle offers. Daar moeten we ons in geestelijke zin verheugen en de Levieten en de minderbedeelden ook mee laten genieten van onze zegeningen. Het is verboden offers elders te brengen.
► Onze Wijzen vertellen ons, dat Adam geschapen werd met aarde van de plaats van het Altaar uit de Tempel, de plaats van zijn verzoening.
Offers, gebracht op dit altaar, zouden uiteindelijk verzoening schenken voor ‘s mensens tekortkomingen. Het idee van zonde is een scheiding in geestelijke zin. ‘s Mensens onbezoedelde psychische eenheid wordt verstoord door zonde. Ook in de intermenselijke sfeer ontstaat verwijdering door zonden. De mens wordt afgezonderd van het G’ddelijke in de schepping. Een offer herstelt de verbroken eenheid met G’d en de mens zelf weer. Het Hebreeuwse woord voor offer is ‘korban’ van de stam ‘KaRaV’ dat naderbij komen betekent. Offer en verzoening zijn in eerste instantie eigenlijk alleen mogelijk in de buurt van de Ewen Sjetija, waar alle onlichamelijke krachten, hogere en lagere werelden, verenigd zijn.
De hele Tempeldienst was in feite gericht op het versterken van de onderlinge band tussen alle hogere krachten. Op de funderingssteen stond de Heilige Arke, waarin de Stenen Tafelen met de Tien Geboden en de oorspronkelijke Torarol van Mosje Rabbenoe lagen. Deze samenloop van het beginpunt van de fysieke schepping en de Tora is niet toevallig. Beide bevonden zich op dezelfde plaats om te benadrukken dat de fysieke scheppping in stand wordt gehouden door het verbond van de Tora: “Ware het niet voor Mijn verbond dag en nacht dan had ik de verordeningen van hemel en aarde niet vastgesteld” (Jeremia 33:25). Heel de schepping draait om dit Tora-verband. Dat wat eens het allerheiligste heette, vormt het ontmoetingspunt van Hemelse en aardse krachten. Daarom heet het de ‘Poort van de Hemel’. Vanuit deze plaats ontspruit profetie, door dit punt gaan alle gebeden naar Boven (Kohelet Rabba 2:7). Toen Jakob droomde van de ladder lag hij op deze plaats: “een ladder stond op aarde maar het uiteinde reikte tot in de Hemel” (I: 28:12). Een ladder met sporten vormt een eenheid in verdeeldheid. De sporten staan in principe los van elkaar maar worden tot een eenheid in de ladder. Het vormt het symbool van de funderingssteen, waar Jakob op sliep: een punt waaraan alle spirituele krachten geassocieerd zijn.
► Tegenover dit aardse concentratiepunt ligt de Hemelse ruimte, waar al deze krachten samenkomen. Onze Wijzen noemen dit het “Hemelse Jeruzalem”, dat parallel ligt aan het aardse Jeruzalem (B.T. Ta’aniet 5a). Daar vindt de interactie plaats van al die geestelijke werelden. Dit Hemelse Jeruzalem is de naam “Sjaleem’ – harmonie waardig omdat alle geestelijke creaties daar in perfecte eenheid coëxisteren. G’d als Schepper staat oneindig hoog verheven boven al het geschapene. Het verschil tussen G’d en Zijn Schepping is oneindig veel groter dan het onderscheid tussen de hoogste spirituele schepping en de laagste aardse materie. Dit leidt tot een fundamentele vraag in iedere religie. Hoe is contact mogelijk tussen het eindige en het Oneindige, een band tussen geschapene en Schepper?
► We weten, dat G’d alle hogere en lagere werelden dirigeert. Dit is het mechanisme van de G’ddelijke Voorzienigheid. Bovendien is al het geschapene voor zijn bestaan afhankelijk van G’d. Zonder Zijn constante scheppende creativiteit zou alles onmiddellijk ophouden te bestaan.
Toch bestaat er een onoverbrugbare kloof tussen G’d en zelfs de hoogste spirituele Engel. Slechts in onze aardse, fysische realiteit is hereniging mogelijk. Maar slechts omdat G’d dit Zelf zo bepaald heeft. Op veel plaatsen waar in de Tora gesproken wordt over Jeruzalem wordt de uitdrukking “de plaats, die G’d zal uitkiezen om Zijn Naam te doen wonen” (V: 12:11, 14:23, 16:2 en 26:2) gebezigd. Voorzover wij dit kunnen bevatten, houdt dit in, dat G’d Zichzelf met deze plaats associeert. Zelfs de wijze koning Salomo had moeite met deze fusie van het aardse en Bovenaardse toen hij bij de inwijding van de Tempel uitriep: “Zie de Hemel, zelfs de Hemel van de Hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb” (I Koningen 8:27).
Niettemin verklaart G’d Zelf in de Tora, dat Hij Zich met deze plaats verbonden heeft. Verbinding betekent interactie. G’d verbond zich op de één of andere wijze met de aardse Tempel en de funderingssteen waardoor ook contact mogelijk werd met al die geestelijke krachten, die daar geconcentreerd zijn. Onze Wijzen verklaren, dat G’d het Hemelse Jeruzalem pas betreden zal nadat Hij eerst het aardse Jeruzalem bezocht heeft (B.T. Ta’aniet 5a).
Hierin ligt dezelfde gedachte verwoord als in Jakobs droom, waarin G’d zelf bovenaan de ladder verscheen. Het is het idee van verbinding en vereniging van alle werelden van de hoogste tot en met de laagste wet G’d, waarin het aardse centraal staat. Het hele doel van de Tempeldienst was het versterken van de band tussen G’d en de hogere geestelijke werelden, die op hun beurt de G’ddelijke uitstraling doorsluizen naar onze materiële wereld, waardoor zelfs ons duistere, G’dverbergende heelal op een hoger plan gebracht zou worden. Op het Loofhuttenfeest Soekkot werden in de Tempel zeventig offers gebracht voor de zeventig archetypen volkeren waardoor de Beschermengelen van alle volkeren verheven werden, wat deze volkeren ook zelf weer tot een hoger spiritueel niveau verhief. De Tempel was niet alleen voor het joodse volk van belang. De hele schepping onderging de verheffende invloed ervan. Sinds de verwoesting van de Tempel heeft de wereld in veel opzichten aan spiritualiteit ingeboet.
Nog steeds dawwenen wij in de richting van Jeruzalem. Al onze gebeden zijn gericht op het Allerheiligste, dat op de Ewen Sjetija stond. In onze gebeden richten wij ons niet op enige Engel of bemiddelaar, alleen op G’d Zelf. Onze gebeden zijn echter inhoudelijk gericht op herstel van de band tussen de verschillende spirituele krachten en werelden, zodat G’ds licht op hen kan schijnen. Wij richten ons hierbij op de plaats waar eens de Heilge Arke stond omdat hier door G’d een connectie werd gelegd tussen het eindige en het Oneindige.
3e alija (12:29-13:19). Wij mogen ons niet interesseren voor de afgodische praktijken van de omliggende volkeren. We mogen niets toevoegen aan de Tora of er vanaf nemen. Als een profeet in naam van afgoderij waarzegt, is het verboden om naar hem te luisteren, zelfs wanneer hij wonderen verricht. De mens werd hier getest op zijn ware geloof in G’d. Wij moeten G’d volgen, Zijn geboden in acht nemen en ons aan Hem hechten.
4e alija (14:1-21). Het is verboden om inkepingen in onszelf te maken voor afgodische doeleinden of om doden te betreuren. Ook is het verboden om in rouw haar uit te trekken. Herkenningstekens van kosjere dieren zijn gespleten hoeven en herkauwen.
► Waarom zijn alleen deze zoogdieren kosjer?
De Tora geeft in overdrachtelijke termen aan hoe wij het heiligheidideaal kunnen bereiken. Wat betekent heiligheid eigenlijk? Heilig kan verheven, hoger staan dan het alledaagse aardse betekenen maar duidt ook op volledigzijn – heilig en heel, in psycholo¬gische termen: een geïntegreerde persoonlijkheid. De meeste van ons leven in twee werelden; in het dagelijkse leven moeten wij ons bezighouden met aardse zaken. Op Sjabbat zijn we Joods. We gaan naar sjoel en leren Tora. Nederlandse Joden staan niet alleen ‘met beide benen op de grond’ maar ook met één been in de Joodse en met het andere been in de profane wereld. Vroeg of laat leidt deze dubbelrol tot een cultuurclash – een botsing tussen waarden en overtuigingen vanuit verschillende achtergronden. Dit brengt de mens uit balans: soms helt hij te veel over naar de seculiere kant van zijn leven. Er ontstaat dan een dubbele moraal. In de materiele sfeer kan hij niet genoeg krijgen terwijl hij zich reeds tevreden stelt met een absoluut minimum aan Joods leven. Bij deze handelsinstelling verliest de mens zijn identiteit; hij raakt van zichzelf vervreemd, leidt een gespleten en ongeïntegreerd leven; het omgekeerde van heiligheid in de zin van volledigheid. Zo worden idealen slechts beleden maar niet nagestreefd.
► Een religie belijden betekent nog niet dat men een religieus waardevol leven leidt.
Wil een dier kosjer zijn, dan moet het allereerst hoeven hebben. Hoeven duiden op onze houding tegenover het materiele. We moeten er enigszins boven staan, het relatieve ervan inzien. Heiligheid is ver te zoeken als ook ons hoofd volledig geabsorbeerd wordt door het aardse. Een vrome chassied werd eens aangesteld als manager in een fabriek voor rubber overschoenen. Al snel werd hij steeds meer in beslag genomen door zijn zakelijke beslommeringen. De Rebbe merkte toen op: ‘Voeten in overschoenen zie ik dagelijks, maar een hoofd in overschoenen heb ik nog nooit gezien’. De hoeven moeten gespleten zijn – we moeten selectief zijn. Met de rechterhand moeten wij de medemens naar de Tora brengen, met de linkerhand compromissen verwerpen. Onze Jodendombeleving mag door contacten met de buitenwereld, waar heel andere waarden leven, niet verwateren. Het dier moet zijn voedsel herkauwen – wij moeten herkauwen. Voordat we ons storten in de ‘struggle for life’ dienen wij goed bij onszelf na te gaan of ons Jodendom niet in gevaar komt. Hebben we eenmaal een beroep of zaak, dan dienen wij bij iedere tijdsbesteding onszelf af te vragen of hier geen andere invulling meer passend zou zijn geweest. Een uur overwerken of een uur Tora leren. Een nieuwe Cadillac of meer Tsedaka (liefdadigheid).
Daarnaast is sjechieta vereist. Slachten verwijdert de dierlijke levenskracht. Vaak zien wij ons in zaken geplaatst voor de morele keus: handelen als een ‘Mensch’ en eerlijk zijn voor de volle honderd procent of toegeven aan winstbejag. Vervolgens wordt het vlees in water geweekt, gezouten en afgespoeld. Pas dan is het echt kosjer: wij moeten onze materiele aspiraties weken in het water van Tora-leren en inten¬sief gebed. Vervolgens wordt het gezouten om het bloed te verwijderen. Zelfs de geringste spoortjes van ons warmbloedige enthousiasme voor het materiele moeten wij sublimeren. En dan pas is het kosjer – maar nog niet kadosj – heilig, want de mens die al deze verheven gedachten kan waarmaken, zou op een bepaald moment arrogant kunnen worden. Daarom moet het vlees nogmaals worden afgespoeld na het zouten. Geen spoor van deze vroomheid hoeft naar buiten te treden. Hoogmoed en inbeelding zijn de ware vrome vreemd.
5e alija (14:22-29). Een tiende van de oogst wordt afgescheiden als ma’aseer sjenie (het tweede tiende).
► Normaliter mogen wij G’d niet testen, maar het vertienen van de landbouwgaven vormt hierop volgens Rabbi Jochanan een uitzondering. Het is toegestaan om G’d uit te testen bij het geven van Ma’aser – de tienden. Dit wordt duidelijk uit de profeet Mal’achi (3:10): “Breng alle tienden naar de opslagruimten zodat er voedsel in Mijn Huis, de Tempel, aanwezig zal zijn. Probeer Me maar uit, zegt G’d, als Ik dan niet voor jullie de luiken van de Hemel zal openzetten!”. Uit de landbouwgaven wordt ook afgeleid dat het een grote Mitswa is om Tsedaka te geven.
Een filosoof vroeg eens aan Rabban Ĝamliël: “Jullie Tora verlangt toch van jullie om steeds weer liefdadigheid te geven. Zijn jullie niet bang, dat jullie financiële positie in gevaar komt?”. Rabban Ĝamliël vroeg de filosoof toen: “Als jou om een lening wordt gevraagd, zou je die dan geven?”. “Hangt er vanaf wie dat is”, antwoordde de filosoof, “als het een vreemdeling is, zou ik bang zijn m’n geld te verliezen.”. En wat gebeurt er als de lener garanties biedt?”, vroeg Rabban Ĝamliël. ”Dan zou ik er zeker mee instemmen, als ik weet dat de persoon in kwestie betrouwbaar is”, antwoordde de filosoof. Rabban Ĝamliël ging door: “Als de premier nou garant zou staan voor de lening, zou je dan akkoord gaan met de lening?”. “Dat is zeker acceptabel”, zei de filosoof. “Luister”, antwoordde Rabban Ĝamliël, “Wanneer iemand liefdadigheid geeft, geeft hij eigenlijk een lening aan de Schepper van de wereld. Dit staat ook Spreuken 19:17: ‘iemand die genereus aan de armen schenkt, geeft als het ware een lening aan G’d, die hem alles zal terug betalen’. Niemand is zo betrouwbaar als G’d. Als Hij garandeert, dat jij je geld terugkrijgt, zou ik niet aarzelen om Tsedaka te geven.”
We worden alleen maar rijker door weg te geven. Nooit is iemand arm geworden door het geven van Tsedaka. Spreuken stelt dit ook duidelijk: “Wanneer men geld geeft aan de armen zal men geen gebrek lijden. Hij die zijn ogen sluit zal vele kelalot (vloeken) oplopen” (28:27). G’d geeft het geld dat men aan Tsedaka heeft gegeven terug. Geld dat men niet heeft willen spenderen aan de armen zal uiteindelijk verloren raken.
6e alija (15:1-18). Wanneer het zevende ‘sabbatical’ jaar (sjemita) voorbij is, kan men niet meer om terugbetaling van leningen vragen.
7e alija (15:19-16:17). De eerstgeborenen zijn heilig. Er mag niet mee gewerkt worden en er mag geen profijt van worden getrokken.
