Dit opinieartikel van rabbijn Shmuel Katzman, Den Haag, verscheen vandaag, 11 april 2011, in Trouw.
Nederland kent een sterke traditie van het beschermen van minderheden. Nog als jongen opgroeiende in de Verenigde Staten werd mij Nederland als voorbeeld gesteld als een tolerant land waar andersdenkenden welkom waren, waar onderdrukte vluchtelingen bescherming vonden. Op school leerde wij hoe Nederland tot de bakermat van vrijheid en democratie in Europa werd – nog voor dat dit idee waar dan ook elders in de wereld postvatte. Wij voelden dankbaarheid en bewondering voor de kansen die aan de eerste Joodse inwoners van de Lage Landen werden geboden, in een tijd waarin andere landen hen verjoegen.
Een kernwaarde van een democratie is dat de meerderheid van stemmen in het Parlement de wet bepaalt. Maar mag een meerderheid altijd haar wil aan een minderheid op leggen? Is een ‘tirannie van de meerderheid’ minder erg dan een dictator? Of moet de meerderheid de grenzen van haar macht erkennen en deze prudent gebruiken?
De Founding Fathers – grondleggers van de Verenigde Staten, waarschuwden voor dit gevaar. James Madison schreef: “Het is van groot belang om in een republiek niet alleen de maatschappij tegen onderdrukking van de machthebbers te beschermen, maar ook om een deel van de samenleving te beschermen tegen onrechtvaardigheid van het andere deel.”
Ook in het Nederlands (historisch-) politieke debat heeft deze fundamentele discussie een rol gespeeld. Voor Thorbecke was dit de reden om een scheiding van machten in de grondwet te willen verankeren. Het Openbaar Ministerie mocht niet een werktuig van de politiek worden; er waren immers terreinen die buiten het politieke domein vielen, namelijk het strafrecht en de religie. De uitkomst van deze discussie is dat in Nederland de scheiding tussen Kerk en Staat net zo fundamenteel is als de scheiding tussen het OM, de rechterlijke macht enerzijds en de wetgevende macht, die bij de Kamer ligt, anderzijds.
Deze fundamentele traditie dreigt nu doorbroken te worden door het voorstel van de Partij van de Dieren om de koshere slacht te verbieden. Deze koshere slacht is de invulling van een religieuze leefwijze, die al eeuwenlang (met een korte caesuur tijdens de oorlogsjaren) is verankerd in de Nederlandse samenleving. De Raad van State heeft dan ook vastgesteld dat koshere slacht dient te worden beschouwd als een vorm van godsdienstig belijden, hetgeen valt binnen de reikwijdte van vrijheid van godsdienst en dat een verbod op ritueel slachten een beperking van deze vrijheid van godsdienst inhoudt. Door het voorgestelde verbod op kosher slachten dreigt de Nederlandse staat om aan Joden in Nederland het recht te ontzeggen om hun religie in vrijheid te beleven. Dit is een treurige breuk met een roemrucht verleden.
Bovendien zal het hele voorstel weinig betekenisvol kunnen zijn voor het vermeende doel – het voorkomen van dierenleed. Het gaat maar om een zeer klein percentage van het in Nederland geproduceerde vlees, terwijl voor het betreffende groep consumenten is het van enorm groot belang.
De zorg om dierenwelzijn is een nobel doel; ook in het Jodendom wordt daar van oudsher veel aandacht aan besteed. Koshere slacht (shechita) gebeurt zodanig dat beëindiging van pijnervaring (verdoving) en de daad van het slachten zelf vrijwel tegelijk plaatsvindt; Met een zeer scherp mes (chalaf) worden in één hals snede voedsel en luchtpijp doorgesneden, hetgeen tot gevolg heeft dat de bloeddruk in de hersenen daalt onmiddellijk en de dood treedt vrijwel direct daarop in. Een vergelijking in “lijden” tussen dieren die eerst worden verdoofd en daarna gedood en dieren waarbij dit in één handeling wordt verricht, is moeilijk te maken, ook al wordt er met wetenschappelijk onderzoek (nauwelijks onderbouwd) geschermd. Maar voor de politiek geen rekening te houden met de religieuze rechten en verlangens van een minderheid, hoort niet bij Nederland.
In december j.l. heeft de heer Frits Bolkestein zijn zorgen uitgedrukt, verklarende dat hij geen toekomst voor ‘bewuste joden’ in Nederland ziet. Gelukkig hebben de meeste politieke partijen onmiddellijk hun afschuw van een dergelijke ontwikkeling kenbaar gemaakt. De kern van Bolkesteins zorg is dat een deel van de maatschappij het leven van de joodse gemeenschap zuur maakt en dat de rest van de maatschappij daar tegen (te) weinig optreedt. Nu blijkt de verontwaardiging van een groot deel van het politieke establishment krokodillentranen te zijn geweest. Politieke partijen die bereid zijn om een verbod op koshere slacht te steunen, kunnen niet beweren dat ze hun best doen om te laten merken dat de Joodse gemeenschap welkom is in dit land.
De Joodse gemeenschap in Nederland bestaat bijna vier eeuwen. Dat is uniek. Als land moeten wij willen deze traditie doorzetten. Het voorgestelde verbod op koshere slachten is dan ook een stap in de verkeerde richting.
