Parsja Sjemot 5772

(Exodus 1:1 – 6:1)   

SJEMOT (namen): De kinderen van Ja’akov hadden zich zeer sterk vermeerderd. Farao wordt bang en maakt hen tot slaven. Hij geeft de vroedvrouwen opdracht pasgeboren zoontjes te doden. Zij doen dit echter niet. Een Leviet, Amram, huwt een vrouw uit dezelfde stam en zij krijgen een zoontje, dat in een waterdicht mandje in de Nijl wordt gezet. Batja, een dochter van Farao vindt hem, redt hem en de grote zus van de baby, Mirjam, biedt aan een voedster voor hem te vinden. Later brengt ze hem naar Batja, die hem Mosjee noemt. Volwassen geworden ziet Mosjee hoe een Joodse man geslagen wordt door een Egyptenaar. Hij brengt hem ter dood en verbergt hem onder het zand. Hij begrijpt dat zijn leven in gevaar is en vlucht naar Midjan, waar hij gastvrijheid vindt bij de priester Jitro. Hij huwt zijn dochter Tsippora en zij krijgen twee zonen. Dan wordt Mosjee geconfronteerd met het brandende doornbos, waar G’d hem opdraagt het Joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. Mosjee verzet zich tegen deze opdracht en denkt dat het volk hem niet zal geloven, maar G’d geeft hem drie wonderen, zodat het volk hem wel als gezonden zal geloven. Ook zegt Mosjé dat hij een slechte spreker is; G’d belooft dat Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Mosjee, Tsippora en hun zonen gaan op reis, maar onderweg treedt G’d tegen Mosjee hard op; Tsippora begrijpt dat één van hun zonen nog niet besneden is en volvoert de operatie haastig. Aharon en Mosjee gaan samen naar Farao en bepleiten de vrijlating van het volk maar Farao treft nog hardere maatregelen. Het volk raakt ontmoedigd en maakt de broers verwijten, maar G’d belooft zijn kracht te tonen.

Sjemot is de dertiende parsja van de Tora, de eerste van het gelijknamige, tweede  Tora-boek, Sjemot. Het boek Sjemot beschrijft 140 jaar vanaf de dood van Joseef tot de bouw van de Tabernakel, Het aantal parsjiot, wekelijkse afdelingen bedraagt elf en het aantal verzen 1209. Het behandelt de Egyptische slavernij, de uittocht uit Egypte, de Tora-wetgeving bij de berg Sinai en de bouw van de Tabernakel.

Parsja Sjemot bestaat uit 7 parsjiot, waarvan 6 open en 1 gesloten, telt 124 pesoekiem, verzen, 1763 woorden, 6762 letters en is hiermee de 15e na langste parsja. Sjemot bevat geen ge- of verboden.

VERDIEPING I: Wat symboliseerde dat brandende doornbosje?

Het brandende doornbosje bestond volgens onze Chagamiem, Wijzen zowel uit brandnetels als uit rozen. Het symboliseert het Joodse volk dat grote Tsaddikiem en grote slechterikken heeft voortgebracht. De Maharal legt dit uit. Het brandende doornbosje is een verwijzing naar de Jiddisje hardnekkigheid. Hardnekkigheid creëert grote Tsaddikiem maar ook grote resja’iem (slechtaards). Hardnekkigheid ligt ten grondslag aan onze continuïteit. Net zoals het doornbosje niet verteert, zal ook het Joodse volk nooit ophouden zijn licht te verspreiden.

Joodse volk blijft eeuwig bestaan

Het doornbosje brandde maar werd niet verteerd. Dit brandende doornbosje stond symbool voor het Joodse volk. Am Jisraeel staat voortdurend in vuur en vlam. We worden constant door tsarot (tsores) omringd. Eigenlijk had het Joodse volk moeten vergaan. Maar toch blijft het bestaan. Dit is een wonder.

Vebinding aards-Hemels

Het bosje symboliseert de materie van het lichaam, het vuur de ziel. Ondanks de verbinding met de ziel, die de hogere, geestelijke oorsprong ervan is en het brandende vuur, wat de ziel in het lichaam is, vergaat het lichaam niet. Het brandende doornbos stond aan de voet van de berg Sinai, waar enige tijd later de Tora gegeven zou worden. De grootste vernieuwing van de Tora is de verbinding tussen de hogere en lagere werelden. Hierdoor werden de lagere werelden doordrongen van kedoesja, heiligheid en Hemelsheid. Daarom stond het bosje aan de voet van de berg Sinai

Voorspelde goles, ballingschap

Het brandende doornbos leert verder dat er geen enkele plaats `leeg is van het G’ddelijke’. Het bosje brandde buiten Erets Jisraeel, het Joodse land. De Sfat Emet legt uit, dat galoet (ballingschap) ook in verband staat met het woord Hitgaloet – ‘openbaring’. Door de ballingschap van het Joodse volk over de hele wereld wordt de G’ddelijkheid in alle uithoeken van de aardbol geopenbaard.

Tegen de omgeving in

Maar daar moeten we iets voor doen. Een doornbosje is stekelig. Het brandende doornbosje geeft dan het enthousiasme voor Kedoesja – heilige onderwerpen – weer. Hoewel de omgeving stekelig kan zijn als een doornbosje en slecht lijkt, moeten wij toch de kracht opbrengen om het Jodendom door te zetten ondanks de G’dsverduistering, die ons omringt. Het is het idee van:’’Zoals de Egyptenaren het Joodse volk verdrukten, zo werden ze meer en breidden zij zich uit’’. Tegen de verdrukking in uitdijen.

Teken van sjelichoet, opdracht

Het brandende doornbosje zou voor Mosje Rabbenoe een teken zijn dat G’d hem gestuurd had, zo wordt het verwoord in de Tora. Wat betekent dit? Het doornbosje stond aan de voet van de berg Sinaï. De uittocht uit Egypte was bedoeld om G’d op de berg Sinaï te dienen en de Tora te ontvangen.

Mosje vroeg zich af in welke verdienste het Joodse volk bevrijd zou worden: ”En dit zij u tot teken, dat Ik u gezonden heb: wanneer u het volk uit Egypte gevoerd zult hebben, zullen jullie G’d dienen op deze berg” (3:12).

Onzichtbare muur

Mosje vroeg zich af of de Bnee Jisraeel de onreinheid van Egypte wel wilden ontstijgen. Daarzonder was de bevrijding onmogelijk. Hoe kan men zich afscheiden van Egypte? G’d belooft hen dat er op de berg Sinaï – na het accepteren van de Tora – een onzichtbare muur zal ontstaan tussen het Joodse volk en Egypte. Hun spirituele bezoedeling zou hen verlaten bij hun vertrek. Alleen daardoor al zouden ze op een totaal ander niveau belanden. Juist door het verlangen om dichter bij Hasjeem te komen, zal de totale afscheiding van Egypte plaatsvinden. De bedoeling van de bevrijding was, dat ze voor eeuwig G’ds dienaren zouden worden.

VERDIEPING II: Drie wonderen van Mosje

Ondanks alle wonderen bij de uittocht uit Egypte, vinden we nergens, dat de acceptatie van de Tora een voorwaarde was voor de bevrijding. De Joden hebben de Tora vrijwillig, zonder voorwaarden vooraf – noch van G’ds kant noch van de kant van het Joodse volk – aanvaard.

De acceptatie van de Tora vormt de basis van ons geloof. We geloven niet in het Jodendom vanwege de wonderen maar omdat we de Tora hebben aanvaard als de basis van ons geloof. Waarom dan alle wonderen? Om de Joden uit Egypte mee te krijgen, was het nodig om ze tijdelijk te overtuigen met wonderen maar dat kan nooit de basis zijn voor een eeuwigdurend Emoena. De Tora is ons geloof, niet de wonderen.

De drie wonderen waren: de stok die in een slang veranderde en weer een stok werd; de hand, die melaats werd en weer gezond werd en het water dat veranderde in bloed.

Deze drie wonderen brachten over, dat G’d de Enige is, die kan doen leven en kan doen sterven. Een stok heeft geen levensgeest. Maar op de uitspraak van G’d veranderde het tot een levend dier. Een hand is levend maar door de wil van G’d wordt het melaats, iets dat als dood beschouwd wordt. Mosje vluchtte voor de slang want die leek levend te zijn en kon schade aanrichten. Maar de slangen van de sterrenwichelaars van Pharao bezaten geen leven. De slang van de Chartoemiem heet ook ‘Tanien’ (monster). Maar die van Mosje was echt een slang. De zgn. slang van de Egyptische tovenaars was alleen maar zinsbegoocheling. Zou men dat eerste wonder niet geloven dan volgde er nog een tweede wonder. Genezing van melaatsheid is bijna onmogelijk. Toch gebeurde het.

Volgens een andere verklaring wilde G’d met de drie tekenen duidelijk maken dat Hij het Joodse volk Zelf ging bevrijden en dat niet over zou laten aan een Engel. Een Engel kan geen twee opdrachten tegelijkertijd vervullen terwijl G’d tegenstrijdigheden kan verenigen:’’Ik sla en Ik genees tegelijkertijd ook’’. Alle drie wonderen maakten duidelijk dat G’d alleen dit allemaal zou doen. De gedachte “Ik dood en Ik laat leven’’ kwam tot uitdrukking in het eerste wonder. Dode materie werd tot leven gebracht en veranderde weer in dode materie. De idee van ’’Ik sla en Ik genees’’ volgde uit het tweede wonder. De gezonde hand veranderde in een melaatse hand en keerde weer terug tot gezond vlees. De derde gedachte “Niemand kan uit Mijn hand redden” kwam naar voren in het derde teken: het water veranderde in bloed en bleef zo, zonder dat dat ooit nog veranderd werd.

Anderen stellen, dat de drie wonderen antwoorden vormden op drie vragen van Mosje Rabbenoe. De eerste vraag luidde:’’Hoe kunnen we gered worden uit de handen van  zo’n machtige Pharao die de wereld beheerst en wiens land een ijzeren smeltkroes is voor alle mensen?’’. Verder stelde hij de vraag:’’ Hoe kunnen de Joden zich bevrijden uit de onreinheid van Egypte om de daadwerkelijke bevrijding deelachtig te worden?’’. Als laatste vroeg hij:’’Hoe kunnen de Bnee Jisraeel, die worden vervolgd en verdrukt, aan de Egyptenaren ontkomen?’’. Deze drie vragen worden beantwoord door de drie wonderen.

Het wonder van de slang en staf symboliseert het einde van Pharao. Pharao stamde niet uit een adellijke familie maar had zichzelf het koningschap toegeëigend, gelijk de staf die een kronkelende slang werd waar Mosje Rabbenoe voor vluchtte. Maar uiteindelijk werd hij weer gewoon een stok, zonder enige toekomst. Het wonder van de melaatse hand symboliseert het lot van het Joodse volk in galoet (ballingschap). In hun vaderland waren zij rein gebleven maar toen ze naar een ander land verhuisden, assimileerden zij en verloren zij hun spirituele verhevenheid. Pas wanneer zij terugkeren naar hun vaderland zullen zij zich weer spiritueel kunnen reinigen. Het wonder van het water dat in bloed veranderde symboliseert het einde van Egypte dat bloedig verdronk in de Jam Soef, de Rietzee.

HAFTARA: Jesjaja 27:6 – 29:23

In het begin van de haftara wordt aangegeven hoe de Bnee Jisraeel zich vestigden in Egypte en hoe ze groeiden en bloeiden, zoals ook in de Tora wordt vermeld, dat er een bevolkingsexplosie plaatsvond. Dan gaat de profeet Jesjaja verder met de verdorven levensstijl van de Bnee Jisraeel en de moeite waarmee ze ingezameld zullen worden aan het einde van de tijden. Het is geen fysiek probleem voor Hasjeem om de Bnee Jisraeel in te zamelen maar een moreel probleem: “Op die dag wordt op de grote ramshoorn geblazen. Zij die verbannen waren naar Assyrië of verdreven naar Egypte, zullen terugkeren en zich neerbuigen voor Hasjeem, op de heilige berg in Jeroesjalajiem” (27:13).

De Bnee Jisraeel moeten tesjoeva doen, tot inkeer komen. De sjofar helpt daarbij. De Sjofar roept op tot tesjoeva, dat meestal vertaald wordt als inkeer. Dat is onjuist! Tesjoeva betekent terugkeer, teruggroei naar de Oorsprong van alles, de oor­sprong in onszelf, ons echte zelf, het goede en G’ddelijke in de mens. En hierbij gaat het om respect, zorg en verantwoordelijkheid voor dit hoogste mensaspect.

Daarom herinnert de Sjofar ons ook aan het geven van de Tora op de berg Sinaï. Daarbij was ‘het geluid van de Sjofar zeer sterk’. Religieuze groei behoeft leiding en Openbaring. Op eigen kracht alleen blijft het G’ddelijke onbereikbaar. De Tora slaat de brug.

De Sjofar-tonen worden in Jechezkeel (Ezechiël 33) vergeleken met de vermanende of opbeu­rende woorden van de profeten. Tora-kennis alleen is onvoldoende. Iedereen heeft een Rebbe, leraar of geestelijke leider nodig om verder te komen en zichzelf te ontgroeien.

De Sjofar herinnert ons aan de Romeinse trompetten, die de verwoesting van de Tempel te Jeruzalem inluidden. Toen de Tempel er nog was, hadden we veel gemakkelijker contact met het Hogere. De gebro­ken tonen van de Sjofar – van oudsher uitgelegd als symbool van zuchten en snikken van de terug­blikkende mens – breken ons in ons besef dat we in ons jachtige bestaan de ding­en, die ècht belangrijk zijn maar al te vaak laten liggen. Maar juist in die afbraak van onze zelfgenoegzaamheid en zelf­verzekerdheid ligt de kiem van hernieuwde groei: de liefde voor het G’ddelijke in ons.

 

Liefde voor het G’ddelijke, de gedachte alleen al vervult ons met schaamte.

De Sjofar herinnert aan de komst van de Masjie’ach, wanneer wij onze liefde voor het Hogere openlijk zullen durven tonen. Als laatste herinnert de Sjofar aan de Herleving van de Doden, de gedachte, dat ieder lichaam dat het G’ddelijke ooit heeft ervaren, eens weer zal opstaan in een tijd dat het hogere vermogen tot liefhebben en door G’d geliefd te worden op aarde gemeengoed geworden zal zijn. Dàt is de èchte roep van de Sjofar…

 

 

 

Reacties zijn gesloten.