Parsja Wa’era 5772

(Va’era / Exodus 6:2 – 9:35)

WA’ERA (en Ik verscheen). G-d zegt tot Mosjee dat hij het klagen van het volk heeft gehoord en dat hij de Joden moet vertellen dat G-d ze uit Egypte zal voeren, maar ze luisteren niet. Dan beveelt G-d Mosjee naar Farao te gaan en hem te vragen het Joodse volk vrij te laten. Na een geslachtsregister draagt G-d Mosjee weer op naar Farao te gaan, waar Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Als ze bij Farao komen, werpt Aharon zijn staf op de grond, waar deze een slang wordt. Echter, de tovenaars van Farao doen hetzelfde. Farao weigert op het verzoek van Mosjee en Aharon in te gaan. Dan strekt Aharon zijn staf over de Nijl uit en al het water verandert in bloed. Desondanks weigert Farao de Joden te laten vertrekken, waarna de plaag van de kikkers volgt.
Echter, ook de tovenaars van Farao kunnen kikkers over het land laten komen. Na het verdwijnen van de kikkers slaat Aharon het zand, waarop luizen het land overwoekerden. Zelfs dat konden de tovenaars ook, maar het ongedierte verdrijven niet. Farao wil nog niet naar Mosjee luisteren. Dan ontstaat de plaag van wilde dieren, die het land Gosjen niet bezoekt. Farao staat dan de Joden toe te offeren maar daartoe mogen ze niet Egypte verlaten. Mosjee wil drie dagreizen ver gaan, maar dat staat Farao niet toe. Afwisselend verhardt G-d het hart van Farao of de koning zelf verhardt zich. Daarna volgt de veepest, maar van het vee van de Joden sterft er niet één. Mosjee en Aharon krijgen de opdracht handenvol ovenroet in de lucht te werpen; de stofwolk die dit veroorzaakt brengt huidontsteking te weeg bij mens en dier. Maar nog luistert Farao niet. Dan daalt een zeer zware hagel uit de hemel neer en al wat in het veld is, sterft. Ook het gewas wordt verwoest.

Va’era is de veertiende parsja van de Tora, de tweede van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Va’era bestaat uit 16 parsjiot, afdelingen waarvan 8 open en 8 gesloten zijn, telt 121 pesoekiem, verzen, 1748 woorden, 6701 letters en is hiermee de 20e na langste parsja. Va’era bevat 3 ge- en 14 verboden.

VERDIEPING I: MITT ROMNEY EN MOSJE RABBENOE

In deze moeilijke omstandigheden voor Am Jisra’eel is de roep om een sterke leider luider dan ooit. Wat maakt een Jiddisje leider? Zojuist hebben we het begin van de Amerikaanse verkiezingen weer mogen meemaken. What a show! “Kies mij!”, riepen alle kandidaten. Bij Mosje Rabbenoe’s verkiezing liep het toch echt helemaal anders.

Bij het brandende doornbosje weigert Mosje zes dagen lang om leider te worden van het Joodse volk. Geen one-liners, verkiezingscampagnes en dirty tricks. Mosje voelt zich bezwaard omdat hij stottert. Uit zijn grote liefde voor het Joodse volk wil hij dat alleen de beste kandidaat G’ds woordvoerder wordt. Mosje en Aharon – als zijn woordvoerder – gaan naar Fara’o om hem te bewegen tot vrijlating. Maar in plaats daarvan draait Fara’o de duimschroeven nog strakker aan.
Mosje klaagt over het Joodse lot bij G’d, hoewel hij als leider aangevallen en verworpen werd door zijn broers. Toen hij werd geconfronteerd met een Egyptenaar die een Joodse slaaf bijna doodsloeg, doodde hij de Egyptenaar. Hij riskeerde zijn loopbaan en leven om een broeder te redden. Toch was men niet dankbaar voor zijn heldendaad. De volgende dag kwam Mosje twee Joden tegen die met elkaar vochten. Hij wilde ze scheiden maar zij waren cynisch en arrogant:
“Wie heeft jou tot rechter over ons benoemd? Wil je ons doden zoals je de Egyptenaar gedood hebt?” (2: 14).

Mosje realiseerde zich dat hij moest vluchten. Het paleis van Fara’o was voor hem inmiddels gesloten. Bij zijn eigen volk zou hij geen onderdak vinden. Hij verdween de woestijn in. Toch bleef Mosje altijd bereid om zijn broeders te helpen.

G’d wilde Mosje als leider omdat hij bereid was om alles te vergeven.
Mosje was geen politicus. Hij kon niet eens goed spreken. Hij wist precies hoe ondankbaar het volk kon zijn en hoe moeizaam men zijn autoriteit zou aanvaarden. Binding en opofferingsgezindheid, dàt was Mosje’s kracht. G’d verzekerde Mosje, dat hij het zou aankunnen.

Dankbaarheid

Maar er was meer. Dankbaarheid. Mosje mocht de Nijl niet slaan. Het was Aharon, die de Nijl moest veranderen in bloed en ook de kikvorsen eruit naar boven moest brengen. De rivier had Mosje immers beschermd toen hij er in het rieten mandje in werd gezet door zijn moeder.

Alleen iemand met een werkelijk gevoel voor dankbaarheid kan dit begrijpen. Mosje was zó gevoelig voor het feit dat hij ooit door de rivier beschermd werd, dat hij het water niets kon aandoen. Dezelfde gedachte vinden wij terug toen Mosje te horen kreeg, dat hij naar Fara’o moest gaan. Mosje antwoordde volgens de Midrasj: “Ik kan niet gaan, want Jitro, mijn schoonvader, heeft mij opgenomen in zijn huis, ik ben als een zoon voor hem. Ik kan zonder zijn toestemming niet vertrekken”. Daarom vertelt de Tora ons, dat Mosje terugging naar zijn schoonvader en hem vertelde, dat hij wilde vertrekken naar zijn broeders in Egypte om te kijken of zij nog leefden. Jitro zei hem
toen: “Ga in vrede” (4:18). Zelfs de belangrijke opdracht om het Joodse volk te bevrijden, kon Mosje niet vervullen zonder dat hij zijn dankbaarheid aan zijn weldoener had getoond. Vergevingsgezindheid en dankbaarheid zijn altijd leidende joodse idealen geweest.

Het lukte Mosje deze eigenschap over te dragen op zijn volk, de Bnee Jisra’eel.

Want ook de acceptatie van het Opperwezen als G’d over Israël was gebaseerd op dankbaarheid. De Midrasjverzameling Mechilta (Jitro 5:2) vergelijkt het met een koning die een land binnenkwam en tegen de inwoners zei: “Ik wil jullie koning zijn”. De burgers antwoordden hem:
“Je hebt nog niets voor ons gedaan”. De koning bouwde een muur rond de stad, groef bronnen en voerde oorlogen. Toen zei hij wederom: “Ik wil jullie koning zijn”. Daarmee konden de burgers toen instemmen.

Hetzelfde geldt in onze relatie tot G’d. Hij bevrijdde ons uit Egypte, splitste de Rode Zee, bracht Manna, sloeg een bron, stuurde ons kwartels en voerde oorlog tegen Amalek. Toen zei G’d tegen ons: “Ik wil jullie koning worden”, waarna het Joodse volk dit maar al te gaarne aanvaardde. Dankbaarheid is de basis van al onze gevoelens tegenover G’d!

VERDIEPING II: Bewegende standbeelden!

Hoewel het pas over drie maanden Pesach is, maken we in de Tora reeds nu de voorbereidingen van Seideravond mee. Volgens de Tora stellen de kinderen ons de vragen. Ma ha’edot? Wat zijn de getuigenissen? Vraagt de chagam, wijze zoon in de Hagada van Seideravond.

Rabbi Jehoeda Halevi (12e eeuw) legt in zijn filosofische werk Koezari uit dat `choekiem’ geboden zijn die wij moeten accepteren ook al kunnen we de reden ervan niet begrijpen.

Misjpatiem zijn begrijpelijke geboden, die door ieder mens kunnen worden aangevoeld.

Maar wat betekent het begrip `edot’ – getuigenissen?

Nog een andere vraag. We zeggen in de Hagada: “Ik had kunnen denken dat we al vanaf het begin van de maand Nisan beginnen met de seider.
Daarom staat er: ‘op die dag’. Nu had ik kunnen denken dat de Seider al overdag zou mogen beginnen. Daarom staat er ‘vanwege dit’. Het vertellen over de uittocht uit Egypte kan alleen maar beginnen op het moment dat matsa en maror voor je liggen”.

Waarom is het onmogelijk om vroeger te beginnen met de vertelling over de uittocht uit Egypte? Wat is daar zo vreselijk aan? Mensen die de mitsvot vervroegen vinden we meestal juist `cool’ en prijzenswaardig?!

Rav Lau vertelt, dat een aantal jaren geleden in Israël een Europese geleerde op bezoek kwam. Aan het einde van zijn tocht door het Heilige Land vroeg hij zich af waarom hij in Israël zo weinig standbeelden had
gezien: ”In alle andere landen worden standbeelden en herinneringsmonumenten neergezet om mensen en gebeurtenissen uit het verleden te herinneren. Alleen in het Joodse land, met de meest rijke geschiedenis van de hele wereld, zijn er geen standbeelden ter herinnering aan Mosje Rabbenoe, koning David of Sjelomo, de uittocht uit Egypte, de Tora-geving op de berg Sinai, etc., etc. De professor vroeg zijn vrienden verbaasd: “Dit past toch niet in het land van de Bijbel?”.

Het antwoord op deze vraag werd gegeven door de Ga’on van Lutsk, Rabbi Zalman Sorotskin: ”Het Joodse volk heeft gedurende zijn geschiedenis over de hele wereld gezworven. Nergens kon zij vaste monumenten neerzetten. Daarom heeft het Joodse volk bewegende monumenten gekregen, die ons volk op al onze trektochten begeleid hebben. De matsa die wij eten is het `standbeeld’ voor de uittocht uit Egypte.
Bestaat er ergens ter wereld een standbeeld dat het in alle uithoeken van de aarde meer dan 3300 jaar heeft volgehouden?

Bestaat er nog een volk dat alle historische details, die het in de loop van zijn geschiedenis heeft meegemaakt, bewaard heeft in riten, symbolen en halachot, die ons al duizenden jaren bij elkaar houdt?

Het deeg van onze voorouders kreeg niet de gelegenheid om te rijzen.
Daarom staan tot op de dag van vandaag overal matsot op de Seidertafel, van Vladivostok tot Los Angeles, van Helsinki tot Melbourne, in traditionele en minder traditionele huizen.

Ook het maror is een reizend monument dat we eten ter herinnering aan het feit dat de Egyptenaren ons leven verbitterden.

Het charoset is een herinnering aan het leem.

Het beentje herinnert ons aan de uitgestrekte arm waarmee G’d ons uitvoerde. Het ei staat tegenover het feestoffer dat we brachten in de Tempel op Pesach. De vier bekers staan tegenover de vier uitdrukkingen en niveau’s van bevrijding. Alle mitsvot en gewoonten van Seideravond zijn beweegbare monumenten van de uittocht uit Egypte.

Ook vele andere mitsvot herinneren ons aan het ontstaan van het Joodse volk bij de uittocht uit Egypte: tefillien, tsietsiet, Sjabbat en nog vele andere ge- en verboden benadrukken de verschillende aspecten van de Exodus.

Het woord getuigenis is nu duidelijk. Alle aspecten van Seideravond zijn getuigenissen die voor alle komende generaties de wonderen van G’d duidelijk en tastbaar maken. Daarom moet gesproken worden over de uittocht uit Egypte – juist op het moment dat matsa en maror voor u liggen. Want alleen op die manier wordt de getuigenis over de uittocht uit Egypte volledig, concreet en herkenbaar.

Waarom eten we deze matse? Omdat het deeg van onze voorouders geen gelegenheid had om te rijzen. Waarom eten wij deze maror? Omdat de Egyptenaren het leven van onze voorouders verbitterd hebben.

Dit is ook de ren dat vele sceptici de episode van de uittocht uit Egypte niet volledig kunnen ontkennen. Critici zoeken natuurlijke oorzaken voor de tien plagen of de splitsing van de Rietzee maar men hoort zelden, dat de Exodus nooit heeft plaatsgevonden. Het is gebeurd omdat we het iedere generatie weer opnieuw laten gebeuren en beleven.

HAFTARA Jechezkeel hoofdstuk 28 en 29

29: 8 e.v. Daarom, zegt Hasjeem: Ik stuur een zwaard op je af dat mens en dier zal uitroeien. Egypte zal een woestenij vol puin worden. Ze zullen weten dat Ik Hasjeem ben, omdat hun koning heeft gezegd: ‘Van mij is de Nijl, ik heb hem gemaakt.’ Daarom keer Ik me tegen jou en je waterstromen, en maak Ik van Egypte een land van ruïnes, een dorre woestenij… Geen mens of dier zal er nog een voet zetten, en het land zal veertig jaar onbewoond blijven…En Ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken.

Egypte heeft zich zwaar misdragen, zowel tegenover de mensen als tegenover Hasjeem. Daarom worden ze gestraft. Tijdens het verblijf van de Bnee Jisra’eel in Egypte werden ze direct door Hasjeem aangepakt door middel van de tien plagen. Maar ongeveer 1000 jaar later werd Egypte op meer natuurlijke wijze vernederd door Nebukadnetsar, de koning van Babylonie, die Egypte uiteindelijk volledig vernietigde.
Egypte zou een klein en onbetekenend rijk blijven.

Egypte werd mede gestraft voor het feit, dat het doorlopend de Joodse rijken Israel, het Noorderrijk en Jehoeda, het Zuiderrijk opzette tegen de Assyrische en Babylonische overheersers met valse beloften van hulp. Met loze beloften probeerden de Farao’s de Joodse rijken op te hitsen tegen de deze machtige buurlanden voor hun eigen politieke gewin. De Joden luisterden slecht naar hun profeten. Hoewel de profeet Jeremia zijn geloofsgenoten constant waarschuwde tegen een alliantie met Egypte, werden zijn waarschuwingen afgedaan als pessimistisch doemdenken. Maar uiteindelijk kreeg hij – helaas – gelijk. De Joden betaalden duur voor hun gelonk naar Egypte. Egypte werd met de grond gelijk gemaakt en de Tempel ging op Tisja beAv in vlammen op.

HALACHA

Het is nu ongeveer drie maanden voor Pesach, tijd om de hilchot Pesach even te herhalen.

Vraag: Welk graan en meel is toegestaan voor matsot/matzes?

Antwoord: Er staat geschreven (Sjemot 12:17): „En jullie zullen de matsot bewaken.” Dat impli­ceert een extra bewaking van het graan voor de mitswa, het gebod van de matsot. Dit bewaken dient om erop toe te zien, dat er geen water op valt. En volgens een aantal Poskiem, geleerden moet men het graan bewaken vanaf de tijd, dat het geoogst wordt. Opperrabbijn Aharon Schuster z.ts.l. ging zich altijd hoogstpersoonlijk op de hoogte stellen van de stand van de tarwe voor de matsot.

Maar het is de gewoonte geworden om die Poskiem te volgen die menen dat het voldoende is om erover te waken vanaf het tijdstip dat het gema­len wordt. Wie het echter nauwkeurig neemt met de mitswa, bewaakt het vanaf dat het geoogst werd en het is goed zo te doen.

Men moet erop letten dat het graan [dat gebruikt zal worden voor de matsot] niet op het veld blijft staan totdat het geheel verdroogd is en wit geworden is, want als het dan regent, wordt het graan zelfs al chameets als het nog in de grond staat, omdat het dan geen voeding meer uit de grond nodig heeft.

Daarom is het gewenst, dat men het graan oogst wanneer het nog een beetje groen is. Het is het beste om gedurende het hele feest graan te gebruiken dat vanaf de oogst bewaakt werd. Als dat niet mogelijk is, moet men op zijn minst zijn best ervoor doen dat men op beide avonden van de Seder deze hiddoer [verfraaiing van de mitswa] op zich neemt.

Het is de gewoonte de graanmolens zeer zorgvuldig te kasjeren voordat het graan voor de matsot tot meel gemalen wordt, door ze zorgvuldig schoon te maken en er nieuwe zakken voor te kopen. In een plaats waar Tora-geleerden zijn, gaan zij naar de molens om erop toe te zien dat alles kosjer is zoals het hoort of dat ieder G-dvrezend mens daar zelf naar toe gaat om toezicht te houden op het kasjroet (Kitsoer Sjoelchan Aroech van het N.I.K.).

Reacties zijn gesloten.