BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjee. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier.
Bo is de vijftiende parsja van de Tora, de derde van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Bo bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 8 open en 6 gesloten zijn, telt 106 pesoekiem, verzen, 1655 woorden, 6149 letters
en is hiermee de 29e na langste parsja. Bo bevat 20 mitsvot, 9 ge- en 11 verboden.
VERDIEPING I: Jodendom: Doen is het belangrijkste!
Met de uittocht uit Egypte ontvangt het Joodse volk direct al vele opdrachten.Waarom hebben we al die voorschriften en verboden zo nodig? Het antwoord is duidelijk: “Doen is het belangrijkste!”.
In de begindagen van de psychologie meende men dat wanneer de patiënt maar inzicht had in zijn problemen, het probleem vanzelf zou verdwijnen. Moderne psychologie richt zich op gedragsverandering, waarna het inzicht uiteindelijk wel zal volgen. Enkel nadenken over de Uittocht uit Egypte kan wel tot diepe inzichten leiden, maar hoeft niet bij te dragen aan onze spirituele groei.
We moeten ook droge matzes eten om te beleven hoe het goedkope slavenvoedsel voelde. We moeten de bittere kruiden proeven om die bitterheid aan den lijve te ondervinden, voordat we ons kunnen identificeren met onze voorouders. Het gaat om emotionele verandering en die wordt alleen bewerkstelligd door praktische handelingen en duidelijke aanwijsbare objecten, die voor onze neus liggen.
Matsa en Maror voor ons herinneren ons aan onze verklaring aan het begin van onze volkswording: Na’ase Wenisjma -“we zullen doen en we zullen begrijpen”. Wachten tot het intellectuele inzicht doorbreekt duurt te lang. We hebben de geboden als daden in ons dagelijkse, daadwerkelijke leven aanvaard. Misschien zullen we later de diepere achtergronden ervan eens begrijpen.
Het offeren van het Pesachlam symboliseert onze breuk met ons afgodisch verleden. Dit was een centraal thema, dat ook nu nog uiterst actueel is. Waarom herinnert de Tora ons er zo vaak aan dat onze voorouders afgodendienaren waren en verbiedt de Tora dit zo vaak?
Afgodendienst is niet zozeer het buigen voor stukken hout, metaal of klei. Het is ondenkbaar, dat mensen geloven dat deze dode objecten, die ze zelf geproduceerd hebben, goden zijn die bovennatuurlijke krachten bezitten. Maar de werkelijke drijfveer achter afgoderij wordt in de Joodse literatuur als volgt gemotiveerd: “De Joden wisten dat al deze beeldjes niets betekenden, maar zij misbruikten de afgoderij om allerlei verboden zaken toe te staan”.
Iemand die de verlangens van zijn hart wil rechtvaardigen en zijn schuldgevoel wil sussen, zoekt een simpele oplossing. Hij stelt een autoriteit over zich aan, die de teugels zo laat vieren, dat alles door de beugel kan. En wanneer deze autoriteit maar voldoende aanzien heeft, is zo ongeveer alles toegestaan. Wat kan beter als “god” dienen dan een beeldje dat normen en waarden dicteert, die we zelf verzonnen hebben? Het verschil tussen Tora en afgoderij is zeer basaal. Volgens de Tora schiep G’d de mens en gaf Hij hem opdrachten hoe hij zich moest gedragen. In de wereld van afgoderij creëert de mens zijn eigen goden en dicteert hij wat hij graag wil horen.
Wanneer wij de uittocht uit Egypte opnieuw beleven, wat herinneren we dan? Dat we slaven waren van Pharao? Maar waarom moeten we dan op Seideravond ook beginnen met de voorouders van Avraham Avienoe, onze eerste Aartsvader? Het is eigenlijk een kwestie van nadruk. Volgens de mening dat we moeten beginnen met het stuk: “Slaven waren wij voor Pharao in Egypte” is dit de beste tekst, omdat het verwijst naar een totale slavernij van lichaam en geest.
De tweede opvatting stelt daarentegen dat dit misleidend is, omdat het er op lijkt dat we hoofdzakelijk onze bevrijding uit de gevangenschap zouden vieren. We zouden wellicht vergeten, dat de belangrijkste bevrijding de geestelijke vrijheid was. Daarom beginnen we ook bij onze nederige oorsprong. We stellen dat we afstammen van afgodendienaren, mensen die voornamelijk hun instincten leken te volgen.
Awraham startte de verandering. De Exodus was het gevolg. Awraham kon de tirannie van passie en lust ontstijgen. Hij was in staat de ware werkelijkheid te zien. Door zijn onderworpenheid aan G’d was hij in staat zichzelf te beheersen. We zullen de waarheid niet vinden, wanneer we niet bereid zijn de consequenties daarvan te aanvaarden. Echtheid en spiritualiteit kunnen niet worden gescheiden. Ze gaan hand in hand. Daarom moet de afgod van Egypte geslacht worden.
De afgod zit nog steeds in ons. Gedurende de 18e eeuw verwierpen veel mensen de oude tradities omdat zij meenden, dat dat progressief was. De Rebbe van Tsjortkov werd eens door een verlichte geest beschimpt om zijn vasthoudendheid aan de ouderwetse klederdracht. De Rebbe antwoordde: “Uit de Tora blijkt het omgekeerde: jullie zijn ouderwets en wij zijn modern. Onze voorouders waren oorspronkelijk afgodendienaren, die toegaven aan hun passies door afgoden aan te stellen, die hen vertelden wat zij wilden horen. Wij zijn modern, want wij hebben uit onszelf de G’ddelijke ethiek en moraal aanvaard. Jullie zijn dus teruggegaan naar een ver vervlogen verleden. Jullie gedragen je als mensen van voor de beschaving. Jullie zijn ouderwets, wij vooruitstrevend!”. Iets om over na te denken!
VERDIEPING II: Tefilien, de gebedsriemen die wij ’s ochtends aanbinden
Tefilien zijn zwarte huisjes die geplaatst worden op het voorhoofd en om de linkerarm. Zij bevatten vier parasjot (afdelingen uit de Tora), met zwarte inkt geschreven op wit perkament.
1. Een met het lichaam
Tefilien zijn van koeienhuid gemaakt. Huid is ook deel van het menselijk lichaam. Dit benadrukt, dat de boodschap van de tefilien, als in een huidtransplantatie, één moeten worden met de mens. Met aardse middelen moet de mens zich boven zijn dierlijke natuur verheffen. Als fysiek wezen is er geen andere manier. Alles wat we doen is lichamelijk: spreken, denken, eten en slapen. Alleen met het lichaam kunnen we de ge- en verboden van en voor G’d uitvoeren. De tefilien geven fysiek houvast voor het vinden van een balans. Een teveel aan materie verbreekt de band met G’d. Daarom moet alles uit de tefilien van kosjere dieren zijn gemaakt.
2. Oneindig Licht
De vier perkamenten Tora-afdelingen moeten wit zijn, hetgeen duidt op het Oneindige Licht. Voordat de wereld kon worden geschapen moest dit G’ddelijke licht worden afgeschermd en beperkt. Daarom heten de Tora-afdelingen zwarte letters op wit vuur. Het witte oneindige vuur moest getemperd en gematigd worden om te resulteren in deze eindige wereld. Wit omvat alle kleuren en symboliseert de oneindigheid. De zwarte letters gieten dit Oneindige Licht in een (beperkte) betekenis.
3. Kosmische kortsluiting
De Tora geeft ons hier te kennen dat de geloofsbelijdenis van het Sjema een direct gevolg is van de uittocht uit Egypte. Wij kunnen ons het Sjema niet voorstellen als we ons geen rekenschap geven van de bevrijding uit de slavernij. In ons dagelijks leven, sinds 3324 jaar geleden, functioneren deze twee elementen als communicerende vaten. De tefilien zijn hierbij het communicatiemiddel. Door ’s ochtends als onderdeel van het ochtendgebed tefilien aan te leggen en tijdens dit gebed zowel tsietsiet te dragen als Sjema te zeggen, maken wij een soort kosmische kortsluiting. Op dat moment zijn we wat we zeggen en doen we alles wat menselijkerwijs mogelijk is: het vervullen van het geheel van de Wet. Wij moeten ons te allen tijde afvragen: waartoe zijn wij bevrijd? Vrijheid zonder binding heeft geen waarde. Dit doen wij tweemaal daags als wij Sjema zeggen. De fysieke handeling van het binden van de tefilien versterkt en verdiept dit. Wij zijn bevrijd, zodat wij als vrije mensen de Wet op ons kunnen nemen.
HAFTARA
Jirmijahoe 46: 13 – 28 Zin 46: 27
’En wat u betreft, wees niet angstig, mijn knecht Ja’akov, en wees niet verschrikt, Jisraëel. Want Ik red u uit verre landen, uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap. Ja’akov zal zeker terugkeren, rust genieten en zonder zorgen zijn, zonder dat iemand hem bang maakt’.
In de laatste zin worden vier uitdrukkingen van rust en ontspanning aangegeven. Volgens de Midrasj staan ze tegenover de vier rijken, die over Israel zouden heersen. Ja’akov droomde over hen toen hij op de Tempelberg sliep en het visioen van de ladder zag. De droom van de Ja’akovsladder weerspiegelde ook de geschiedenis van het Joodse volk. De toekomst werd Ja’akov ontvouwen. De opstijgende Engelen waren het symbool voor de toekomstige ballingschap van het Joodse volk.
De beschermengel van Babylonië kon zeventig treden beklimmen en viel daarna naar beneden, die van Medië kon tweeënvijftig treden hoog komen maar hield het verder niet vol. Zij zouden zeventig en tweeënvijftig jaar regeren over het Joodse volk. De Griekse engel kon honderdtwintig treden hoog komen en verdween daarna van het wereldtoneel maar die van Rome bleef oneindig stijgen. Ja’akov raakte vertwijfeld. Maar G’d verzekerde hem: “Ook al komt hij zo hoog als de sterren, zodra zijn tijd komt, haal Ik hem Zelf naar beneden!”. We leven nog steeds in deze ‘Romeinse’ ballingschap, waar maar geen einde aan lijkt te komen. Toch zullen wij eens de Masjie’ach mogen verwelkomen.
