Parsja Besjallach 5772

(Sjemot /Exodus 13:17 – 17:16)

BESJALLACH (bij het zenden)
Het volk gaat de woestijn in. Mosjee neemt het gebeente van Jozef mee. Overdag leidt G-d het volk met een wolkzuil, ’s nachts met een vuurzuil. Farao krijgt spijt dat zoveel slaven weg zijn en achtervolgt hen met zijn krijgsmacht. Mosjee heft zijn staf en G-d splijt de zee. De Egyptenaren volgen het volk maar toen ze midden in de zee waren, keerde het water terug. Mosjee zingt een danklied met de mannen en Mirjam met de vrouwen. Na 3 dagen trekken klagen de mensen omdat er alleen bitter water is, dat Mosjee echter in drinkwater weet te veranderen.

Na enige tijd klaagt men dat er geen eten is en bejammert men de vleespotten van Egypte. G-d laat dan kwartels ‘invliegen’ in de avond en ‘dropt’ manna elke morgen, behalve op Sjabbat. Op vrijdag kon men een dubbele portie inzamelen. Eén kruik werd gevuld met manna als bewijs voor de komende geslachten. Later is er weer geen water en het volk klaagt. Op aanwijzing van G-d weet Mosjee water aan een rots te onttrekken. Amalek valt Israël aan. Jehosjoea leidt de strijd, terwijl Mosjee met Aharon en Choer de heuveltop beklimmen. Als Mosjee zijn handen opheft, winnen de Bné Jisraeel. Aharon en Choer ondersteunen Mosjee’s handen. De Amalekieten worden verslagen.

Besjallach is de zestiende parsja van de Tora, de vierde van het tweede Tora-boek Sjemot. Parsja Besjallach bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 9 open en 5 gesloten zijn, telt 116 pesoekiem, verzen, 1681 woorden, 6423 letters en is hiermee de 23e na langste parsja. Besjallach bevat 1 mitsva, techoem sjabbat, dat men niet meer dan 2000 el buiten de woonplaats mag lopen op Sjabbat.

VERDIEPING II: LESSEN VAN KERIAT JAM SOEF, HET SPLIJTEN VAN DE RIETZEE
– HET EINDE VAN DE SLAVERNIJ –

Wat kunnen we leren van de splijting van de Jam Soef op de zevende dag Pesach, dat het begin van de volledige bevrijding vormde?

1. Dankbaarheid. Geen gewapend conflict met Egypte
“Gewapend trokken de Bné Jisraëel uit het land Egypte” (Sjemot 13:18). Waarom heeft G’d de Bné Jisraëel niet geboden te vechten met de Egyptenaren aan de oever van de Jam Soef?
De Egyptenaren hadden de Bné Jisraëel in eerste instantie toch veel gastvrijheid hadden geboden, hoewel dat later omsloeg in slavernij en onderdrukking. Wij mogen niet spugen in de put waaruit wij gedronken hebben. Daarom heeft G’d ons ook opgedragen (Dewariem 23:8) dat wij de Egyptenaren niet mogen verafschuwen “omdat u een vreemdeling was in zijn land”. Dankbaarheid is een belangrijke eigenschap. Aharon moest daarom de Nijl slaan met bloed en kikvorsen. Mosje mocht dat niet doen omdat Mosje in de Nijl beschutting had gevonden toen zijn moeder hem verborg voor de Egyptische soldaten. Dankbaarheid is voor velen tegenwoordig een moeilijk begrip. Het Jodendom benadrukt het telkens weer. Zo ontstaat een betere maatschappij, tikoen olam.

2. G’ds wegen zijn ondoorgrondelijk
Meestal neemt men aan dat de Rietzee over de hele lengte van de zee spleet, van de ene oever tot de andere oever en dat de Joden zo hun vrijheid verwierven. Maimonides (1135-1204) is van mening dat de zee zich in twaalf wegen splitste naar het aantal stammen. In totaal waren er dus twaalf doorwaadbare plaatsen in de Jam Soef. Deze doorwaadbare gangen hadden echter de vorm van een halve cirkel. De Joden kwamen dus aan dezelfde kant uit de Jam Soef als zij er in gegaan waren. Vaak begrijpen wij G’ds wegen niet. Maar we mogen er zeker van zijn, dat het allemaal een betekenis en bedoeling heeft.

3. Durf en opofferingsgezindheid
In Sjemot 14:22 staat geschreven: “En toen kwamen de Bné Jisraëel in de zee op het droge”. De Midrasj vraagt: “Indien men in de zee aankwam, waarom heet het dan `op het droge’? Als het droog was, waarom heet het dan zee?”. Hieruit leert men dat de zee pas spleet toen ze tot aan hun lippen in het water stonden. Een belangrijke gedachte! Men moet durf en opofferingsgezindheid tonen. Daarzonder gaat het niet in het Jodendom!

4. Geen woorden maar daden
In de Talmoed (B.T Sota 36b) meent Rabbi Meïr, dat toen de Joden aan de oever van de Jam Soef stonden de stammen elkaar toeriepen: “Ik ga als eerste de zee in” en de andere meende dat hij als eerste wilde afdalen.
Toen zei Rabbi Jehoeda tegen Rabbi Meïr: “Zo is het niet gebeurd! De ene stam riep dat zij niet als eerste de zee in zouden springen en de andere stam riep dat zij dat niet als eerste zouden doen. Daarop sprong Nachsjon ben Aminadav als eerste in de zee”.
Er is eigenlijk geen meningsverschil tussen Rabbi Jehoeda en Rabbi Meïr. Rabbi Meïr meent dat iedereen ook werkelijk serieus zei, dat hij als eerste in de zee zou springen. Rabbi Jehoeda gaat ermee accoord, dat ze dat oorspronkelijk inderdaad ook allemaal riepen maar toen er werkelijk om actie werd gevraagd, toen begon iedereen te twijfelen en terug te trekken. Opeens moest de ander maar als eerste te water gaan, totdat Nachsjon het initiatief nam en daadwerkelijk de zee insprong. Een doordenker in onze maatschappij, die uitblinkt in prachtige volzinnen! Geen woorden maar daden!

5. Natuur belangrijker dan wonderen
Na de splitsing van de Jam Soef staat er geschreven (Sjemot 14:27): “En Mosje neigde zijn hand over de zee en de zee keerde terug tot zijn kracht tegen het wenden van de ochtend”. Rasjie legt uit, dat de zee weer zijn oorspronkelijke kracht terugkreeg.
Dit is moeilijk te begrijpen. Het is toch logisch dat de zee zijn oorspronkelijke kracht herkreeg. Waarom moet de Tora dit expliciet vermelden? Wanneer een dam het water stuwt, stroomt het water weer met enorme kracht voort in zijn oorspronkelijke bedding, zodra de dam verwijderd wordt. Dit was echter niet het geval aan het einde van de keriat Jam Soef. Toen Mosje opdracht kreeg om zijn hand over de zee te bewegen, kreeg de zee haar oorspronkelijke kracht terug zonder te ontaarden in een bruisende, kolkende watermassa.

Een totaal andere uitleg is ook mogelijk. Het kan zijn dat de Tora juist het omgekeerde wil benadrukken, dat hoewel de “diepe afgronden midden in de zee bevroren waren” en ijs slechts langzaam smelt, het water toch snel zijn oorspronkelijke kracht herkreeg om de Joden te hulp te schieten.
Hoe het ook zij, de Tora geeft aan, dat de natuurlijke toestand van alle elementen de meest gewenste is. Wanneer G’d de natuur even opheft, doet Hij dit zo min mogelijk ingrijpend. Het water keerde gewoon weer naar zijn natuurlijke toestand terug, zonder veel ophef.
Een belangrijke les in ons dagelijks leven. Het Jodendom moet onder de meeste gewone, alledaagse omstandigheden beleefd en uitgedragen worden. Wonderen zijn prachtig maar in het Jodendom draait het om het heiligen van de natuurlijke Schepping.

6. Inzicht komt vaak pas later
De Egyptenaren realiseerden zich pas aan het einde van de keriat Jam Soef – toen de zee hen verzwolg, dat “Ik G’d ben”. Waarom pas zo laat? Daarvoor was de zee al gespleten en liepen de Joden op droog land door de Jam Soef, hetgeen een veel groter wonder was dan dat de zee weer tot zijn gewone, natuurlijke staat terugkeerde en de Egyptenaren verdronken.
Waarom zagen de Egyptenaren niet eerder in dat hier sprake was van een wonder en zij G’d hadden moeten erkennen als baas over de natuur? De Netsiew uit Wolozhyn zegt dat de Egyptenaren meenden dat de zee soms laagstand had. Zij dachten dat de Joden bij eb de zee overgestoken waren en daarom op droog land liepen. Toen de Egyptenaren zich realiseerden dat precies op dat moment de zee hen overviel en er sprake was van een enorme vloed, pas toen begrepen ze dat dit een groot wonder was om de Bné Jisraëel te redden.

7. Verzekeren en herverzekeren?
In Sjemot 14:22 staat geschreven dat “de Bné Jisraëel in de zee kwamen op het droge”. Daarna staat het omgekeerde (Sjemot 14:29): “En de Bné Jisraëel gingen op het droge midden in de zee”.
Dit leert ons iets belangrijks. Wanneer we ons in een moeilijke situatie bevinden, staan we als het ware “midden in de zee”. Toch moeten we realiseren, dat hulp van Boven als in een oogopslag gegenereerd kan worden. Woelig water kan binnen de kortste keren weer “het droge” worden. Aan de andere kant, wanneer de mens denkt dat hij sterk staat – met beide benen of zijn schaapjes op het droge, het lijkt alsof de ‘kracht van zijn hand hem deze macht heeft bezorgd’ – juist dan moet hij beseffen, dat het droge heel makkelijk in zee en onstabiliteit kan veranderen. Een belangrijke gedachte in onze tijd van verzekeren en herverzekeren!

HAFTARA: Sjoftiem/Richteren hoofdstukken 4 en 5.
Hoofdstuk 4: 4:“Debora, een vrouw, die een profetes was, de vrouw van Lappidot, richtte in die tijd Israël.

4: 5 En zij zat onder de palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-E-el, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israëls trokken naar haar voor berechting.
Het zevende Tenach-boek, na de vijf Toraboeken en het boek Jehosjoea (Jozua) heet Sjoftiem, dat Rechters of Richteren betekent. Richteren waren religieuze leiders in een periode waarin Israel nog geen koningen kende. De Sjoftiem – Richteren brachten het volk na een periode van afval weer terug op het rechte pad, leidden hen in de strijd tegen vijanden en berechten hen, zoals Debora uit de stam Naftali. Debora berechtte het volk onder een palmboom, op een voor iedereen toegankelijke plaats omdat ze door vele mensen om raad en recht werd gevraagd en zich niet wilde afzonderen met vreemde mannen. Om iedere mogelijke verdenking te voorkomen, sprak ze in het openbaar recht.
De Joden leefden 20 jaar onder de heerschappij van de Kenaanitische koning Javien en zijn generaal Sisera, die op zijn 36e reeds aan het hoofd stond van een groot leger van 900 ijzeren strijdwagens (bij de Uittocht uit Egypte staat, dat de Egyptenaren zeshonderd strijdwagens hadden).

Sisera onderdrukte hen niet alleen maar daagde de Joden vaak uit op religieus vlak en stelde, dat hij niet geloofde in een Heer van de wereld, die zondaren strafte. In wanhoop richtten de Bnee Jisra’eel zich tot G’d en verlieten zij hun afgoden. Hun kennis van Tora was in die tijd tot een dieptepunt gedaald. Zelfs Barak, de man van Debora, was geen Tora-geleerde. Maar Debora, `eesjet lappidot’, een vrouw van `pitten’, kreeg Barak aan het leren doordat Barak haar boodschapper was naar het Misjkan, Heiligdom in Sjilo. Nadat zij pitten voor de Menora had gemaakt, bracht Barak die naar het Misjkan, waar hij de geest kreeg en langzamerhand een Talmied chagam, een geleerde werd. Tegelijkertijd kreeg Debora, overigens als enige van alle Richteren, G’ddelijke openbaringen. Zij startte jesjievot, Tora-centra en zorgde ervoor, dat de beriet mila, besnijdenis, weer naar behoren werd uitgevoerd.

Reacties zijn gesloten.