Parsja Jitro 5772

 (Sjemot/Exodus 18:1-20:23 )

JITRO. De schoonvader van Mosjé heeft gehoord van de wonderen, verheugt zich erover en brengt offers. Jitro ziet dat Mosjé als enige rechtspreekt en raadt aan meerdere rechters aan te stellen voor zaken van geringere omvang, zodat Mosjé de belangrijke zaken kan berechten.
Mosjé zoekt 78.600 rechters. De Bné Jisra’eel arriveren bij de berg Sinaï waar G’d een Verbond aanbiedt dat zij aanvaarden. Ze moeten zich
3 dagen voorbereiden op de ontvangst van de Tora. G’d daalt neer op de berg Sinaï en Mosjé moet, als enige, de berg bestijgen. Het volk blijft op afstand. Onder hevig sjofar-geschal geeft G’d de Tien Geboden. Het volk is zo verschrikt dat ze Mosjé vragen met G’d te spreken en als bemiddelaar te functioneren. G’d drukt Mosjé op het hart dat het Joodse volk haar verantwoordelijkheid neemt en trouw aan G’d blijft.

Jitro is de 17e parsja van de Tora, de vijfde van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Jitro bestaat uit 11parsjiot, afdelingen waarvan 4 open en 7 gesloten zijn, telt 75 pesoekiem, verzen, 1105 woorden, 4022 letters en is hiermee de 47e na langste parsja. Jitro bevat 3 ge- en 14 verboden.

VERDIEPING I: JITRO, DE MAN DIE ALLES HAD UITGEPROBEERD

“Jitro, de koheen van Midjan, schoonvader van Mosje hoorde alles wat G’d gedaan had voor Jisra’eel, zijn volk …en kwam” (18:1-5).

Deze afdeling, waarin ook de Tien Geboden voorkomen, staat op naam van een geer tsedek, iemand, die uit overtuiging Joods is geworden. Jitro was de eerste in de geschiedenis, die Joods was geworden want voor de Exodus en het geven van de Tora was iedereen nog een Ben Noach, nog een Noachied.
Joden werden pas Joden na hun bekering aan de voet van de berg Sinai (Bnee Jisraeel waren we altijd al want dat betekent `kinderen van Ja’akov of Jisraeel’, onze derde Aartsvader).

Waarom heet deze afdeling naar Jitro? Omdat G’d Jitro’s visie op de indeling van de rechterlijke macht aan de Tora toevoegde.
Wie was deze Jitro? Waarom werd juist hij de schoonvader van Mosje?
Farao had drie raadgevers Job, Bileam en Jitro. Voordat hij begon met de Jodenvervolging vroeg hij hen raad. Bileam, de heidense profeet, gaf Farao raad om de Joodse kinderen in de Nijl te werpen.
Uiteindelijk werd hij, later in de woestijn, door de Joden gedood.
Job zweeg als de grijze meerderheid tegenwoordig omdat hij dacht, dat Farao toch niet zou luisteren naar zijn negatieve advies. Job kreeg daarna vreselijke ellende en pijn te verduren. Want als men zelf getroffen wordt door pijn en ellende, scheeuwt men het uit en zwijgt men niet.

Jitro was tegen de `Endlosung’ en moest vluchten voor zijn leven. Hij kwam in Midjan terecht en werd daar afgodenpriester. Uiteindelijk werd hij – als beloning – de schoonvader van Mosje. Jitro had een zesde zintuig voor spiritualiteit. En voor bedrijfsorganisatie.
Tot Jitro’s komst sprak Mosje in zijn eentje recht. Jitro stelde een geordende rechtsgang voor. Er werden op zijn initiatief 78.600 nieuwe rechters aangesteld. Orde is belangrijk. Men kan dit veralgemeniseren:
een geordend leven is de basis voor het ontvangen van de Tora. Derech erets, menselijkheid gaat vooraf aan de Tora. Daarzonder dreigt men het kind met het badwater weg te gooien!
Jitro had “alle afgoden al gediend”. Dit was niet denigrerend bedoeld.
Het is juist een compliment. Hij was doorlopend op zoek naar de waarheid.

Jitro zocht de Tora. Wat is dat Tora? De Tora was het doel van de uittocht. Tora in diepste zin betekent een voortdurend najagen van de Enige Echte Waarheid, objectief zonder vooroordeel en bias. Het moeilijkste voor de mens is zichzelf te veranderen. Ook de vrije mens kost het enorme moeite om af te stappen van zijn eigen ideeën en gewoontes. Hij moet bereid zijn eerdere zienswijzen opnieuw te evalueren en steeds nieuwe uitgangspunten kunnen kiezen. Tora is constant jezelf durven toetsen.

Jitro woonde prachtig in Midjan. Hij had daar alle aardse luxe, die hij zich maar wensen kon. Maar hij koos voor zijn geestelijke ontwikkeling, verliet huis en haard en trok de woestijn in.
Jitro was een markante persoonlijkheid met veel facetten. Daarom had hij zeven namen: Re’oe-eel, Jeter, Jitro, Chovav, Chever, Kenie en Poeti’eel. Rasji legt uit hoe die namen allerlei aspecten van zijn persoonlijkheid weergaven: Re’oe-eel, vriend van G’d, Jeter, hij heeft een stukje aan de Tora toegevoegd. Toen hij Joods werd, kreeg hij een extra letter Jitro. Chovav, hij hield van de Tora, Chever, vriend van de Tora, die hij `Kenie’ zich had eigengemaakt en Poeti’eel, de man die vroeger vee vetmestte voor afgoden. Want Jitro had eerder alle afgoden geevalueerd. Uiteindelijk had hij de ware G’dsdienst omhelsd, het Jodendom. Maar hij deed alles uit vrije wil. Zijn levensfilosofie
luidde: “geen religieuze dwang”.

Religie als verplichting druist in tegen het Nederlandse oergevoel, dat spontane reacties altijd beter zijn dan slaafse navolging van bevelen van Hogerhand.

Jitro was een markante persoonlijkheid. Jitro had “alles uitgeprobeerd”. Alle afgoden had hij gediend. Jitro zocht “the truth and nothing but the truth”.

Het Jodendom denkt hier echter anders over. Wij stellen, dat degene die de geboden verplicht uitvoert, hoger staat dan degene, die ze vrijwillig doet. Omdat de mitsvot ons geboden zijn, ontstaat alleen al door de opdracht een band tussen Gebieder (G’d) en onderdaan. Het woord mitsva betekent verbondenheid.
Bovendien moet iemand, die de geboden verplicht vervult, telkens weer opboksen tegen anti-krachten – de jetser hara – die geen Autoriteit veelt. Naar gelang de moeite is ook de beloning groter! Religie als bevel zag Jitro totaal niet zitten.

Wij doen de mitsvot (geboden) echter niet omdat wij ze leuk vinden, ze logisch zijn of onze emoties aanspreken, maar puur omdat ze geboden zijn. Wij aanvaarden ze als G’ddelijke besluiten.
Wij gehoorzamen niet aan “Gij zult niet moorden” omdat dit een asociale daad is maar omdat G’d dit geboden heeft. Het verschil in benadering kan zeer groot zijn. In het geval van een G’ddelijk verbod op moord geldt dat absoluut en is moord op een `ontmenselijkt’ deel van de mensheid ondenkbaar.
Maar wanneer de `doodsverachting’ gebaseerd is op consensus en conventie – menselijke afspraken – dan blijkt het verbod op doden in de loop der tijden steeds rekbaarder en elastischer en is genocide niet onmogelijk, zoals we helaas aan den lijve hebben ondervonden.
De Tora was, is en blijft altijd revolutionair. Tora is een bovenaards gegeven, dat nooit totaal zal passen in een `man-made’ filosofie of systeem.

VERDIEPING II: HET JODENDOM ZIEN
Direct na de Tien Geboden zegt de Tora “En het hele volk zag de geluiden” (20:15). Rasjie legt uit dat de Joden het G’ddelijk geluid konden zien, wat normaliter onmogelijk is.
Religie is iets dat onderwezen en gehoord wordt. Onze aardse werkelijkheid is daarentegen zichtbaar. Bij de Sinai werd de religie een onomstotelijke waarheid terwijl de zekerheid van de materiele werkelijkheid veel minder `hard’ werd.
Waarom was het noodzakelijk om ook de geluidsgolven te kunnen zien?
Omdat er bij de verboden nogal eens het woord ‘lo’ (‘niet’) verschijnt, moest men G’ds geluidsgolven ook kunnen zien. Want ‘lo’
kan zowel ‘niet’ als iets positiefs (`voor hem’) betekenen. Als men ‘Gij zult niet stelen’ leest als ‘voor Hem zul je stelen’ staat er het omgekeerde. Daarom moesten de Joden het ook zien.

Staan alsof we het gezien hebben
Bij de voorlezing van de Tien Geboden heeft men in sommige gemeenten de gewoonte om op te staan. Men luistert met meer respect naar de Tien Geboden. Maimonides stelt dat dit verboden is: “Hoewel de Joden van Babylonië – het tegenwoordige Irak – staan bij de Tien Geboden, is dit verboden als men gedurende de rest van het jaar zit”. Wij mogen geen onderscheid maken tussen de Tien Geboden en de rest van de Tora. Alles is even belangrijk en heilig.
Staan bij de wekelijkse Toravoorlezing geeft echter aan, dat men de Openbaring bij de berg Sinai als het ware herbeleeft, toen de Joden aan de voet van de berg Sinai stonden en “op afstand sidderden”. Als wij de Toralezing zo beschouwen, kunnen wij alleen maar staan bij zo’n plechtig moment.

Zien en scannen
Maar er gebeurt veel meer. De parsja heet Jitro. Hij had zich tot het Jodendom bekeerd. “Mosjé ging zijn schoonvader tegemoet” (18:7). In het Hebreeuws heet ‘tegemoet’ – ‘likrat’. Maar het betekent ook ‘om zijn schoonvader te lezen’. Tegenwoordig zouden wij zeggen: `scannen’.
Mosjé wilde het spirituele niveau van schoonvader Jitro scannen en te weten komen. Daarom kwam hij specifiek Jitro tegemoet.
Rabbi Chaïm Vital legt de nadruk op het karakter van Mosjé. Het wel en wee van de Klal (gemeente) stond voorop. Zijn schoonvader laat hem weten dat hij met zijn vrouw en kinderen eraan komt.
Wie loopt Mosjé tegemoet? Zijn schoonvader! Kiroev-werk, iedereen bij de Tora betrekken staat voorop. Mosjé moest zijn schoonvader overtuigen van de waarheid van het Jodendom. Daarom besteedt de Tora daar de meeste aandacht aan.

Teruggaan om anderen te overtuigen
Later besloot Jitro terug te keren naar zijn vaderland. Had hij spijt van zijn keuze voor het Jodendom? Verlangde hij terug naar zijn luxe leven in Midjan? Rasji verklaart, dat hij zo vol was van het Jodendom en hier zo enthousiast over was, dat hij het met iedereen wilde delen.
Jitro keerde terug naar Midjan om zijn oud-volksgenoten te bekeren tot het Jodendom.
Of zijn missie slaagde, weten wij niet. Hoogstwaarschijnlijk niet omdat niemand behalve Jitro ontvankelijk was voor de boodschap van de echte Waarheid en spirituele groei. Ook financieel ging hij er ongetwijfeld op achteruit. Zijn werkgevers konden zijn overstap naar het monotheïsme natuurlijk niet waarderen. Dat druiste volledig in tegen hun heidense lifestyle. Zijn salarisbetaling werd stopgezet.
Maar Jitro had letterlijk alles over voor zijn nieuwe overtuiging. Als dat niet zo was, zou hij nooit Mosje’s schoonvader zijn geworden en zou de Tora hem nooit vermeld hebben.

VERDIEPING III: Religie uit het wetboek schrappen?
“Ik ben HaSjeem, uw G’d, die u uitgevoerd heeft” (20:2). Met behulp van de Tien Geboden kunnen wij onze laagste driften sublimeren en de mensheid op een hoger niveau tillen. Voordat we ons gevoel of intellect inschakelen om in te klikken op Hemelse sferen moeten we dit wel willen. De Tora eist een keuze van de mens om zich een levensdoel te stellen. Een van onze levensdoelen is het G’ddelijke in de mens te vinden.

“U zult de naam van Hasjeem, Uw G’d, niet voor niets uitspreken”
(20:7). Wanneer we G’ds naam uitspreken, moeten we beseffen dat er een Schepper van de wereld is die de wereld bestuurt. Als wij de naam van G’d gedachteloos uitspreken, heet dit ‘lasjaw’ – voor niets. In de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 5) staat dat men bij het uitspreken van de vierletterige G’dsnaam de bedoeling moet hebben ‘dat G’d er was, er is en er altijd zal zijn’. De Gaon van Wilna is het hier niet mee eens en zegt dat het voldoende is in gedachte te hebben, dat G’d de Heer der wereld is. Wanneer men echter totaal geen aandacht heeft bij het uitspreken van de G’dsnaam, heet dit ‘het aanroepen van G’dsnaam voor niets’.

Nachmanides (13e eeuw) legt uit dat de hele wereld sidderde toen G’d de woorden sprak: “Ge zult de naam van Hasjeem, uw G’d niet voor niets uitspreken”. Wij komen naast gedachteloosheid ook veel misbruik van religie en de G’dsnaam tegen. Voor mensen die ruzie en machloket maken of kwaad spreken en stellen dat dit de wil van G’d is, staat er “gij zult de naam van G’d niet voor iets waardeloos aanheffen”.
Hoe werkt dit door in de Nederlandse rechtspraktijk? Het Opperwezen is hier wettelijk beschermd. Laatst kreeg ik een vraag van iemand, die de term godsdienst uit het wetboek geschrapt wil zien: ”Met name artikel
147 en 147a (smalende godslastering etc.) zijn voor mij een grote discriminatie. Ik ben een atheïst en vind het ronduit schandalig dat ik niks lelijks mag zeggen over een heilig persoon voor een bepaalde levensovertuiging. Als Allah of G’d beledigd wordt, hebben mensen de neiging om naar de rechter te stappen voor godslastering. Als een dominee of een imam zegt dat mensen niet deugen, valt dit onder vrijheid van godsdienst. Hier word ik persoonlijk depressief van”.
In Nederland zijn Kerk en Staat gescheiden. Moet de term godsdienst uit het wetboek worden gehaald? Dat is geen goed idee, ondanks de onderbouwing door de vraagsteller. Religie is een zeer wezenlijk onderdeel van de meeste mensen. Hun gevoelens op dit gebied beledigen is geen goede zaak. En uiteindelijk gaat het in de wet om gevoelens van mensen.
Als religieus mens ga ik verder: G’d beledigen is nog veel erger dan een mens beledigen. Duizenden menselijke belangen worden beschermd door de wet. Waarom het G’ddelijk belang dan niet? Majesteitsschennis is verboden. Waarom G’dslastering dan niet? `Leven en dood zijn in de hand van de tong’ (Spreuken 18:21) is niet alleen Bijbelse maar ook een zeer actuele en praktische waarheid.

De zorgvuldigheid in de omgang met de eigen en andermans ziel wordt door niets zo makkelijk ondermijnd als door het woord. De manier waarop we denken over onszelf en de ons omringende wereld, uit zich in de manier waarop we spreken. Wie boos is, vloekt snel. Wie consequent en hartgrondig vloekt, verkeert in spirituele nood. Wie een goed mens wil zijn, moet in de eerste plaats goed voor zichzelf zijn:”Heb uw naaste lief gelijk uzelf” (Leviticus 19:18).
Ieder mens draagt een vonkje G’ddelijkheid in zich. Wanneer men over zijn naaste roddelt, is dat eveneens een vorm van G’dslastering.
Misschien is het zelfs erger. G’d is onaantastbaar maar onze naaste kan uiterst kwetsbaar zijn.
Vandaar, dat de Tora veel vaker tegen menslastering dan tegen G’dslastering waarschuwt. Beide vormen van kwaadspreken delen dezelfde kwaadaardige wortel. Met kwaadspreken wil men verbaal de invloed of aanwezigheid van de `ander’ of Ander minimaliseren of totaal wegvagen.
In beide gevallen gaat het om een poging het G’ddelijke uit ons midden te verwijderen. En dat is een uiterst kwalijk gegeven waar iedereen zich dagelijks – bij zichzelf en bij een ander – tegen teweer moet stellen.

HAFTARA: Jesjaja hofdstukken 6,7 en 9
Kedoesja, Kiddoesj Hasjeem, heliging van G’ds Naam In de Haftara wordt de Kedoesja besproken,die wij tegenwoordig ook nog minimaal twee maal daags uitspreken. De derde beracha, zegenspreuk van het stille, staande achttien-gebed heet ook Kedoesja. Deze Beracha maakt ons bewust van G’ds heiligheid en tegelijkertijd van onze verplichting om Zijn Naam in deze wereld te heiligen door middel van ons gedrag en onze daden. Omdat G’d heilig is kunnen wij slechts Zijn volk zijn als wij ook heilig zijn en geen enkel facet van ons denken en doen met deze heiligheid in strijd is, want G’d prijzen terwijl men een leven leidt dat niet met Kedoesja overeenkomt houdt G’dslastering in, aldus Rabbiner S.R. Hirsch.
Reeds eerder in het gebed, in de beracha van Jotseer Or vermelden we reeds deze lofzang van de Engelen. In het stille, staande achttien-gebed zijn wij het echter zelf die een poging doen tot Kiddoesj Hasjeem in navolging van de Engelen. Dit kan slechts gebeuren door het volk in zijn geheel. Vandaar dat de Kedoesja alleen kan worden uitgesproken wanneer tien volwassen mannen aanwezig zijn, want tien mensen vertegenwoordigen de gemeenschap.
De uiterste vorm van Kidoesj Hasjeem is wanneer wij tonen bereid te zijn grote offers te brengen om G’ds woord niet te overtreden. Bij het uitspreken van de Kedoesja moet men bij zichzelf besluiten hiertoe bereid te zijn, aldus Rabbi Jonathan Eybeschuts in zijn Ja’arot Devasj. Bij het uitspreken van ‘Kadosj, Kadosj, Kadosj’ heffen we onze hielen op van de grond. Dit is om aan te tonen dat we ernaar streven ons op te heffen van het aardse en ons te willen scharen temidden van de Engelen om met hen samen G’d te prijzen.

Reacties zijn gesloten.