Parsja Teroema 5772

(Sjemot/Exodus 25:1 – 27:19)
Inhoud: de Bnee Jisraëel moesten een heffing inzamelen: goud, zilver, koper, blauw purper, rood purper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen, tachasj-vellen en acaciahout, olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor het welriekend reukwerk, bepaalde stenen voor het Efod (het schort van de Koheen Gadol) en het borstschild. Hiermee moesten de Joden een Heiligdom maken en o.a. ook een Ark van acaciahout, 2.5 el lang, 1.5 el breed en 1.5 el hoog. Die moest overtrokken worden met louter goud. Aan de Arke moesten draagstokken bevestigd worden. In de Arke moest men de Tafels van Getuigenis neerleggen.

Teroema is de 19e parsja van de Tora, de zevende van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Teroema bestaat uit 9 parsjiot, afdelingen waarvan 4 open en 5 gesloten zijn, telt 96 pesoekiem, verzen, 1145 woorden, 4692 letters en is hiermee de 42 na langste parsja. Teroema bevat 2 geboden en 1 verbod.

VERDIEPING I:
De Italiaanse verklaarder Sforno (1475-1550) legt uit, dat wij het Misjkan, de Tabernakel, het meereizende Heiligdom in de woestijn hebben gekregen na de zonde van het gouden kalf. De bouw van de Tabernakel was nodig om aan te tonen dat de zonde van het gouden kalf vergeven was.
De Joden stonden voor schut. Vlak na het ontvangen van de Tora hadden ze het tweede van de Tien Geboden overtreden: “Gij zult geen afgoden houden”. De Tabernakel was een antwoord aan alle spotters en critici, die meenden dat G’d het Joodse volk verlaten had. G’d gaf juist nu opdracht een Woning voor Hem te bouwen zodat iedereen zou weten dat het gouden kalf vergeven was.

Toch gebruikt de Tora bij de eerste opdracht om een Heiligdom te bouwen niet het woord Misjkan maar Mikdasj. Misjkan betekent plaats van inwoning, inwoning van de G’ddelijke Majesteit. G’d besloot tussen het Joodse volk te gaan wonen. Dit was een opwekking vanuit de Hemel, een genade van Boven. Maar wat moesten de Joden hiermee? De taak van het Joodse volk was die kedoesja, die heiligheid te laten schijnen over de hele wereld. Daarom heet het Misjkan in de opdracht aan de Joden een Mikdasj, een plaats van waar uit de kedoesja, heiligheid over de wereld uitstraalt. Dat geeft direct onze volksopdracht weer.

De structuur en architectuur van de Tabernakel leert ons hiermee om te gaan. Hoe gaan we hierbij te werk, waar ligt de nadruk? De Tabernakel was bedoeld als centrale offerplaats. Vanaf nu mochten de offers niet meer prive gebracht worden maar moest het offeren op een centrale plaats gebeuren en alleen door een keurkorps van kohaniem, priesters. Het offergebeuren werd gereguleerd en gecontroleerd.
Maar wat veel belangrijker was, was de centrale focus. Wat stond centraal in dit nieuwe Heiligdom? Het Allerheiligste was niet bedoeld voor de offers. In het Allerheiligste stond de Heilige Arke met daarin de Stenen Tafelen en de Tora-rol, die Mosje had geschreven.

Dat was geen toeval. De offers en de Tabernakel hebben we tegenwoordig niet meer. Maar de Tora is altijd bij ons gebleven. De Tora vormt onze eeuwig durende verbinding met G’d. De Aron hakodesj, de Heilige Arke moest draagbalken hebben omdat de Tora overal en altijd met ons is meegetrokken door dit bittere goles tot in alle uithoeken van de aarde. De Tora was `ons transportabele vaderland’. De laatste 2000 jaar hebben we over de aardbol gezworven. Maar doordat de Tora overal met ons meeging, zijn we een Joods volk gebleven.

In de Heilige Arke lagen de Stenen Tafelen en de Torarol van Mosje. Anders dan alle andere objecten in de Tabernakel was de Heilige Arke het enige voorwerp waar alleen maar halve eenheden in lengte, breedte en hoogte (2,5, 1,5, en 1,5 ellen) golden.
Rabbenoe Bachja (Spanje, 14e eeuw) gaat er van uit, dat zelfs in de beschrijving van de maten en andere details van de voorwerpen uit de Tabernakel een diepe symbolische betekenis ligt. Ik geef u twee:
1. In de Heilige Arke lag alleen de Schriftelijke Leer. Deze is slechts half zonder de Mondelinge Leer, de Talmoed.
2. Een Torageleerde moet bescheiden zijn en openstaan. De halve eenheden van de Arke symboliseren de gebrokenheid en openhartigheid van degene, die de Tora wil verwerven. De gebroken afmetingen tonen ook, dat de Torageleerde empatisch moet meevoelen met zijn medemensen, gebroken moet zijn in hun verdriet. In de Zohar (mystiekleer) wordt het hart vergeleken met een noot. Het kraken van een noot is het doorprikken van onze defensieve psychologische muur, onze ongevoeligheid en desinteresse in de ander, hetgeen ons in staat stelt om open te staan voor morele groei en gevoeligheid voor de medemens.

Zo was het heiligdom een symbool voor de mens. Dat zegt de Tora ook: ‘Maak Mij een heiligdom zodat Ik in jullie hart kan wonen’. Dát was de bedoeling van het Misjkan, de Tabernakel, het draagbare heiligdom in de Sinaiwoestijn, die symbool stond voor de latere Tempel in Jeruzalem.

VERDIEPING II: Geven en nemen

Opmerkelijk blijft, dat bij de donaties voor het Misjkan in de openingszin van Teroema staat dat, men ‘voor Mij zal nemen’ en niet dat men `voor Mij zal doneren’.

Wij doneren wel iets, inderdaad, maar in de schaduw van het G’ddelijke blijven we voornamelijk nemen. Wanneer wij ter ere van G’d iets doneren, krijgen wij kedoesja terug van HaSjeem. Dit betekent `zij zullen voor Mij nemen’. Wij nemen van HaSjeems heiligheid iets mee wanneer wij doneren. Hoe intenser men doneert, hoe meer kedoesja men ontvangt.

Daarom staat er in de eerste pasoek waar gesproken wordt over iemand die vrijwillig geeft, duidelijk `jullie zullen Mijn heffing nemen’. Dat wil zeggen: we nemen als het ware een teroema, heffing van HaSjeem mee van onze donaties.
In de tweede pasoek, waar gesproken wordt over verplichte gaven, staat de heffing en niet Mijn heffing. Dit geeft aan dat de mate van vrijgevigheid onze kedoesja bepaalt.

Veelkleurige religie
“En Tachasj-vellen” (25:5). De Tachasj-vellen vormen de bedekking van het Misjkan. In de Talmoed (B.T. Sjabbat 28a) staat dat de Tachasj een soort kameleon was, die zich verheugt in zijn kleuren. Hier wordt de veelkleurigheid en pluriformiteit in de religie benadrukt.
Iedereen dient HaSjeem op zijn eigen manier naar zijn specifieke karaktereigenschappen. Dit is juist het mooie van de `gemeente der gelovigen’ dat wij toch een eenheid vormen hoewel iedereen zo zijn eigen opvattingen koestert.
Daarom vormden de Tachasj-vellen de bedekking van het Heiligdom. Op die manier werd het Misjkan inderdaad één.

Zionsliefde
“En Sjita-hout” (25:5). Rasji legt uit dat Ja’akov voorzag dat de Joden eens een Misjkan in de woestijn zouden bouwen. Hij bracht cederhout mee naar Egypte en plantte het daar. Hij gaf zijn kinderen opdracht ze mee te nemen bij de Uittocht uit Egypte. Waarom moest Ja’akov cederhout meenemen naar Egypte? Ja’akov bracht sjita-hout uit Israel mee naar Mitsraim om zijn chibat ha’arets, zijn liefde voor het Heilige Land te benadrukken.

“Maakt Mij een Heiligdom, zodat Ik te midden van jullie kan wonen … en maakt een heilige Arke” (25:8-10). Ramban (13e eeuw) stelt, dat de opdracht om een Aron hakodesj te maken een zelfstandige mitsva (gebod) is terwijl het vervaardigen van de andere dienstvoorwerpen geen zelfstandige opdracht vormt.
Dit heeft te maken met de heiligheid van de Tora. De Tora heeft een intrinsieke kedoesja, die uitstraalt naar de Aron hakodesj, waar de Tora in lag. De overige keliem (voorwerpen) ontleenden hun betekenis en kedoesja aan het Misjkan als geheel. De Aron hakodesj werd gedragen door de zonen van Kehat. Het woord Kehat betekent concentratie (vgl. Genesis 49:10). Alles concentreerde zich rondom de Heilige Arke.
Na de verwoesting van de Tempel werd de Heilige Arke verborgen. Toen kwam de Mondelinge Leer tot ontwikkeling en bloei. Nu concentreert de Sjechina en de kedoesja zich voornamelijk rond de plaatsen waar de Mondelinge Leer bestudeerd wordt omdat “G’d in deze wereld slechts plaats heeft in de vier ellen van de halacha” (B.T. Berachot 8a).

HAFTARA: DE VIER PARASJOT
Afgelopen week was het Sjabbat Sjekaliem, een van die vier bijzondere sjabbatot voor en na Poeriem, waarop buitengewone parasjot en haftarot worden voorgelezen. Deze week lezen we de gewone haftara van Teroema. Wat is er aan de hand?
De meeste van deze sjabbatot ontlenen hun naam aan de speciale afdeling uit de Tora (of haftara), die op die dagen gelezen wordt. Deze week is het hafsaka, pauze, geen speciale parasja extra, en volgende week is het parsjat Zachor.
De 1e sjabbat heet Sjabbat Sjekaliem, de sjabbat voor of op 1 Adar, waarop de afdeling van de sjekaliem (Ex. 30:11-16) gelezen wordt ter herinnering aan de oproep om de bijdragen voor de Tempel- en offerdienst in te leveren.
De 2e sjabbat heet Sjabbat Zachor, de sjabbat voor Poeriem, waarop de afdeling omtrent het gebod om Amalek te vernietigen wordt voorgelezen (Deut. 26:16-19).
De 3e sjabbat heet Sjabbat Para, de eerste of tweede sjabbat na Poeriem. Daarop wordt voorgelezen omtrent de reiniging met de as van de rode koe (Nu¬meri 19) in verband met het Pesach-offer, waarvoor men rein moest zijn.
De 4e sjabbat heet Sjabbat Hachodesj, de sjabbat vóór of op 1 Nisan. Op deze sjabbat wordt de parasjat Hachodesj voorgelezen (Ex. 12:1-20), waarin het Joodse volk wordt voorbereid op het Pesach-offer en de Jom Tov van Pesach.

De Arba Parasjot in de Misjna

De Arba Parasjot hebben een speciale status in de halachische literatuur: nog voordat de Tora onderverdeeld was in de ons nu bekende parasjot voor Sjabbat, wordt reeds melding gemaakt van de verplichting om de Arba Parasjot voor te lezen. Het is waar, dat er reeds sinds de tijd van Mosje Rabbenoe een verplichting bestaat om op iedere Sjabbat uit de Tora voor te lezen, maar de verdeling in 54 parasjot is pas van latere datum. In het land Israel was het in Talmoedische tijden bijvoorbeeld de gewoonte de Tora een keer in de drie jaar uit te lezen.

Speciale haftarot

Tweeduizend jaar geleden bestond er een meningsverschil over de vraag of de arba parasjot in plaats van de gewone Sjabbat-parasja gelezen moesten worden of dat de arba parasjot slechts toegevoegd moesten worden aan de gewone wekelijkse sidrot (B.T. Megilla 30b).
De halacha is, dat de arba parasjot gelezen worden na de gewone wekelijkse sidra. De haftara sluit aan bij wat het laatste gelezen werd uit de Tora, zodat op de 4 bijzondere Sjabba¬tot rond Poeriem niet de wekelijkse haftara maar een speciale haftara, die behoort bij een van de vier parasjot, wordt voorgedragen.

Aangezien het voorlezen van de arba parasjot werkelijk verplicht is, bestaat er verschil van mening over de positie van de maftier op de vier bijzondere Sjabbatot. Strikt genomen wordt maftier meegerekend voor de zeven verplichte alijot, oproepingen, zodat sommigen de mening zijn toegedaan, dat men voor de wekelijkse sidra slechts zes personen oproept en de zevende persoon, tevens de maftier, zou moeten worden opgeroepen voor een van de arba parasjot, die voorgedragen wordt uit een 2e sefer-Tora. Volgens onze Nederlandse minhag wordt de maftier echter als achtste opgeroepen, na zeven verplichte alijot. Dit betekent dus, dat de achtste opgeroepene – de maftier – een van de vier parasjot voordraagt.

Parsjat Sjekaliem

Gedurende het bestaan van de Tempel was iedere Joodse man verplicht een halve sjekel te doneren ten behoeve van de aank¬oop van de korbanot tsibboer, de gemeente-offers. Op 1 Adar werden de mensen herinnerd aan deze verplichting.
Waarom werd 1 Adar uitgekozen om de mensen te herinneren aan hun verplichting om de halve sjekel te doneren? Omdat 30 dagen later – op 1 Nisan – de dieren voor de korba¬not tsibboer gekocht moesten worden van nieuwe sjekaliem. Vanaf die datum mochten geen korbanot tsibboer meer gekocht worden van sjekaliem, die het vorige jaar werden gedoneerd. Als regel geldt doorgaans, dat men 30 dagen van te voren begint te leren over de halachot van die bijzondere dag.
Rabbi Sjimon ben Gamliëel meent, dat men slechts 2 weken van te voren begint te leren over de desbetref¬fende halachot. Niettemin zou men ook volgens Rabbi Sjimon ben Gamliëel reeds op 1 Adar de mensen moeten herinneren aan hun verplichting een halve sjekel te doneren, omdat op 15 Adar speciale banken werden geopend, alwaar men kleine munten kon inwisselen tegen zilveren sjekaliem. Als herinnering aan deze mitsva is het voorlezen van parasjat Sjekaliem verplicht gesteld voor of op 1 Adar.

Sjabbat Rosj Chodesj

Wanneer Rosj Chodesj Adar op Sjabbat valt worden 3 sifre-Tora uit de Aron haKodesj gehaald. Uit het 1e sefer-Tora wordt de wekelijkse sidra voorgelezen. Uit het 2e sefer-Tora wordt de parasja van Rosj Chodesj voorgelezen en uit het 3e sefer-Tora parasjat Sjekaliem. Parasjat Rosj Chodesj wordt gelezen vóór parasjat Sjekaliem vanwege de regel, dat het meest voorkomende (i.c. parasjat Rosj Chodesj) als eerste wordt gelezen. Als haftara wordt de haftara van parasjat Sjekaliem gelezen, omdat de haftara moet aansluiten bij hetgeen het laatst werd voorgelezen uit de Tora (“mai desaliek mine”).

Deze laatste regel wordt stringent doorgevoerd. Het gebeurde eens, dat de ba’al koree, de voorlezer zich vergiste en als 2e parasja parasjat Sjekaliem voorlas en pas als 3e parasja parasjat Rosj Chodesj. Rabbi Jechezkeel Landau paskende toen, dat men als haftara de haftara van Sjabbat Rosj Chodesj moest voorlezen – “mai desaliek mine”.

Reacties zijn gesloten.