(Sjemot/Exodus 27:20 – 30:10)
TETSAVE (beveel): Mosjee krijgt de opdracht ervoor te zorgen dat de Menora brandend gehouden wordt en Aharon en zijn zonen aan te stellen als priesters (kohaniem). Ook moeten er kleren voor hen geweven worden, die gedetailleerd beschreven worden: o.a. een borstschild, een voorhoofdsplaat, een schoudermantel (efod), een tulband en een gordel. Er moeten ook twee stenen met daarin de namen van de stammen gegraveerd, aan de schouderstukken gehecht worden. Voorts een borstschild ‘’voor bijzondere beslissingen’’ met speciale stenen die Aharon op zijn hart moet dragen. Onderaan de mantel moeten belletjes aangebracht worden.Voor de aanvaarding van het priesterschap moeten er offers gebracht worden en de nieuwe priesters moeten zich zeven dagen voorbereiden, Aharon wordt ook gezalfd met olie, met een meeloffer, olie en wijn. Ook andere offers worden voorgeschreven.
Tetsave is de 20e parsja van de Tora, de achtste van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Tetsave bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 2 open en 8 gesloten zijn, telt 101 pesoekiem, verzen, 1412 woorden, 5430 letters en is hiermee de 23 na langste parsja. Tetsave bevat 4 ge- en 3 verboden.
VERDIEPING I: Dresscode voor de kohaniem
“En gij zult heilige kleren maken voor Aharon, uw broer, tot eer en tot sieraad” (28:2). De Talmoed (B.T. Sjabbat 31a) vertelt dat er eens een geer (proseliet) bij Hilleel kwam en zei: ‘Ik wil Joods worden op voorwaarde dat men mij koheen gadol – hogepriester maakt, zodat ik al deze kleren kan dragen’. Wilde hij werkelijk alleen maar Joods worden om deze kleren te dragen? Waarschijnlijk had hij door wat voor effect deze kleren hadden. Hij voelde bij zichzelf dat hij deze intellectuele steun van de diepe symboliek in de kleren nodig had. Het intellect heerst over de gevoelens.
Waarom wordt in de Tora voor kohaniem een speciale dresscode voorgeschreven? Ieder kledingstuk had een diepere betekenis. Met hun kleding zorgden zij voor het juiste Tempeldecorum waar duidelijk gemaakt moest worden, dat het verstand de emoties moet vormen en sturen. Priesterkleding was gericht tegen foute emoties.
Een typisch voorbeeld van zo’n kledingstuk was het chosjen misjpat. Dit was de borstplaat van het recht met daarop twaalf edelstenen, waarin de namen van de twaalf stammen gegraveerd stonden. Waarom moest de borstplaat over het hart worden gedragen? Om alle stammen duidelijk te maken dat in het recht geen plaats is voor emoties. Wanneer een rechter zich laat meeslepen door emoties, is de zuiverheid van de juridische praktijk in het geding. In recht en wet mogen gevoelens geen boventoon voeren.
Bij het hemelsblauwe onderkleed me’iel staat (B.T. Erechien 16a) dat deze lesjon hara, kwaadsprekerij, rectificeert. De Chafeets Chajiem legt alle details in dit verband uit. Het hemelsblauw herinnert ons er aan, dat alles wat wij spreken tot in de Hemel effect heeft. Alles wordt geregistreerd. ‘De opening voor het hoofd moet naar binnen gericht zijn’ (28:32) betekent, dat wij bij onszelf na moeten gaan, of wat wij zeggen wel door de beugel kan. Verder staat er: “Een rand moet zijn mond (opening) hebben, een weefsel”. Onze verbale uitingen moeten omgeven zijn door een ‘rand’, een barrière, die het ons moeilijk maakt om ook maar iets negatiefs te zeggen. ‘Aan elkaar geweven’ betekent dan, dat het moet zijn alsof onze lippen aan elkaar vastzitten, dat het ons zwaar valt om negatieve dingen te zeggen. “Als de opening van een pantser moet het voor hem zijn.” Wanneer we ons inderdaad oplettend gedragen in onze uitspraken is dat een pantser, beschutting, tegen machloket en ruzie.
“Zijn geluid moet gehoord worden wanneer hij in het Heilige komt.” De enige echte eitse, oplossing van lasjon hara is, dat men alleen over gewijde zaken spreekt (diwree Tora dus).
Het hoofd van de koheen gadol was zwaar bezet: op het voorhoofd lag de voorhoofdsplaat `tsiets’, bedoeld als tegenwicht tegen chotspe (brutaliteit). Deze was met een hemelsblauwe draad bevestigd aan de achterkant van het hoofd. De hemelsblauwe draad leek op die van de tsietsiet. Brutaliteit kan leiden tot ontucht. Ook tsietsiet waren bedoeld tegen ontuchtige gedachten. Op de voorhoofdsplaat stond ‘kodesj lasjeem – heilig voor G’d’. De kohaniem droegen verder een tulband tegen hoogmoed en zelfwaan. Hoogmoed is ook een voorbode van ontucht. Alleen een verwaand en trots mens meent dat zijn passies belangrijker zijn dan de heiligheid van het huwelijksleven.
De mitsnefet maakte de hogepriester bewust van het feit dat er iets boven hem was aan Wie hij verantwoording moest afleggen. Maar de mitsnefet was ook bedoeld als onderdeel van de kledij, om ons schaamtegevoel bloot te leggen. We bedekken onze hersens omdat wij ons schamen voor ons denkvermogen. We hebben zoveel intelligentie meegekregen maar laten ons keer op keer weer overspoelen door emoties!
Kohaniem droegen ook nog een riem (avneet) van linnen. Die moest verzoenen voor de gedachte van het hart. Daarom was de riem tweeëndertig el (16 meter) lang omdat de getallenwaarde van het woord hart tweeëndertig is. Soms tellen slechte gedachten zwaarder dan werkelijke averot (overtredingen). Wanneer men werkelijk een avera, zoned, heeft begaan, heeft men er vaak verder geen behoefte meer aan. Maar een foute gedachte maalt vaak lang door in het hoofd. Het lijkt op een riem die vele malen om de lendenen wordt gewikkeld. Daarom geldt die riem als tegenwicht voor verkeerde denkpatronen.
VERDIEPING II: G’ds evenbeeld
“Ik zal wonen temidden van de kinderen van Israël en hun tot G’d zijn. Ze zullen weten dat Ik hun G’d ben, Die hen uit Egypte heeft gevoerd om in hun midden te wonen, Ik, hun G’d (29:45-46). G’d woont in ons. Wat houdt dat G’ddelijke in de mens in, hoe is dat kenbaar?.
Vrije wil
Allereerst is er de vrije wil: ”Zie, vandaag leg Ik u zegen en vloek voor, de zegen als u zult luisteren en de vloek als u niet luistert” (Deut.11:26-29). Hasjeem leidt ons wel maar dwingt ons nergens toe. Het zou geen zin hebben om marionetten en robotten te scheppen. Maimonides zegt dit ook heel expliciet (tesjoeva 5:2):”Als u mocht denken, dat G’d van tevoren bepaald heeft, dat iemand goed of slecht wordt, dan heeft u het mis. Ieder mens kan zo rechtvaardig worden als onze leraar Mosje of zo slecht worden als Jerove’am. Ieder mens kan wijs of dom, barmhartig of wreed, gierig of vrijgevig worden als hij wil. Zo geldt het ook voor alle andere eigenschappen. Niemand dwingt de mens van tevoren tot een keuze. Die keus is geheel vrij.”
Scheppingsdrang
Een andere uiting van het G’ddelijke in de mens is zijn scheppingsdrang. Of het nu een kleine privé aangelegenheid betreft of iets macro-economisch, veel mensen voelen de behoefte om de wereld te verbeteren.
Altruisme
Ten derde is de mens in staat om afstand te doen van egoïstische eigenbelangen. Hij kan altruïstisch anderen helpen. Met gevaar voor eigen leven kunnen wij andere mensen te redden.
Dit G’ddelijke beeld uit zich ook in de afkeer van slechts en de voorkeur voor het goede. Zelfs de mensen die veel kwaad doen schamen zich daarvoor en geven voor goed te zijn. Zij huichelen en dat is een uiting van eerbied voor het goede. De meeste mensen zijn van mening dat het onderdrukken van anderen slecht en het steunen van zwakken goed is.
Abstract redeneren
Een andere uiting van G’ds eenheid in ons is de mogelijkheid om abstract te redeneren. De mens kan zich losmaken van de aardse realiteit. Hoewel ons denken altijd begint met het analyseren van een probleem, zoekt men daarna een hogere en nieuwe eenheid. Van these komt men tot antithese. Daaruit ontstaat de synthese. We zoeken doorlopend in de grote verscheidenheid de eenheid en grootste gemene deler.
G’dsbesef in onze kleding
Onze parsja spreekt over priesterkleding. Ook in onze kleding komt het G’dsbesef tot uiting. Sociologen stellen, dat wij ons kleden om ons te beschermen tegen de natuurelementen of om onszelf te verfraaien. De kledingtheorie uit de Tora luidt, dat wij ons naakt schamen. Het woord beged (kleding) komt van de stam `ontrouw’. Wij realiseren ons – sinds de zondeval – dat wij kleren moeten dragen om niet ten prooi te vallen aan allerlei lagere driften door blootstelling aan de verleidingen van het lichaam. Ook hier onderscheidt de mens zich van het dier.
Verbinding tussen roechnioet en gasjmioet
Het Jodendom beziet de mens als een paradoxale combinatie van lichaam en geest. Dit samengaan van lichaam en geest wordt iets wonderlijks ervaren, dat het bijzondere van het menszijn bevestigt. Aan de ene kant heeft de mens trekken van deze wereld in zich terwijl hij aan de andere kant tot verhevener sferen behoort. Daardoor vormt hij de enige mogelijke verbinding tussen beide:
‘In drie opzichten lijkt de mens op een engel en in drie opzichten op een dier; in drie aspecten gelijkt hij op een engel omdat hij verstand heeft als een engel, rechtop loopt als een engel en kan praten als een engel. In drie opzichten lijkt de mens echter ook op een dier, want hij eet en drinkt als een dier, plant zich voort als een dier en scheidt de onbruikbare bestanddelen van zijn voedsel uit als een dier (B.T. Chagiga 16a ).
Verbinding tussen hemel en aarde
Dit ‘dubbele’ in het menselijk karakter kan ook in zijn uiterlijke gestalte worden waargenomen. De mens vormt de verbinding tussen hemel en aarde. Met zijn voeten staat hij op de aarde en met zijn hoofd steekt hij in de lucht als teken van zijn spiritualiteit. De mens kan zowel met de Hemel als met de aarde omgaan en deze tot hun uiteindelijke bestemming brengen. Verbinding was het doel van het Misjkan (Heiligdom) maar het uiteindelijke doel is de mens.
