KIE TISA (als je neemt). Er vindt een volkstelling plaats, waarbij arm en rijk ieder een halve sjekel betaalt. Betsaleel wordt aangesteld als architect. Op Sjabbat mag er niet aan het Heiligdom worden gewerkt. Mosjee is 40 dagen op de berg en ontvangt de Stenen Tafelen. Het volk denkt dat Mosjee niet terugkomt en eist van Aharon dat er een zichtbare god gemaakt wordt. HaSjeem is woedend en wil het volk doden en uit Mosje een nieuw volk geboren laten worden. Mosje gooit de Stenen Tafelen stuk en voltrekt samen met de stam Levie – die niet aan de afgodendienst heeft meegedaan – de doodstraf aan 3000 afgodendienaren. Mosje houwt nieuwe stenen uit waarop G’d nog eens de Wet schrijft: vernieuwing van het Verbond tussen G’d en Israël.
Kie tisa is de 21e parsja van de Tora, de negende van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Kie tisa bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 10 open en 4 gesloten zijn, telt 139 pesoekiem, verzen, 2002 woorden, 7424 letters en is hiermee de 10 na langste parsja. Kie tisa bevat 4 ge- en 5 verboden.
VERDIEPING I: Ook voeten wassen?
Waar komt ons handen wassen vandaan? Waarom wassen wij niet ook onze voeten, zoals bij andere geloven? Werd voetenwassen bij ons vroeger ook gedaan? De traditie wil, dat wij veel gezonder leefden dan onze omgeving omdat wij regelmatig onze handen wasten, het water zeefden op ongedierte en in het mikve (rituele bad) gingen. Maar daardoor werden we weer beschuldigd van bronvergiftiging etc., dat weer een pogrom veroorzaakte wat weer levens kostte.
Waar komt ons handen wassen vandaan? “U zult een wasbekken van koper maken…Daaruit zullen Aharon en zijn zonen hun handen en voeten wassen” (30:18-19). Volgens vele Geleerden vormt deze zin de basis voor het verplichte handen wassen ’s ochtends. Maar waarom hebben de Wijzen dan niet ingesteld dat wij ook de voeten moeten wassen?
Sommigen verklaren, dat handenwassen alleen voldoende was voor het eten van offervlees en het wassen van de voeten daar niet vereist was. Alleen voor de echte dienst in de Tempel is ook het wassen van de voeten vereiste.
Dat is wellicht de reden, dat wij tegenwoordig voor het davvenen, het dagelijkse gebed geen voeten meer wassen. Het is immers geen echte Tempeldienst. Toch was Rabbi Mosje ben Maimon, Maimonides, van mening, dat men voor het ochtendgebed, dat in plaats van het ochtendoffer is gekomen, ook de voeten moet wassen. Het kan zijn dat bron hiervan in deze zin uit de Tora komt. Net zoals de kohaniem, priesters handen en voeten moesten wassen voor de Tempeldienst moeten wij dat ook nog doen voor de tefilla (het gebed) omdat tefilla tegenwoordig in plaats van de offers is gekomen.
Maar het kan net zo goed zijn dat men alleen de voeten hoeft te wassen voor tefilla in landen waar men blootsvoets loopt, zodat de voeten vies zijn. Dit zou oneerbiedig zijn tegenover HaSjeem, G’d. Het is dus niet ondenkbaar dat de islamitische gewoonte om de voeten voor het gebed te wassen ook hier zijn oorsprong vindt.
Wat is de idee achter het handenwassen voor het eten? We zeggen de zegenspreuk, beracha `al netilat jadajiem’ over het handenwassen maar letterlijk betekent dit `over het opheffen van de handen’.
Wij willen ons leven verheffen. De gewoonste zaken worden op een hoger plan getild. De meest normale lichamelijke functies, zoals eten, `arbeiten und lieben’ moeten in dienst van G’d gewijd worden. Dat is de essentie van onze life-style: het gewone, aardse, materiele verheffen.
Het Joodse handenwassen moet aan een aantal regels voldoen. Bij het overgieten van de handen gebruikt men
1. een beker,
2. water en
3. menselijke kracht.
Wat is de achtergrond hiervan? Menselijke kracht is nodig omdat wij routinematige sleur moeten omzetten in spirituele verheffing. Luiheid past niet bij ons levenspatroon. Al die fysieke verleidingen weerstaan en ons luxe gemak ontstijgen, is moeilijk. We moeten voor het geestelijke leven durven en willen gaan!
Waarom is een beker nodig? Water is oertoestand. Wij willen ons constant verbinden met het Oerbeginsel van de wereld. Maar water is vloeibaar en grillig. Willen wij iets bereiken op die ladder van stijgende spiritualiteit dan moeten we bereid zijn een religieuze structuur te aanvaarden, die ons begeleidt op weg naar steeds inniger verbondenheid met het Opperwezen.
Vloeibaarheid symboliseert spontaniteit. De beker met zijn vaste vorm weerspiegelt de vaste regels van het Jodendom. Beide zijn nodig, een eigen van binnen gevoelde opwelling maar ook die dirigerende hand, die opborrelend initiatief in goede banen leidt.
Wij gaan een nieuwe dag in dienst van G’d beginnen. Wij zijn een “koninkrijk van priesters en een heilige natie”. Het wassen van onze handen herinnert ons daaraan.
Onze G’ddelijke ziel verlaat ons ’s nachts. Een `onreine’ geest neemt bezit van ons. Wij wassen onze handen direct na het ontwaken om daarmee onze lichamelijke en spirituele reinheid te herstellen. Mens sana in corpore sano: een gezonde geest in een gezond lichaam, is ons motto.
VERDIEPING II: Harde klap tegen objectverering
Hasjeem was Mosjé dankbaar voor het verbrijzelen van de Stenen Tafelen: “Sjkojech – hartelijk dank Mosjé, dat jij de Tafelen kapot gegooid hebt” (B.T. Jevamot 62a).
Het lijkt erop, dat Mosjé ze uit woede op de grond gooide maar niets is minder waar. De Midrasj schetst een heftige discussie en een stevig handgemeen: Mosjé aan de ene kant en Aharon, zijn broer, en de 70 oudsten aan de andere kant. Mosjé claimde dat beeldaanbidders de Tora niet waard waren. Maar Aharon en de oudsten waren het daar totaal niet mee eens. Hun onenigheid ging zelfs zo ver, dat zij hem vast pakten om te voorkomen dat hij de Tafelen op de grond zou gooien.
Mosjé was echter sterker, zowel geestelijk als lichamelijk, en sloeg de Verbondstafelen kapot. Mosjé’s vastbeslotenheid is moeilijk te begrijpen. Natuurlijk hadden Aharon en de oudsten gelijk. De Tafelen waren het handschrift van G’d Zelf! Hoe reageren wij als een sefer Tora, waarvan er honderdduizenden zijn, dreigt te vallen? Aharon en de oudsten protesteerden: “Oké, de Joden waren fout met dat gouden kalf. Maar daarvoor hoef je de Tafelen nog niet kapot te slaan. Eenmaal fout betekent niet altijd verkeerd. Misschien hebben ze alweer spijt van deze afgoderij!”.
Aharon en de oudsten lijken gelijk te hebben. Door de Tora kunnen afvalligen juist gemotiveerd raken om tot inkeer te komen. Zeker tegenwoordig zijn we getuige van vele mensen, die uiteindelijk terugkeren naar het Jodendom hoewel ze er totaal niet mee opgevoed waren. Kon die kans de Joden in de woestijn ook niet geboden worden? Vergeet niet, dat de Joden nog maar twee maanden geleden in het zwaar afgodisch Egypte woonden! Hadden ze niet vijftig dagen na de uittocht uit Egypte de Tora ontvangen en waren zij niet in sneltreintempo bekeerd tot het ware geloof? Kon dat niet nog een keer gebeuren?
Mosjé dacht van niet. Toen de Joden over het gouden kalf zeiden ‘dit is uw G’d, o Israël’, knapte er iets bij Mosjé. Wanneer men afgoderij Jodendom noemt, is er geen weg terug meer. Mosjé nam een drastische stap. G’d accordeerde zijn destructieve daad. Soms is een dramatische daad nodig is om weer op het rechte pad terug te komen.
Maar er is nog iets. Mosje wilde met zijn destructieve daad enkele foutieve opvattingen inzake verering van objecten rechtzetten. Hij zei symbolisch: de Tora en het geloof zijn de essentie van het Joodse volk. Alle heiligdommen zijn hiervan afgeleid. Bovendien is ieder mens voor de Tora-wet gelijk. Daarom was Mosje zo kwaad na het gouden kalf: “Ik ben een mens, net als jullie. Onbegrijpelijk, dat jullie een kalf maakten om mij te vervangen. Ook de Tabernakel is op zich geen Heiligdom. Alle kedoesja (heiligheid) is afgeleid van G’ds nabijheid, die via de Tora tot ons komt. Namaak voor echt verslijten is een zwaar vergrijp!”.
Wij kunnen het G’ddelijke niet concretiseren tot een kalf. Alleen wanneer G’d dit Zelf aan ons opdraagt ontstaat ook kedoesja in fysieke voorwerpen. G’d Zelf rust temidden van Zijn volk. De mens is de primaire bron van kedoesja door zijn Hemelse nesjomme. Overtreedt men het Verbond, dan verdwijnt de heiligheid langzamerhand. Hetzelfde geldt voor de Stenen Tafelen. Deze overdragen aan afgodendienaren zou averechts werken: “Als ik ze nu de Stenen Tafelen geef”, dacht Mosje, “verwisselen ze deze voor het “gouden kalf”. Maar het blijft een verering van objecten. Dat is een veel gemaakte fout. Voor heilige objecten – een sjoel, een sefer Tora – kunnen velen nog wel enig respect opbrengen. Maar voor de medemens lukt dit maar zelden. Waarom zou men wel opstaan voor een Tora-rol maar niet voor een mens, die zich de Tora heeft eigen gemaakt. De geactualiseerde Tora-mens heeft een hoge nesjomme gerealiseerd– een deeltje G’ddelijkheid. De mens staat in het Jodendom centraal!
HAFTARA: Hafsakot, ooit van gehoord?
De haftara wordt bepaald door de laatste Toralezing. In Adar worden vier bijzondere Parasjot gelezen na de Tora voorlezing. Maar deze week is het een hafsaka, pauze, dwz. geen bijzondere Sjabbat, want er is geen bijzondere voorlezing.
Tussen de vier Parasjot worden soms hafsakot – pauzes, dat wil zeggen Sjabbatot in de maand Adar, waarop geen bijzondere parasja wordt voorgelezen – ingelast. De Risjoniem, middeleeuwse geleerden hebben verschillende ezelsbruggetjes geformuleerd aan de hand waarvan men de volgorde van deze hafsakot kan herinneren. Uiteraard zijn deze ezelsbruggetjes in het Hebreews geformuleerd maar ik zal hieronder enkele voorbeelden in Arabische getallen weergeven:
1. 7-15 d.w.z. als Rosj chodesj Adar op de 7e dag van de week (Sjabbat) valt, dan wordt op de 15e van de maand Adar een hafsaka ingelast. Sjekaliem wordt voorgelezen op Rosj chodesj Adar, Zachor wordt gelezen op de 8e Adar – voor Poeriem – op de 15e Adar wordt geen bijzondere parasja gelezen, Para wordt op de 22e gelezen en Hachodesj op de 29e Adar.
2. 6-2-16 d.w.z. valt Rosj chodesj Adar op vrijdag, de zesde dag van de week, dan zijn er gedurende de maand Adar 2 hafsakot, namelijk op de 2e en de 16e Adar, omdat in dit geval Rosj chodesj Nisan op Sjabbat valt, zodat parasjat Para, over de rode koe, gelezen wordt op de 23e Adar.
Uit voorgaande blijkt, dat er nooit een hafsaka valt tussen parasjat Para en Hacho-desj. De Talmoed Jeroesjalmi (J.T. Megilla 3:5) heeft hiervoor een ezelsbruggetje: men kan het vergelijken met de mitswa van het drinken van de vier bekers op Seideravond. Tussen de derde en de vierde beker is het nooit geoorloofd iets te drinken!
