Parsja Wajakheel Pekoedee 5772

WAJAKHEEL (bijeenroepen): Mosje draagt op de Sjabbat te houden. Ook vraagt hij opnieuw om bijdragen in natura voor de bouw van de Woning. Naast Betsalel uit de stam Jehoeda wordt Oholiav uit de stam Dan als meester-bouwer aangesteld, naast alle andere deskundigen. Er wordt zoveel materiaal gebracht, dat Mosje laat omroepen dat er nu genoeg is.
PEKOEDEE (inventaris-berekening): Mosje geeft een overzicht van alles wat er gedaan is met de gewijde gaven. Mosje zegent het volk. Daarna verneemt Mosje dat de Woning op de eerste van de maand Nisan moet worden opgezet. Mosje zorgt er voor dat alle onderdelen van de Woning op de juiste plaats terecht komen. Aharon en zijn vier zonen worden gekleed in de priesterkleding en worden gezalfd. Als alles klaar is daalt de Wolk op de Woning, ten teken dat G’ds glorie is neergedaald. Als de Wolk optrekt, reist het volk verder.

Vajakheel is de 22e parsja van de Tora, de tiende van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Vajakheel bestaat uit 13 parsjiot, afdelingen waarvan 7 open en 6 gesloten zijn, telt 122 pesoekiem, verzen, 1558 woorden, 6181 letters en is hiermee de 22 na langste parsja. Vajakheel bevat 1gebod.
Pekoedee is de 23e parsja van de Tora, de elfde van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Pekoedee bestaat uit 20 parsjiot, afdelingen waarvan 6 open en 14 gesloten zijn, telt 92 pesoekiem, verzen, 1182 woorden, 4432 letters en is hiermee de 41 na langste parsja. Pekoedee bevat geen geboden.

VERDIEPING I: Heiligdom of sociale werkplaats?
We lezen deze Sjabbat over het Misjkan, het Heiligdom in de woestijn. Onze sjoels heten een Mikdasj me’at – een kleine Tempel, omdat ze qua heiligheid en doel zoveel mogelijk moeten lijken op de Tabernakel of de Tempel te Jeruzalem.
Soms lijkt een sjoel te verworden tot een sociale ontmoetingsruimte, waar door de dienst heen wordt gekletst. Voldoet zo een sjoel nog wel aan zijn doel? In hilchot Sjabbat – de Sjabbat-voorschriften – bestaat een dien (bepaling), dat het ook voor ons verboden is om op Sjabbat een sjoel te laten bouwen, hoewel er met veel halachische kennis wel een mogelijkheid bestaat om niet-Joden aan te geven, dat zij op Sjabbat mogen doorbouwen aan de synagoge. Toch verbieden onze Chagamiem dat omdat zij bang waren, dat dit een chiloel Hasheem (ontwijding van G’ds naam) zou zijn in de ogen van onze omgeving. Christenen staan namelijk niet toe, dat er op hun zondag gebouwd wordt. Als wij dat wel zouden toestaan, zou dat een chiloel Hasheem vormen: alsof onze Sjabbat lichter zou zijn dan hun zondag.

Perspective of G’d
Hetzelfde zou gelden voor onze sjoels. Als de synagoge verwordt tot een café is dit gebrek aan devotie tegenover onze omgeving niet te verdedigen. “Ja maar thuis kan ik ook davvenen (bidden) en de sjoel is de enige mogelijkheid tot sociaal contact”. Dit is wel een zeer triest brevet van sociaal onvermogen, dat men de kedoesja (heiligheid) van de synagoge meent te moeten ontwijden om bittere eenzaamheid op te heffen. De sjoel heeft een hoger doel.
We moeten leren denken vanuit de G’ddelijke wereld. Het ‘perspective of men’ tegenover het ‘perspective of G’d’. Het riekt misschien naar oversimplificatie maar hoe zou u het vinden als u in uw heiligdom zou binnenkomen om 9 uur en er nog nauwelijks tien occupeerders aanwezig zijn? Zou u zich niet afvragen waar we mee bezig zijn? Hoe vaak gebeurt het niet dat de mensen niet op tijd naar Sjoel gaan. Als we uitgenodigd zouden zijn bij de koning of de koningin, zou men dan ook te laat komen? Het druppelt binnen en langzamerhand wordt er intens gedavvend. Maar dan komt men een vriend tegen en begint men te sjmoezen.

Stiltecentrum
Waarom kwamen we ook al weer naar Sjoel? Was de Sjoel niet dat stiltecentrum, die `vluchtstad’ uit die woeste wereld van menselijke interacties, het universum van de economie, de leer die ons vertelt dat wij alleen van intermenselijke contacten beter kunnen worden? Diezelfde leer stelt tevens dat er een Onzichtbare Hand is, die de economie leidt. Beide aspecten kent het Jodendom, intermenselijke relaties en de relatie tussen mens en G’d. Beide interacties hebben hun arena nodig. Soms staat het intermenselijke voorop, op een verjaardag, een receptie of de vele andere sociale gebeurtenissen die ons leven telt.

Maar bij andere gelegenheden staat het G’ddelijke voorop en moeten we ons daarop concentreren.
De setting in de Sjoel is opmerkelijk. Aan de ene kant zitten we naast elkaar, soms zelfs vrij dicht op elkaar. Maar aan de andere kant worden we door de Tallietot, gebedskleden over ons hoofd van elkaar gescheiden. In Sjoel mogen we niet praten. Waarom niet? Omdat dit de arena is voor de ontmoeting tussen mens en G’d. Hier moeten wij geestelijk groeien, spirituele inspiratie opdoen. Daarom heet het Heiligdom ook Ohel Mo’eed, de tent van samenkomst. Samenkomst tussen mens en G’d. De Sjoel is een plaats waar men G’d ontmoet. Is het niet heel erg oneerbiedig om juist daar, in het paleis van de Koning, net te doen alsof het een sociale werkplaats is of nog erger: een café waar men elkaar luidruchtig tegemoet treedt. Is voetbal, beurs of de laatste `losjen hore’ (roddel) belangrijker dan Hasheem?

Reductie van menszijn
Als we mensen willen ontmoeten, zijn er veel betere gelegenheden. Hier is een klein heiligdom. Hier staat het G’ddelijke centraal. Hier betonen wij eerbied aan het Opperwezen. De mens heeft een G’ddelijke ziel. Een religieus mens heeft er behoefte aan om af en toe intens met zijn Schepper te spreken. Gelukkig dat er zulke plaatsen bestaan. Het is een reductie van ons menszijn wanneer we al die hogere gevoelens verwarren met intermenselijke emoties. Het is een degradatie van onze G’ddelijke ziel wanneer we onze Nesjomme misbruiken om alleen maar de intermenselijke kant van het Jodendom te benadrukken.
Onze Nesjomme reikt hoger. Onze Nesjomme is in staat om de hoogste werelden te veroveren. Is het inderdaad de moeite waard om de laatste beursstanden, de nieuwste kleding of moppen te vertellen op deze plaats, waar G’d ons belooft heeft dat we Hem kunnen ontmoeten. Zijn we niet bezig onszelf belachelijk te maken in de ogen van de ons omringende wereld? Niet voor niets werd de Sjoel soms Jodenkerk genoemd. Misschien is dit een uiting van antisemitisme maar soms bevat dit toch een bron van waarheid. “Kabeel et he’emet mimi sje’omra” – neem van iedereen de waarheid aan, zei Nachmanides (13e eeuw) eens. De Sjoel moet een plaats van devotie zijn en blijven, een plaats waar men rustig met zichzelf en het Opperwezen kan praten.

VERDIEPING II
De Tora beschrijft de bouw van de Tabernakel. G’d verbond Zich met de wereld. Maar is dit geen inbreuk op G’ds eenheid? En waarom bestaan er zoveel verschillende gradaties van kedoesja, heiligheid? Waarom mocht een onreine de Tempel niet betreden? Rabbi Chaïm ben Jitschak van Wolozhyn (1749-1821), een leerling van Rabbi Eliahoe, de Gaon van Wilna, schrijft in zijn werk Nefesj haChaïm: “De verbinding tussen G’d en de geschapen werelden wordt door onze Geleerden vergeleken met de band tussen ziel en lichaam. Net zoals de ziel van de mens rein is in het lichaam, zo is G’d rein in Zijn wereld. Dat wil zeggen: terwijl de ziel alle organen van de mens penetreert, schone organen evengoed als de organen die met afval gevuld zijn, maakt dit voor de ziel geen verschil. Haar heiligheid en reinheid blijven wat ze zijn. Dit geldt ook voor G’d. Hij vult de hele wereld, de reine en heilige maar ook de onreine plaatsen. Dit heeft geen enkele invloed op de heiligheid, de reinheid, het wezen en de ongedeelde eenheid van G’d: “Want Ik, G’d, ben niets veranderd” (Maleachi 3:6).

Tot de meest ontzagwekkende daden van G’d behoort echter dat Hij Zijn oneindige en tijdloze glorie als het ware heeft ingeperkt, opdat er eindige en tijdgebonden werelden konden ontstaan met hun eigen werkelijkheden en diversiteiten, met hun natuurkrachten en weelde aan schepselen. Dit betekent tevens een enorme menselijke beperking: wij kunnen met onze zintuigen alleen onze werkelijkheid waarnemen. Maar het is op deze schijnbare werkelijkheid, dat het geheel van onze verplichtingen en gedragingen gebouwd is, die G’d ons heeft geboden als een orde om niet te overschrijden (Psalmen 148:6). Vanuit dit gezichtspunt vergelijken onze Chagamiem G’d met de ziel in het lichaam. Zoals de Zohar zegt: “G’d is de ziel van alle werelden”. Ook een mens kunnen we alleen via zijn lichaam waarnemen. Hoewel onze ziel ons hele lichaam doordringt, onttrekt ze zich aan het materiële oog en openbaart de ziel zich alleen aan ons geestesoog.
Zo doet ook het universum zich als werkelijkheid aan onze waarneming voor, hoewel het G’d is die alles doordringt, ook al zien wij Hem niet en verbergt Hij zich als het ware in het binnenste van alle werelden, van waaruit Hij alles doet leven en stand laat houden. De ziel penetreert alle aspecten van het lichaam maar houdt zich in het binnenste daarvan verborgen. Alle namen, aanduidingen en eigenschappen van G’d, die in de Tora beschreven staan, spreken vanuit de wijze waarop wij Hem waarnemen van ónze kant in termen van onze verplichtingen en gedragingen. Van G’ds kant is alles echter pure eenheid zoals het was voor de Schepping. Maar tot dit ontzagwekkende domein kunnen wij niet doordringen. Wij kunnen niet begrijpen hoe G’d alle plaatsen vult met volstrekte eenheid. In de menselijke beleving zijn sommige plaatsen en situaties echter rein en toegestaan en andere gebieden en domeinen bezoedeld en verboden. Dat vloeit voort uit de menselijke beperkingen. Daarom mag een onreinde de Tempel niet betreden.

Heiligheid heeft morele, juridische en rituele aspecten. Tussen ethiek en ritueel kunnen spanningen ontstaan. Wanneer we teveel nadruk leggen op de rituelen kan ons morele bewustzijn daaronder lijden. Wanneer wij alle rituelen negeren, bestaat er het gevaar van de vergeestelijking en “spiritualisme”. Door teveel nadruk op de rituelen ontstaat er een gebrek aan spiritualiteit. Maar door het uitvoeren van de rituelen drukken wij wel onze loyaliteit aan G’d uit en onderwerpen wij ons aan de expliciete opdracht uit de Tora. Dit is het menselijk perspectief, waar verschillen bestaan tussen niveaus’s van voorbereiding op G’ds nabijheid en kedoesja. Heiligheid betekent afzondering, losraken van het seculiere, het aardse en het profane. Dat is de functie van een Heiligdom. Daarom wordt daaraan zoveel aandacht besteed in de Tora.

VERDIEPING III
“Dit zijn de berekeningen…op bevel van Mosje”. Mosje was blij dat hij nu eindelijk rekening en verantwoording kon afleggen over de gebruikte grondstoffen. Hij wilde direct afrekenen om op geen enkele manier de verdenking op zich te laden dat hij iets had achtergehouden. Dit was niet verplicht maar wel een goede zaak. Mosje is een rolmodel geworden voor de halacha. In hoofdstuk 257 van het tweede deel van de Sjoelchan Aroech zijn enkele preventieve, fraudebestrijdende maatregelen opgenomen, die verdenking moesten voorkomen:’Tsedaka-ontvangers moeten altijd samen op pad gaan en hebben niet het recht elk afzonderlijk in te vorderen, opdat men hen er niet van zal verdenken het geld voor zichzelf te houden. Wel is toegestaan, dat de ene ontvanger bijvoorbeeld in een poort staat en de ander in een winkel, indien ze op die plaatsen voor elkaar zichtbaar zijn. Vindt een ontvanger geld op straat, dan mag hij dit niet in eigen zak steken (om verdenking te voorkomen) maar deponeert dit in de tsedaka-bus. Wanneer hij thuis komt, mag hij de gevonden gelden voor zichzelf houden, daar hij de eerlijke vinder is.

“Dit zijn de berekeningen voor de Woning – haMisjkan, de Woning van het Getuigenis – Misjkan haEdoet, die berekend werden op bevel van Mosje” (38:21). In deze openingspasoek komt het woordje Misjkan twee keer voor: hamisjkan, misjkan haedoet. Rasji zegt dat dit duidt op de twee Tempels. De Chatam Sofeer voegt hier aan toe dat de letter hee bij de tweede vermelding van Misjkan ontbreekt. Hee is in getallenwaarde vijf. Dit is een hint dat er vijf zaken in het tweede Beet haMikdasj niet meer aanwezig waren:de Aron haKodesj, het heilige vuur, de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid, de roeach hakodesj en de oeriem en toemiem.
De heiligheid van de voorwerpen van de Tabernakel in de woestijn bestond hieruit dat de aardse dienstvoorwerpen leken op de Hemelse vormen. Dit is de typische Joodse opvatting van het ‘parallellisme’. De uiteindelijke bedoeling van de opdrachten uit de Tora is dat we inklikken op de Hemelse realiteit. De aardse manier van leven moet aansluiten bij en parallel lopen met Hemelse structuren. Dit is de hele bedoeling van de Tora en Mitswot. Zo worden wij G’ds getuigenis op aarde. Daarom was de Tabernakel een Misjkan haEdoet – een Woning van Getuigenis.
De Ba’al haToeriem wijst erop, dat het Misjkan werd ondersteund door honderd zilveren adaniem (voetstukken). In het dagelijks leven worden wij ook door de honderd berachot die wij iedere dag moeten uitspreken, gesteund. Weer een parallel.

Reacties zijn gesloten.