VAJIKRA: Derde boek van de Tora. Vajikra heet ook Torat Kohaniem – Leer van de Priesters. Een groot deel is gewijd aan de taak van de kohaniem in het (draagbare) Heiligdom. Daar moesten brand-, vredes- eerstelingen-, zonde- en schuldoffers en meeloffers gebracht worden. Bij alle offers komt zout te pas. Wie een offer brengt, legt de handen op de kop van het dier. De offers worden soms geheel, soms gedeeltelijk verbrand. In het laatste geval is wat overblijft deels voor de koheen, en soms ook voor de aanbieder van het offer
Vajikra is de 24e parsja van de Tora, de eerste van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Vajikra bestaat uit 21 parsjiot, afdelingen waarvan 13 open en 8 gesloten zijn, telt 111 pesoekiem, verzen, 1673 woorden, 6222 letters en is hiermee de 27 na langste parsja. Vajikra bevat 11 ge- en 5 verboden.
VERDIEPING I: De Tempeloffers ontlokken aan de Hemel een bepaalde ‘tevredenheid’ – het offeren wordt beschreven als ‘re’ach niecho’ach – een aangename geur’ – en verbinden deze wereld met hogere sferen. Deze verbinding is in de ogen van G’d `aangenaam’ en gewenst. Door te offeren ontvangen wij zegen. Na de verwoesting van de Tempel namen onze gebeden de plaats in van de offers van weleer.
Doel van het offeren
Maimonides en Nachmanides strijden over de uitleg van de betekenis van het offeren van dieren.
Maimonides stelt, dat de Joden opdracht kregen om offers te brengen om hen los te weken van de Egyptische afgodendienst. Kennelijk konden zij niet zonder offerdienst. Na de uittocht uit Egypte moesten ze dit echter op G’d richten.
Nachmanides heeft veel bezwaren tegen deze visie. Hij stelt dat er reeds lang voor de introductie van afgodendienst geofferd werd aan G’d. Adam offerde al in Gan Eden, het Paradijs en ook Noach bracht dieroffers toen hij de Arke verliet.
Privé-altaren en Tempel
Rabbi Meïr Simcha van Dwinsk harmoniseert de opvattingen van Maimonides en Nachmanides. Hij maakt een verschil in tijd en tussen privé en publiek. Vroeger, vóór de bouw van de Tempel, was het toegestaan om op privé-altaren (bamot) te offeren, om de heidense afgodenpraktijken af te leren.
Maar de offerdienst in de Tempel was bedoeld om het Joodse volk te binden aan G’d. De re’ach niecho’ach – de ‘aangename geur’ die de offers voor de Hemel waren – was alleen van toepassing op de offers in de Tempel.
Drie niveau’s
Zondigen doen we op drie niveau’s:
- in gedachten,
- spraak en
- daad.
Daarom keren we alles ten goede
- door een daad: door onze handen te drukken op het offer leggen wij symbolisch de zonde af.
- met de vidoej – zondebelijdenis – spreken we verbaal onze spijt uit en
- door het brengen van de ingewanden en de nieren tonen wij berouw over onze gedachten (nieren worden gezien als de basis voor de gedachten).
Het bloed van het dier werd op het altaar gesprenkeld om te laten zien hoe het bloed van de zondaar eigenlijk op het altaar gebracht had moeten worden. Bloed van het dier komt ervoor in de plaats.
Als het offeren geen shockerend effect had, dan was het het ‘offer van een slechtaard’, een gruwel (Spreuken 21:27). “Gehoorzamen is beter dan offeren en luisteren is beter dan het vet van alle rammen” (I Samuel 15:22). Nederigheid, bescheidenheid en G’ds opdrachten volgen was de hoofdboodschap van de offers.
VERDIEPING II: Korban is toenadering
Korban wordt meestal – foutief – vertaald als offer. Het Hebreeuwse woord voor offer komt van een stam, die `naderbij komen’ betekent. Voor ons is een offer geen opoffering maar een gelegenheid om dichtbij G’d te komen. Een offer is meestal gericht op verzoening. Zonde is scheiding in geestelijke zin. Offer en verzoening zijn in eerste instantie eigenlijk alleen mogelijk in de buurt van de Even Sjetija, de funderingssteen, het beginpunt van de fysieke schepping, die op de Tempelberg ligt. Vanuit deze funderingssteen ontwikkelde zich het materiele universum. Op deze funderingssteen stond de Heilige Arke, als symbool van de Tora, om te benadrukken dat de fysieke schepping in stand wordt gehouden door het verbond van de Tora. De Tempeldienst was gericht op het versterken van de onderlinge band tussen alle hogere en lagere werelden.
Het allerheiligste vormde het epicentrum van interactie tussen Hemel en aarde. G’d als Schepper staat oneindig hoog verheven boven al het geschapene. Dit leidt tot de vraag hoe contact mogelijk is tussen het eindige en het Oneindige, geschapene en Schepper?
Contact tussen hoog en laag, hemels en aards
Via het mechanisme van de G’ddelijke Voorzienigheid dirigeert G’d alle hogere en lagere werelden. Zonder Zijn constante scheppende creativiteit zou alles onmiddellijk ophouden te bestaan. G’d is oneindig verheven boven zowel Hemel als aarde. G’d heeft gewild, dat de verbinding tussen eindig en Oneindig alleen in onze aardse, fysieke realiteit mogelijk zou zijn. Tempel en funderingssteen zijn de plaatsen waar G’d deze vereniging tussen eindig en Oneindig bepaald heeft als de uitverkoren plaats om Zijn Naam te doen wonen.
Dieroffers
Er bestaan veel verschillende vormen van offers: meeloffers, plengoffers van wijn of water, rookoffers en dieroffers. Dieroffers staan centraal in het geheel van de offers.
Waarom werd er een dier gebracht? De mens staat boven het dier en is in staat om zichzelf te perfectioneren. Hij kan zijn driften beheersen, kanaliseren en sublimeren. Wanneer men een zonde begaat, verwerpt men het door G’d geschonken intellect. Het onderscheid tussen mens en dier bestaat in de verstandelijke vermogens. Wanneer men zondigt, identificeert men zich met het dier. Daarom moet dat dierlijke worden geofferd en op een hoger plan getild worden.
Op een dieper niveau geschouwd kan men stellen dat een mens uit twee elementen bestaat: een dierlijk en een G’ddelijk element. Deze twee zijn constant in conflict. Het dierlijke trekt de mens doorlopend naar het materiële en het aardse terwijl de G’ddelijke ziel alleen maar het religieuze opzoekt. Als men een zonde had begaan, bracht men een dieroffer. Daardoor wordt het dier zelf verheven. Wanneer het dier wordt verheven, wordt ook het dierlijke in de mens, dat zich identificeert met het dier op het altaar, gesublimeerd.
Het dierlijke in de mens, de oorzaak van de zonde wordt hierdoor onder heerschappij van het G’ddelijke gebracht.
Hiermee is slechts het tipje van de sluier van de geheimen van het offersysteem van de Tora opgelicht. Het slachten van het dier zou bruut en barbaars zijn als dit niet in een bijna perfecte, zuivere, religieuze atmosfeer zou plaatsvinden. In tijden van morele en geestelijke degeneratie, is het offersysteem dus niet meer effectief. Daarom is het opgehouden te bestaan.
In 70 n.d.g.j. werd de Tempel vernietigd. Wij kennen tegenwoordig geen offers meer. Wij zondigen vandaag de dag zoveel, dat wij bijna dagelijks een offer zouden moeten brengen. Dat zeggen we ook met zoveel woorden tijdens de Ne’ila dienst op Jom Kippoer: “er komt geen eind aan de offers, ontelbaar zijn onze schuldoffers”. Dat is een andere reden, dat er geen schuldoffersysteem meer bestaat.
