Tsav (gebied)
Aharon krijgt nadere instructies voor de offers: wat, waar en hoe van de offers gegeten mag worden. Het vuur op het altaar moest altijd blijven branden. Bloed en bepaalde vetdelen mogen niet gegeten worden. Het offervlees en ook degene die ervan eet moet rein zijn. De gehele gemeente werd bijeengeroepen om Aharon, zijn zoons en de Tempelvoorwerpen in te wijden. Mosje kleedde Aharon en zijn zoons in de priesterkledij en zalfde het heiligdom en Aharon. Aharon en zijn zonen moesten zeven dagen en nachten bij de ingang van de Tent der Samenkomst blijven in verband met de ambtsaanvaarding.
Tsav is de 25e parsja van de Tora, de tweede van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Tsav bestaat uit 8 parsjiot, afdelingen waarvan 7 open en 1 gesloten zijn, telt 97 pesoekiem, verzen, 1353 woorden, 5906 letters en is hiermee de 38 na langste parsja. Vajikra bevat 9 ge- en 9 verboden.
VERDIEPING I: IS ONS GEBED WEL ALS DE OFFERS?
Aharon en zijn zonen krijgen aan het einde van de parsja een moeilijke opdracht: “Jullie moeten aan de ingang van de Tent van Samenkomst, dag en nacht, zeven dagen lang verblijven en de verordening van Hasjeem, G’d in acht nemen opdat jullie niet zullen sterven; want zo is mij bevolen” (Vajikra 8:35). Is dit wel mogelijk? Ook Aharon en zijn zoons waren maar mensen. Zij moesten eten, drinken en slapen en af en toe naar het toilet. Is het mogelijk dat Aharon en zijn kinderen zeven dagen lang, dag en nacht aan de ingang van de Tent der Samenkomst zouden verblijven? Nee. Maar het onmogelijke begin van de pasoek (zin) wordt teruggebracht tot menselijke proporties door het cryptische tweede gedeelte van de pasoek. `En de verordening van Hasjeem in acht nemen’ legt het eerste deel uit: ze verbleven daar om Hasjeems verordening in acht nemen. Alleen zolang er dienst was en zij op hun post moesten staan, waren zij gebonden aan de Ohel Mo’eed, de Tent van Samenkomst. Na afloop van de dienst was hun wachttaak echter over. Dan mochten zij naar huis. Nachmanides (13e eeuw) legt het inderdaad zo uit. De Tora eist niet het onmogelijke van ons maar wel het mogelijke. En daar gaat de Tora vrij ver in. De pasoek geeft aan, dat men tijdens de dienst aanwezig moet zijn. Een koheen mag de dienst niet links laten liggen en vertrekken. Daarvoor zou hij de doodstraf schuldig zijn. Dat is ook wat er staat bij een koheen gadol (hogepriester): `Hij mag het Heiligdom niet verlaten en de G’ddelijke woning zo ontwijden’ (21:12). Wanneer leidt vertrek van de koheen gadol tot ontwijding? Dat is het moment van de Tempeldienst. De opdracht is duidelijk: men heeft een gewijde opdracht, die men niet zomaar links kan laten liggen om te doen waar men zin in heeft. De Tora is voor eeuwig bedoeld. Haar opdrachten zijn voor iedereen bestemd. Ook deze opdracht voor de kohaniem is aan ons allen gericht. De Tora eist trouw. Wij hebben tegenwoordig geen offerdienst van de kohaniem en geen Tempel meer. Maar de sjoel wordt vergeleken met het Beet hamikdasj (B.T. Megilla 29b, Jechezkeel 11:16). Onze gebeden komen in plaats van de offers (B.T. Berachot 26b). Rabbi Ja’akov, de ba’al hatoeriem, schrijft (Orach Chaim 98): `Onze gebeden komen in plaats van de offers, zoals er geschreven staat:”laten we onze offers met onze lippen aanvullen” (Hosje’a 14:3).
Daarom moet ons gebed lijken op een offer. Net als de offers grote aandacht vereisten en iedere verkeerde intentie het offer ongeschikt maakte, zo ook moeten onze gebeden vrij zijn van foute gedachten. We moeten staand davvenen net zoals de kohaniem de offerdienst staand uitvoerden, zoals staat geschreven: “om te staan en dienst te doen” (Devariem 18:5). Kohaniem moesten hun voeten naast elkaar zetten bij de dienst. Zo ook moeten wij met gesloten voeten de Sjemonee Esree (het achttiengebed) davvenen. We moeten een vaste gebedsplaats hebben in de synagoge, net zoals de offers ieder een vaste plaats kenden voor het slachten en het aanbrengen van het bloed. Bovendien moeten wij mooie kleren aanhebben bij het davvenen, zoals de kohaniem hun prachtige priestergewaden droegen tijdens de dienst. Pas wanneer onze gebeden lijken op de offers van weleer zullen zij als een re’ach nicho’ach, een aangename geur worden aanvaard in de Hemel, dezelfde plaats waarnaar het offer opsteeg.
En daarom is het ook zo triest om te zien dat velen direct na afloop van de dienst weghollen en bij Alenoe al de talliet aan het opvouwen zijn. Wanneer men te snel uit sjoel, de kleine Tempel, wegrent, overtreedt men het verbod “hij mag het Heiligdom niet verlaten en de G’ddelijke woning zo ontwijden”. Nog erger is natuurlijk het tomeloze gepraat tijdens de dienst wanneer men in aanwezigheid van G’d staat op een van de heiligste plaatsen die wij hier in het galoet (ballingschap) kennen. Jammer, dat wij die paar momenten per week van één zijn met Hasjeem, zo kunnen versjteren.
VERDIEPING II: MEELOFFERS
Het meeloffer was het goedkoopste van alle offers. Alle offers konden a. of door een individu b. of door een aantal individuen c. of door het hele volk samen gebracht worden. Het meeloffer is hierop een uitzondering omdat het alleen maar door een individu of door het hele volk gebracht kan worden. Wanneer de Tora spreekt over de personen die een meeloffer kunnen brengen, wordt het woord ‘nefesj’ (een ziel) gebruikt, een woord dat of een enkel individu betekent of het hele volk als in de vers (Bereesjiet 46:26). “Alle zielen van het huis van Ja’akov die naar Egypte afdaalden.” Wanneer het gaat over het huis van Ja’akov spreekt de Tora over één nefesj, in het enkelvoud, hoewel we het in het meervoud vertalen omdat Ja’akovs familie een eenheid vormde. G’d kijkt uit naar het meeloffer, omdat het alleen gebracht kan worden door een volk dat als één man gericht is op de G’dsdienst. Het gaat G’d uiteraard niet om het meeloffer maar om het geestelijk klimaat waarbinnen het gebracht werd. Eenheid tussen de mensen vervult ook G’d met vreugde, als het ware. Er was een speciaal, dagelijks offer van de Koheen Gadol, de Hogepriester. Iedere dag aten de kohaniem van de meeloffers van het volk. Met zijn eigen offer toont de Koheen Gadol, dat zijn stam er niet op uit was om hun eigen buik te vullen want zij gaven ook een offer van zichzelf. Hun hele Tempeldienst, inclusief het eten van de offers, geschiedde lesjeem Sjamajiem (pro Deo). Bovendien drukt de Koheen Gadol met dit offer zijn dank namens al zijn stamgenoten uit, dat G’d hen de Tempeldienst had gegeven en hen liet onderhouden door het volk. Compensatie De kohaniem moesten van alle meeloffers een handvol nemen en op het altaar leggen. De rest mochten ze zelf eten. Wanneer ze te weinig op het altaar hadden geplaatst, was dat een vorm van diefstal. Daarom bracht hun stamvorst een extra meeloffer om dit te vergoeden. Bovendien vervulde de Koheen Gadol hiermee een spiritueel rolmodel. Wanneer het volk zou zien, dat zelfs de Hogepriester elke dag verzoening doet voor zijn zonden, zullen zij deze conclusie naar zichzelf doortrekken. En omdat het slechts een eenvoudig meeloffer was, bracht dit de koheen bescheidenheid en nederigheid bij. Nivelleringseffect Dit eenvoudige offer had ook een nivelleringseffect. De armen was het geoorloofd om een eenvoudig meeloffer te brengen als ze zich geen dieroffer konden veroorloven. Als ook de Koheen Gadol slechts een meeloffer zou brengen, zouden ze zich verder niet hoeven te schamen. Historische aspect En dan is er nog het historische aspect. Aharon had – volstrekt tegen zijn zin – meegedaan aan het maken van het gouden kalf. Iedere dag voelden hij en zijn afstammelingen zich hier nog schuldig over en zochten hiervoor verzoening. Daarom wordt dit offer ook volledig verbrand. Zouden de kohaniem dit ook weer zelf opeten, dan zou het zijn alsof ze helemaal niets geofferd hadden.
HAFTARA: Maleachi hoofdstuk 3
De bekende openingspasoekpasoek (vers) luidt: “Dan zal het meeloffer van Jehoeda en Jeruzalem aangenaam zijn voor G’d als in de vroeger dagen en in eerdere jaren” (Maleachi 3:4). De profeet kijkt uit naar de komst van de Masjieach en de herbouw van de Tempel. Namens G’d deelt hij ons mee dat Hij met speciaal verlangen uitkijkt naar het meeloffer.
De Hogepriester moest dagelijks een meeloffer brengen, dat hij uit eigen middelen moest financieren. De ene helft werd ’s ochtends gebracht en de andere helft ‘s middags. Dit tweeledig offer moest geheel verbrand worden. Het gaat hierbij om betrokkenheid, aldus Rabbi Aharon Halevi: “De Hogepriester wordt meer opgewekt wanneer hij zijn privé-offer brengt dan wanneer hij een gemeenschappelijk offer brengt”. De hogepriester zou dit namens allen brengen, als vertegenwoordiger van het hele volk. Maar dit offer bevat ook een morele les: ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’. Heel het joodse volk moest de verzoening hebben van de dienst van de Hogepriester. Daarom past het hem eerst verzoening voor zichzelf te verzoeken door middel van een privé-offer.
Een verhaal uit de Talmoed (B.T. Bawa Batra 58) illustreert deze gedachte. Rabbi Jannai was een dajan (rechter). Twee mannen verschenen voor zijn Beet Dien (rechtbank). De één had een tuin met grote bomen. De takken groeiden over de muur heen en voorzagen de straat van heerlijke schaduw. Maar de tegenpartij was een kameeldrijver, die vaak met zijn zwaarbeladen kameel in de takken van de boom bleef hangen. De kameeldrijver eiste, dat alle takken boven de straat gekapt zouden worden.
Rabbi Jannai had zelf ook hoge bomen in zijn tuin die over straat uitstaken. Zijn buren genoten van de schaduw. Zijn takken hinderden niemand. Rabbi Jannai hoorde de claims van beide partijen aan en zei hen de volgende dag terug te komen. Overnacht liet hij zijn eigen uitstekende takken kappen. Maar de buren protesteerden: “Wij hebben zo genoten van hun schaduw, stop met dat afhakken!”. “Morgen zal ik jullie alles uitleggen, na het vonnis”, stelde Rabbi Jannai hen gerust. De volgende dag werd de rechtszaak voortgezet. Ook de buren wilden de afloop van het geschil weten. Rabbi Jannai paskende (besliste): “De halacha is, dat u uw takken moet afhakken omdat ze hinder veroorzaken”. De eigenaar van de boomgaard sneerde: “Maar van uw eigen bomen steken de takken ook op straat uit! Hoe kunt u met twee maten meten?” Rabbi Jannai glimlachte terug: “Neem een kijkje bij mijn boomgaard. Ook ik heb begrepen dat ik eerst mijn eigen zaken op orde moet hebben, voordat ik anderen daarop kan aanspreken”.
