Parsja laatste dagen Pesach 5772

Omdat het deze vrijdag en Sjabbat de laatste dagen Pesach zijn, zullen er deze week andere verklaringen gegeven worden i.p.v. de gebruikelijke Parsja verklaringen.

KERIAT JAM SOEF, splitsing van de Schelfzee
– HET EINDE VAN DE SLAVERNIJ –

De splijting van de Jam Soef op de zevende dag Pesach vormde het begin van de volledige bevrijding. Niet voor niets zongen de Joden de sjierat hajam – het lied van de zee. De keriat Jam Soef wordt in de midrasjiem en verklaarders uitgebreid behandeld. Maar het gaat mij om verschillende andere aspecten voorafgaand aan de verlossing en de splijting van de Jam Soef, de Schelfzee en aspecten van de nasleep na de uittocht. Maar eerst even terug naar het begin.
Wilden wij die vrijheid wel?
Op de zevende dag Pesach vinden belangrijke gebeurtenissen plaats in onze nationale geschiedenis. We trekken door de Schelfzee, kort daarna ontvangen we Manna en overwinnen we Amalek. En toch wordt de splijting van de Jam Soef ingeleid met het woord “Wajehie” (en het was), een uitdrukking die in de Talmoed (B.T. Megilla 10) altijd een trieste episode inluidt.

Weinig enthousiasme
We gaan terug naar Sjemot 6:9, waar Mosje de Joden aankondigt, dat ze binnenkort bevrijd zullen worden. Het volk antwoordde weinig enthousiast. Rasjie legt uit dat Israël zó uitgeput was van het harde werk, dat ze niet in staat waren om naar Mosje’s boodschap van vrijheid te luisteren. Het zou ook kunnen zijn dat ze niet konden geloven, dat ze in de toekomst vrij zouden worden. Maar een bekende Chassidische verklaring vertaalt de woorden “en de kinderen Israëls luisterden niet naar Mosje vanwege kortheid van geest en het zware werk” als volgt: omdat ze spiritueel nog niet volwassen waren en omdat ze de zware eisen van het Jodendom, de vele veranderingen die zij in hun leven zouden moeten aanbrengen om volledig naar de Tora te leven, niet aandurfden. Daarom luisterden ze aanvankelijk niet naar Mosje.
Ongewenste vrijheid
De Targoem (de vertaling van Jonatan ben Oezziel – een van de oudste Tora verklaarders) verklaart de pasoek (zin) naar deze laatste uitleg. De Joden waren niet bereid naar Mosje te luisteren omdat er veel meer van hen geëist werd dan alleen maar vrijheid van slavernij en fysieke bevrijding.
Na de uittocht uit Egypte zouden de Joden een verbond aangaan met G’d. Hij zou hen als Zijn volk aanvaarden en zij namen op zich om alleen maar Hem en niets anders te dienen. Israël wilde dat laatste niet echt, zegt de Targoem Jonatan, omdat ze de goden, die ze in Egypte hadden gediend, toch niet los wilden laten.

Zo bezien is Sjemot 6:12 wellicht anders te vertalen: en Mosje sprak tegen G’d als volgt: “zie, Israël luistert niet naar mij (omdat als vrijheid ook betekent dat zij hun Egyptische goden moeten laten varen, ze liever in slavernij waren gebleven) en hoe zal het zijn als Farao dan wél naar mij luistert en het met mij eens is (dat het Joodse volk vrij moet), zal ik dan niet sprakeloos zijn van schaamte?”.
Mosje vreesde in verlegenheid te raken voor Farao als de Joden niet, maar de Egyptische koning wel G’ds opdrachten zou opvolgen. Met deze verklaring van de Targoem Jonatan in ons achterhoofd kunnen wij een ander aspect van de tien plagen beter begrijpen. Één van de doelen van de plagen was duidelijk te maken, dat G’d een onderscheid maakte tussen Israël en Egypte. De bedoeling van de plagen was om de Joden eraan te herinneren, dat beide volkeren verschillende levensdoelen en taken hebben.
Gedwongen vertrokken
De Tora maakt duidelijk, dat onze Exodus uit Egypte eigenlijk een gevolg was van Egyptische druk: “En Egypte drong aan bij het Joodse volk om het snel uit het land te laten gaan” (Sjemot 12:33). Israël verliet Egypte niet graag. We zien dit thema regelmatig herhaald in de veertigjarige omzwerving in de woestijn. Elke gelegenheid greep men aan om terug te willen naar Egypte; bij ieder obstakel begon het volk te morren. Wellicht is het daarom begrijpelijk, dat de keriat Jam Soef wordt ingeleid met “Wajehie”, omdat hier toch gewag gemaakt wordt van een trieste houding bij het Joodse volk. Vreselijk is het om te moeten lezen, dat, als Farao ons niet Egypte had uitgestuurd, wij de diaspora niet op eigen kracht hadden willen verlaten.

Toen de dageraad begon te gloren en de bevrijding aanbrak, werden de Egyptenaren opeens weer vriendelijk voor de Joden: “En G’d bewerkte, dat de Egyptenaren het Joodse volk gunstig gezind waren”. Zelfs Farao vroeg aan Mosje en Aharon: “Wilt u mij ook zegenen?” (12:32). Deze emotionele omslag bracht de Joden aan het twijfelen. We hebben een te gering gevoel van eigenwaarde.

Minderwaardigheidscomplex
Ons nationale minderwaardigheidscomplex had de uittocht bijna verhinderd. We vergaten maar al te snel de misdaden tegen de Joodse mensheid. Zodra de omgeving ons vriendelijk toelacht, geloven we dat ze weer onze beste vrienden zijn. Op verschillende wijzen wordt deze psychische zwakte aangegeven bij de Exodus: “En het gebeurde toen Farao ons uit Egypte uitgeleide deed”. De werkwoordsvorm geeft aan dat Farao ons begeleidde op onze uittocht. Hij leek weer ons vriendje.

“En het geschiedde: toen Farao het volk liet wegtrekken, voerde G’d hen niet de weg door het land van de Filistijnen, omdat het nabij was; want G’d zei opdat het volk geen berouw zou voelen, wanneer zij de oorlog zien en terugkeren naar Egypte” (13:17). Rasjie legt hierbij uit dat het eenvoudig zou zijn om via dezelfde route naar Egypte terug te keren. Rasjie had bij deze pasoek het volgende probleem: nabijheid is over het algemeen een pluspunt. Maar hier is het juist een reden om die route niet te volgen. Door het land van de Filistijnen – langs de Middellandse Zee naar Israël – trekken, leidde sneller tot het doel. Maar Rasjie waarschuwt ons, dat we niet moeten vergeten dat het ook dichtbij het punt van vertrek was. Daarom verklaart hij dat “het makkelijk zou zijn om terug te keren naar Egypte”.

De Joden waren nog zwak van geest. Ieder obstakel, dat ze zouden tegenkomen, zou hen kunnen doen besluiten om terug te keren. Daarom liet G’d het volk via een omweg uit Egypte trekken. Op dat moment was men nog te labiel om de volksmissie onder harde omstandigheden door te zetten. Het zaadje moest nog ontkiemen.

Eigenwaarde
De Joden moesten hun zelfvertrouwen en eigenwaarde nog leren opbouwen. Dezelfde achtergrond vinden we in een van de eerste verzen bij de feitelijke exodus: “En Mosje nam het gebeente van Joseef mee” (13:19). De volkeren hadden de Tora verworpen omdat ze meenden dat deze onuitvoerbaar was. Hoe kan de mens zijn passies bedwingen? Deze gedachte beïnvloedde ook de Joden. Maar Joseef was het bewijs van het tegendeel.
In de woestijn droeg het volk twee Arken met zich mee. De ene Arke bevatte de Stenen Tafelen en de andere de beenderen van Joseef: “Die ene heeft vervuld wat in de andere voorgeschreven staat”. Joseef was in staat de verleidingen van de vrouw van Potifar te weerstaan. Hij was het bewijs dat de mens zijn passies kan ontstijgen.

Bovendien hadden de voormalige slaven een minderwaardigheidscomplex. De kist van Joseef, die uit het koninklijke mausoleum van Egypte gehaald was door Mosjé, gaf hen hun trots terug omdat dit toonde dat de Joden van adellijke afstamming waren. Awraham, Jitschak en Ja’akov – die aanzien als koningen hadden genoten in Kena’an – waren immers hun voorouders! Maar de belangrijkste reden om de `beenderen van Joseef’ te vermelden was om te voorkomen, dat de Joden in Egypte zouden willen blijven omdat de Egyptenaren – na de tiende plaag – hen eindelijk als gewone medeburgers gingen behandelen.

Inderdaad; kort na de uittocht – bij de eerste hindernis – riep het volk direct: “Hebben wij u dit niet al in Egypte gezegd? Laat ons met rust, laten we de Egyptenaren dienen. Dat is beter dan hier te sterven”. Mosjé toonde hen toen de kist van Joseef en zei: “Kijk hoe de Egyptenaren Joseef hebben behandeld. Hij heeft ze gered van een zware hongersnood. Toch hebben de Egyptenaren zijn broers, kinderen en kleinkinderen tot slaven gemaakt. Moeten wij zulke ondankbare mensen vertrouwen?”. Zo vlak na de bevrijding was nog niet iedereen gewend aan de nieuwe rol. Daarom was enig tegenwicht nodig om het volk op het juiste pad te houden.

Maar de `gunst in de ogen van de Egyptenaren’ sloeg snel om in haat toen Egypte zich realiseerde, dat de Joden voorgoed vertrokken waren: “En hij spande zijn wagen in en zijn volk nam hij met zich mee” (14:6). Farao spande zijn wagen zelf in. Deze informatie lijkt dusdanig overbodig, dat Rasjie het nodig vindt om dit te verklaren. Hoewel zijn dienaren normaal het paard inspanden, deed Farao dit uit haat voor Am Jisra’eel nu zelf. De Tora geeft zelden alle details. De omstandigheden die wel vermeld worden, zijn des te belangrijker.

Gevoel en intellect
“Farao werd verteld, dat het volk gevlucht was en zijn hart en het hart van zijn dienaren veran¬derden: wat hebben we gedaan? Om Israël weg te sturen om ons niet meer te dienen?” (Sjemot 14:5). Verbazingwekkend! Farao had de Joden niet zelf weggestuurd maar was hier toe gedwongen door de tiende plaag. Farao had geen keus.
Rabbi Ja’akov Kaminetski (1891-1986) ziet hier een uiting van de strijd tussen gevoel en verstand. Wanneer onze emoties maar sterk genoeg zijn, kunnen zij de realiteit enorm verdraaien. Het vertrek van het Joodse volk was een harde klap voor de Egyptische economie. Egypte’s wens om het Joodse volk weer tot slavernij te brengen was zo groot, dat zij zelfs bereid waren hun leven te wagen en hen midden door een woeste zee achtervolgden. Natuurlijk had Fara¬o een goede reden om de splitsing van de Rietzee voor zichzelf te verklaren; hij meende dat het water van de Rietzee recht overeind stond vanwege een sterke oostenwind (14:21). Hij zag de hand van G’d niet, verblind als hij was door zijn haat, emoties en belangen.
Sta hier toch even bij stil! Het hele Egyptische leger werd `in de pan gehakt’ door een foute beslis¬sing van enkelen, die het contact met de realiteit hadden verloren. Hoe vaak gebeurt dat niet in ons persoonlijk leven?

Amalek
Vlak na de keriat Jam soef komt de aanval van Amalek ter sprake: ”En Mosje noemde de naam van de plaats Massa oeMeriwa vanwege de ruzie van de Bnee Jisraeel en naar aanleiding daarvan, dat zij G’d beproefd hadden door te zeggen:`Is G’d in ons midden of niet?’. Toen kwam Amalek en voerde oorlog\ met Israël in Refidiem” (17:7-8). Rasjie gaat hier in op de `semichoet parsjiot’ – de opeenvolging van de verschillende episodes. De Joden klaagden over gebrek aan water.
De aanval van Amalek was G’ds educatieve reactie op hun ondankbaarheid. Ik laat Rasjie zelf aan het woord: `De episode met Amalek komt na hun ondankbare reactie om duidelijk te maken, dat Ik steeds in uw midden ben en dat Ik voor al jullie behoeften zorg. Jullie vragen je dan nog steeds af of `G’d in ons midden is of niet’? Zowaar jullie leven: de hond (Amalek) zal komen om jullie te bijten. Dan zullen jullie Mij aanroepen om hulp en zullen jullie weten waar Ik ben.

Men kan het vergelijken met een vader, die op weg zijn zoon op zijn schouder draagt. De zoon wil dan eens dit en dan weer dat. De vader vervult steeds de wensen van zijn zoon en geeft hem alles wat

hij aanwijst. Op een goed moment komen ze iemand tegen. Zittend op vaders schouders roept de zoon naar de tegenligger: `Heeft u mijn vader ergens gezien?’. Zijn vader werd kwaad en riep verontwaardigd: `Weet jij niet waar ik ben?’. Pa zette zoonlief op de grond, de hond kwam langs en beet hem”.

Het watertekort en de oorlog met Amalek vonden beide plaats in het dorpje Refidiem. Wat Rasjie moeilijk te begrijpen vindt is waarom de nieuwe naam van Refidiem (nu: Massa oeMeriwa) pas helemaal aan het einde van het verhaal over het watertekort vermeld wordt. Het was logischer geweest om de nieuwe naam Massa oeMeriwa direct na de klacht en ruzie over het water te vermelden (in 17:2) en niet pas aan het einde, nadat Mosje water uit de rots geslagen had en iedereen weer happy was. Eind goed, al goed! Waarom moest die trieste naam (Massa oeMeriwa betekent ruzie en strijd) nog eens vermeld worden vlak voor de gevechten met Amalek? Kennelijk wil de Tora ons een boodschap meegeven.

Educatieve tik
Het volk werd in de woestijn van alles voorzien. Manna viel `s ochtends uit de Hemel, `s avonds waren er kwartels. Water kwam uit een rots. Toch vroegen de Joden zich af of G’d wel in hun midden was. Wat een chotspe! Dit was niet zomaar een intellectuele vraag of een nieuwsgierige analyse. G’d werd hier uitgetest. Men vroeg zich af of het wel de moeite waard was om te geloven in G’d. Had G’d wel genoeg voor hen gedaan om hun aanhankelijkheid te verdienen? `Is G’d in ons midden of niet’ geeft uiting aan een afweging van pro’s en contra’s. Levert het geloof wat op of niet?
Het volk moest een lesje leren. Een educatieve terechtwijzing was op zijn plaats, vond het Opperwezen. Vandaar, dat de Tora stelt, dat `Amalek kwam en oorlog voerde met Israel’. Wanneer de Tora gewag maakt van een volk, dat op oorlogspad is, staat er steevast `dat en dat volk trok uit ten strijde’. Nooit staat er, dat het oorlogszuchtige volk kwam. Het lijkt er op, dat Amalek uitgenodigd was om te komen. Door wie? Door G’d Zelf. Waarom? Om Israël te leren, dat zij erg ondankbaar reageerden. Zij moesten beseffen, dat HaSjeem hen doorlopend had begeleid en gevoed. Dankbaarheid vormt de basis van ons geloof.

Wellicht waren de Joden bevangen door twijfel. De hand van G’d was niet altijd even duidelijk herkenbaar voor iedereen. Ook aan wonderen raakt men gewend. Kabbalisten wijzen ons er op, dat Amalek in getallenwaarde 240 is. Ook het Hebreeuwse woord safeek, twijfel telt 240.

Amalek is het volk van de ultieme chotspe en twijfel. Direct na de wonderlijke bevrijding uit Egypte schroomde dit volk niet om Am Jisraeel aan te vallen. Als men twijfelt aan de almacht van G’d vreest men Hem ook niet. Amalek belichaamde de twijfelgevoelens. Dit is de grootste beproeving: confrontatie met eigen twijfels.

 

Reacties zijn gesloten.