Parsja Tazria & Metsora 5772

Parsja Tazria (Wajikra/Leviticus 12:1-13:59) en Metsora  (Wajikra/Leviticus 14:1 – 15:33)

TAZRIA (conceptie en geboorte).
Na de bevalling van een zoon of een dochter wordt de kraamvrouw onrein; ze moet een offer brengen. De briet-mila (besnijdenis) moet op de achtste dag geschieden. Uitvoerig wordt melaatsheid (een verkleuring of aandoening) beschreven, die bovendien kleding en gebouwen kan aantasten. Wie als onrein wordt beschouwd door de koheen moet de kleren scheuren, het haar niet knippen en buiten de legerplaats wonen. Als aan kleding bij latere schouwing weer tsara’at wordt vastgesteld, dan moet dat materiaal verbrand worden. Mocht de aangedane plek met wassen verdwijnen, dan is het voorwerp rein.

Tazria is de 27e parsja van de Tora, de vierde van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Tazria bestaat uit 9 parsjiot, afdelingen waarvan 5 open en 4 gesloten zijn, telt 67 pesoekiem, verzen, 1010 woorden, 3667 letters en is hiermee de 48 na langste parsja. Tazria bevat 5 ge- en 2 verboden.

Metsora (melaatse), Wajikra 14:1 – 15:33. Wie genezen wordt verklaard van tsara’at moet een offer brengen, al het lichaamshaar afscheren, baden, de kleding wassen en nog zeven dagen wachten alvorens terug te keren naar de legerplaats. Uitvoerig wordt beschreven hoe het offeren moet geschieden. Indien een huis aangetast (b)lijkt door tsara’at dan moet het huis leeggeruimd worden en ook hier moet de koheen een oordeel over geven. Als de aandoening aan het huis zich uitgebreid heeft, dan moet het huis afgebroken worden en al het puin moet naar een onreine plaats gebracht worden. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid, dan is het rein. Ook thans moet een offer gebracht worden.

Vloeiingen veroorzaken onreinheid. Als de vloeiing ophoudt moet men in het mikwe gaan, kleren wassen en een offer brengen. Na samenleving moeten man en vrouw baden en ze zijn onrein tot de avond. Een vrouw die buiten de normale periode vloeit is ook onrein, tot het einde van de vloeiing, waarna ze zeven reine dagen telt en een offer brengt.

Metsora is de 28e parsja van de Tora, de vijfde van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Metsora bestaat uit 6 parsjiot, afdelingen waarvan 3 open en 3 gesloten zijn, telt 90 pesoekiem, verzen, 1274 woorden, 4697 letters en is hiermee de 39 na langste parsja. Metsora bevat 11 geboden.

VERDIEPING I: Briet Mila, besnijdenis. ‘En op de achtste dag zal hij besneden worden’ (12:3).

De Hollandse besnijdenis kent een aantal bijzondere minhagiem (gebruiken), die verzameld zijn door Rabbijn Jehoeda Brilleman.

De avond voor de Briet Mila, verzamelen de familieleden en kennissen zich (minstens tien volwassen mannen) voor een leeroefening. Deze nacht wordt de nacht van de waad of nacht van de waak of nacht van de waks genoemd. In deze nacht stak men een Jom Kippoer licht aan, dat bleef branden tot na de Briet Mila. In deze nacht leerde men uit het werk Briet Jitschak (het verbond van Isaak). Na deze bijeenkomst zegt de kraamvrouw kerijat sjema van het nachtgebed.

Men doet de Briet Mila zo vroeg mogelijk overdag, als het mogelijk is voor chatsot (het midden van de dag). De Briet Mila moet plaatsvinden in de synagoge van de vader van het kind. Als hij geen vaste plaats heeft, moet het in de synagoge zijn van de Sandeek (vasthouder van het kind) en als ook de Sandeek geen vaste plaats heeft, moet de Briet Mila in de synagoge van de Moheel (besnijder) plaats vinden. Op Rosj Hasjana en Jom Kippoer wordt er ook besneden in de synagoge. In een synagoge mag niet de zoon van een ongetrouwde moeder worden besneden of een kind uit ouders die alleen een burgerlijk huwelijk hebben gesloten.

De Moheel draagt een talliet voor de Briet Mila, dat van achteren is vastgebonden. Gevatterin (degene, die het kind binnenbrengt) is a-priori de grootmoeder. De grootvader heeft het eerste recht om Sandeek te zijn. Bij de Briet Mila laat men een kaars branden, die daarna gedoofd wordt en bewaard wordt om weer aan te steken op de dag van het huwelijk. Men zegt geen sjehechijanoe bij een Briet Mila, ook niet bij een eerstgeboren zoon. De Sandeek houdt het kind vast tijdens de berachot.

VERDIEPING II: Achtergronden van de briet mila.

De kracht van de beriet-mila ligt in zijn helende en verheffende betekenis. De Joodse besnijdenis toont onze innige verbondenheid met HaSjeem (G’d). Jisjmaeel was 13 jaar oud toen hij werd besneden. Jitschak werd besneden op de achtste dag. Dit leidde tot een discussie tussen de twee zonen van Awraham. Jisjmaeel claimde dat hij meer opofferingsgezindheid had voor het geloof dan Jitschak, omdat hij zich

vrijwillig had laten besnijden op zijn dertiende. Jitschak ging hierop in en stelde dat hij inderdaad op de achtste dag na zijn geboorte niet kon protesteren maar wanneer G’d zijn hele lichaam zou eisen, hij dit verzoek zonder meer zou willen inwilligen. Volgens de Midrasj vormde deze discussie de inleiding van de Akeda, de offerande van Jitschak.

VERDIEPING III: Ongeboren leven heeft recht op bescherming Parsja Tazria begint met ontluikend leven en de gevolgen daarvan. Het leven staat centraal in het Jodendom. Behalve bij levensgevaar staat het Jodendom over het algemeen afwijzend tegenover abortus provocatus.

Op dit moment worden er veel campagnes gehouden voor het ongeboren kind. In West-Europa wordt ongeveer 12% van de zwangerschappen afgebroken door middel van abortus provocatus. De gruwelen van abortus worden doodgezwegen. Het Jodendom is pro-life. Abortussen worden vaak onveilig uitgevoerd. Iedere 5 minuten sterft ergens ter wereld een vrouw aan een illegale abortus. Maar ook 70 ongeboren baby’s komen iedere 5 minuten niet ter wereld. Voorstanders van abortus stellen dat hier geen ongeboren kinderen worden gedood maar alleen klontjes weefsels worden verwijderd. Maar na 3 weken klopt er al een hartje, na 8 weken zuigen ze al op hun duim en na 12 weken zijn eigenlijk al volgroeid. Alle genetische persoonlijkheidseigenschappen liggen al vast bij de conceptie.

Tegenwoordig speelt er weer een andere vraag. Mag men embryo’s gebruiken om volwassen mensenlevens te redden? Het is de vraag of het ene leven gered mag worden ten koste van het andere leven. Pikoe’ach nefesj – levensreddend optreden – staat bovenaan de Joodse prioriteitenlijst. Toch mag niet elk verbod worden overtreden om het leven te redden. Enige tijd geleden was een vrouw bereid abortus te ondergaan om hersenweefsel voor haar vader te krijgen, die aan Parkinson leed. Vernietiging van een foetus om het leven van de moeder te redden heeft veel aandacht gekregen in de Rabbijnse literatuur.

De Talmoed stelt dat wanneer de moeder tijdens de zwangerschap of de bevalling in levensgevaar verkeert en de foetus haar bedreigt, embryo-ectomie toegestaan is om het leven van de moeder te redden. Maimonides (hilchot rotse’ach 1:9) stelt niet alleen dat het leven van het kind ondergeschikt is aan het leven van de moeder, maar kwalificeert de embryo als een `agressor’. Maimonides geeft hiermee aan dat het leven van de foetus alleen maar opgegeven wordt omdat hij een `agressor’ is en het leven van zijn moeder bedreigt. Verschillende verklaarders wijzen erop dat Maimonides kennelijk van mening is, dat het doden van embryo’s een vorm van moord is, hoewel er geen doodstraf op staat (Igrot Mosje, 4:69 en 71).

► “Dan zal de koheen opdragen, dat men voor hem, die zich reinigt twee levende reine vogels neemt en cederhout en karmozijnkleurige wol en hysop” (14:2-4).

De Talmoed gaat er van uit, dat melaatsheid geen gewone ziekte is maar een ingreep van Boven is in het sociale leven. De melaatse had anderen door zijn geroddel geisoleerd. Daarom wordt hij uit de maatschappij gezet. Langzaam kan de melaatse zich reinigen en terugkeren tussen de mensen. Ieder onderdeel van de reinigingsprocedure vormt een aanwijzing hoe hij zijn maatschappelijk leven opnieuw moet opbouwen. Dit is een oude vorm voor een modern probleem: reclassering.

De vogels, die bij de reiniging gebruikt werden, herinnerden hem eraan dat hij wellicht teveel lasjon hara (roddel) had gesproken: “Hij kwetterde als een vogel”. Eén van beide vogels werd geslacht en de ander werd vrijgelaten. Dit was bedoeld om de melaatse op het idee te brengen, dat wanneer hij zijn spirituele niveau zou verheffen hem verdere ziekte bespaard zou blijven (net zoals het geslachte dier niet meer levend kan worden). Maar wanneer hij zijn zondige gewoonten hervat, zou de ziekte terug kunnen keren, net zoals de vogel die werd vrijgelaten weer terug zou kunnen komen.

Hout van de hoge cederboom moest samen gebundeld worden met de hysop, het laagste plantje, om de melaatse tot het besef te brengen, dat G’d de hoogmoedige straft door hem te vernederen in zijn melaatsheid. De karmozijnkleurige wol (rode draad) was een symbool voor zonde omdat zonden vergeleken worden met rode draden (vgl. Jesaja 1: 18). De kleur moet als een `rode lap’ op hem inwerken om tesjoeva te doen, tot inkeer te komen. Bovendien heet de karmozijnkleurige wol in het Hebreeuws tola’at (worm) om de mens eraan te herinneren dat hij uiteindelijk weer tot stof vergaat. De breekbare aardewerken kom symboliseert de plaats van de mens in deze wereld. De mens is fragiel, kwetsbaar en vergankelijk. Het bronwater herinnert in de terminologie van onze Wijzen aan de Tora. Het water wordt zeven keer over de melaatse gesprenkeld om aan te geven dat hij Tora moet leren die – volgens één mening – uit zeven boeken bestaat.

Reacties zijn gesloten.