Medewerkers van het NIK en de Joodse Gemeente Amsterdam, gezamenlijk gehuisvest in het Joods Cultureel Centrum, feliciteerden opperrabbijn Jacobs tijdens een speciaal ingelaste personeelsbijeenkomst met zijn benoeming tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Uiteraard met speciaal vervaardigde oranje taartjes.
NIK-secretaris Ruben Vis memoreerde bij die gelegenheid dat de opperrabbijn getransformeerd is van soldaat in het leger van Hashem tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
Hij wees er op dat slechts weinigen het is gegeven deze onderscheiding te worden toegekend. Twee eerdere opperrabbijnen gingen hem daar in voor: Opperrabbijn Berlinger (1980) en opperrabbijn Vorst (1971). De een, van wie opperrabbijn Jacobs de taak en verantwoordelijkheid overgedragen kreeg voor het IPOR-Ressort; de ander die zich op latere leeftijd verwant ging voelen met waar rabbijn Jacobs al op jonge leeftijd zijn kader zocht: het Lubavitcher chassidisme.
De toekenning van een koninklijke onderscheiding dient als ereteken. In Pirké Awot lezen we (4:1) de uitspraak van Ben Zoma:
Eeze hoe mechoebad – Wie verdient het om te worden geëerd?
Hamechabeed et habriyot – Degene die de schepselen eer schenkt.Ieder verdient aandacht, inzet, belangstelling. Van ons als mens, en van de rabbijn in zijn hoedanigheid. En zo zien we opperrabbijn Jacobs, ook zo vaak opereren. U handelt er naar door de mensen die aandacht en belangstelling te schenken; dat woord, dat gesprek, die hulp en bijstand. En zo, op die manier, een voorbeeld vormend voor anderen om u heen, voor de rabbijnen binnen uw Rabbinaatsgebied en in de andere delen van het land ook.
Zelfs direct nadat u zelf uw koninklijke onderscheiding kreeg opgespeld, schonk u aandacht aan uw medemens. Terwijl u zelf geëerd werd – Eezehoe mechoebad, eerde u een van Gods andere schepselen. U stapte op iemand af, maakte tijd om met hem te praten, aandacht te schenken, en als een soort vijfde, ontbrekende, zoon aan de Sedertafel te betrekken. Zelfs op dat moment bezig om iemands jiddisje nesjomme nader tot zijn Schepper te brengen. Wie dat in het Amersfoortse stadhuis gadesloeg, was daar bijzonder van onder de indruk.
In zijn dankwoord wees opperrabbijn Jacobs er op dat de aangehaalde Pirké Awot-uitspraak de vierde is in een opsomming; zoals ook de kroon van een goede naam, elders in Pirké Awot, gememoreerd wordt als vierde in een opsomming.
In beide gevallen geldt dat de andere drie verdiensten gegenereerd worden door iemands eigen daden. Maar eer te krijgen of een goede naam te genieten, zijn waarden die anderen aan jou toekennen.
