Parsja Acharee Mot 5772

Op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt, moet hij speciale kleding aantrekken. De offers worden beschreven, waaronder 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok). Op Jom Kippoer moet men volledig vasten, mag men geen leer dragen, zich niet wassen en niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben. Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.

Acharee Mot is de 29e parsja van de Tora, de zesde van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Acharee Mot bestaat uit 15 parsjiot, afdelingen waarvan 3 open en 12 gesloten zijn, telt 80 pesoekiem, verzen, 1170 woorden, 4249 letters en is hiermee de 29 na langste parsja. Acharee Mot bevat 11 geboden.

Parsja Kedosjiem (Vajikra / Leviticus 19:1-20:27)
Naast de opdracht de Sjabbat te houden, wordt een groot aantal ge- en verboden vermeld die de omgang van mens tot mens regelen. Waaronder eerbied voor de ouders, niet stelen, liegen, laster verspreiden. Ook: eerlijk rechtspreken, een dove niet vloeken, geen wrok koesteren, de vreemdeling niet krenken want je bent zelf vreemdeling geweest in Egypte. Niet sjoemelen met maten en gewichten, kinderoffers zijn ten strengste verboden, geen waarzeggers raadplegen. Nog meer verboden seksuele relaties worden vermeld. Het Land, vloeiend van melk en honing wordt toegezegd, maar er moet onderscheid gemaakt worden tussen rein en onrein. “Wees heilig, want heilig ben Ik, G’d”.

Kedosjiem is de 30e parsja van de Tora, de zevende van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Kedosjiem bestaat uit 13 parsjiot, afdelingen waarvan 12 open en 1 gesloten zijn, telt 64 pesoekiem, verzen, 868 woorden, 3229 letters en is hiermee de 49 na langste parsja. Kedosjiem bevat 13 ge- en 38 verboden.

VERDIEPING I: Medische ethiek: Stamcellen en spirituele perfectie
Acharee Mot Kedosjiem staat in het teken van heiligheid. Wat betekent heiligheid? Heilig kan verheven, hoger staan dan het alledaagse aardse, betekenen. Bovendien duidt heilig op volledig en heel.
Ik ga uit van een parallel wereldbeeld. Ik geloof in psychosomatiek. Ik zie continu parallelle structuren in de lichamelijke en de geestelijke werelden. De Tora is bezig met het sublimeren van de geest, de medische wereld is bezig met het (preventief) genezen van het lichaam. Samen moet het lukken.
Is lichaamsverbetering een optie? De wens om de menselijke soort te verbeteren is al erg oud en wekt in Joodse kring nog steeds afschuwen omdat de Duitsers daar niet zo Jood-vriendelijk mee omgingen. Plato pleitte er al voor dat alleen mensen met bepaalde wenselijke eigenschappen kinderen zouden mogen krijgen.
Wij kennen geen natuurwetdoctrine die tegennatuurlijk operatief ingrijpen zou verbieden. De jongste medische praktijken moeten alleen aan de juridische en ethische achtergronden van de ge- en verboden van de Tora worden getoetst.

Stamcellen zijn de nieuwste hype. Maar doemdenkers hebben zich al aangemeld: “Tegenwoordig spreken we al van reserveonderdelen als we het hebben over het menselijk lichaam. Straks wordt een grote beurt verplicht gesteld door de overheid”. “Voorkomen is beter dan genezen” wordt dan: “Vervangen is goedkoper dan genezen”. Zwartkijkers vinden de mensverbetering een groeiend maatschappelijk onheil. Een post-menselijke soort vinden de doemprofeten een verlies van onze eigen identiteit. Maar marktwerking, wetenschap en overheid stuwen ons toch die richting op.

Inmiddels is het mogelijk gebleken om stamcellen zonder verhoogd risico op kanker en zonder embryo’s als leveranciers van de grondstoffen te kweken. De eerste kweek van stamcellen van de Amerikaanse ontwikkelingsbioloog James Thomson, kostte in 1998 nog embryo’s. Later lukte het de Japanner Yamanaka om een veelzijdige stamcel uit een gewone lichaamscel te kweken. Embryo’s waren niet meer nodig. Dat was goed voor ons ethisch bewustzijn. Stamcellen zijn nodig om nieuwe ‘reserveorganen’ voor patiënten te kweken. Soms gaat het om het testen
van nieuwe medicijnen maar men wil ook de hartspier of het hersenweefsel versterken of aanvullen. Het duurt nog jaren om de nieuwe stamcellen uit te testen of zij zich als stabiele cellen kunnen ontwikkelen tot 220 verschillende soorten weefseltypen, die het lichaam nodig heeft. Bijkomend voordeel is, dat proefdieren minder nodig worden, omdat medicijnen ook getest kunnen worden op losse weefseltypen. Uiteraard moeten er nog bijzonder veel hobbels worden genomen maar dat mag ons niet hinderen reeds nu een ethisch Joods oordeel te geven over de experimenten met stamcellen.
‘The sky is the limit.’ De ontwikkelingen zijn niet te stuiten. Tora en Talmoed staan er positief tegenover. Menselijk materiaal mag gebruikt worden om levens te redden of de kwaliteit van het leven te verbeteren. Uit Genesis 9:6 leidt Rabbi Jisjmaëel (B. T. Sanhedrien 57b) het abortusverbod af: “Hij die het bloed van een mens in een mens vergiet, diens bloed zal vergoten worden”. Beschermwaardigheid van het leven wordt hierbij dus afhankelijk gesteld van verblijf in de menselijke baarmoeder. Stamcelonderzoek hoeft hier niet onder te vallen. Toepassing van stamceltechnieken zijn toegestaan. De Bijbel wijst ons hierbij duidelijk de weg: ”Hij zal genezen” (Ex. 21:19).

Verdieping II: Bloed, identificatie, opofferingsgezindheid, respect en substitutie
Het Jodendom heeft iets met bloed. Vlak voor de Exodus uit Egypte werd iedereen besneden. Het verbondsbloed betekent identificatie met het Jodendom. Pesach betekent `overheen stappen’. Op Pesach is G’d over “iedere Joodse deuropening heen gestapt”. HaSjeem, G’d stapte a.h.w. over de deuropeningen heen waaraan het bloed van het Korban Pesach, het Pesachoffer gesmeerd was. Bloed toonde de bereidheid de Egyptische afgod te slachten.
De rituele slacht is bedwelming, ontbloeding en doden ineen. Het is de beste manier om te ontbloeden.
Er zijn ook andere manieren hoe de Tora met dieren en hun bloed omgaat. De Tora toont medeleven en respect. Ik behandel twee aspecten:

1. “Iedere Jood, die wild of gevogelte vangt, wat gegeten wordt, en zijn bloed vergiet, zal het bedekken met zand (17:13).
Bloed van reeën, herten en gevogelte moet bedekt worden. Bloed van wild wordt niet op het altaar gesprenkeld, omdat er geen offers waren van reeën en herten. En ook van de vogels waren er maar enkele soorten (gewone duiven en tortelduiven) toegestaan in de Tempel.
Dit bedekgebod is nog steeds van toepassing vandaag de dag. Wanneer een sjocheet (ritueel slachter) een kip of een hert koosjer slacht, bedekt hij het bloed van onder en van boven.
1. Het bedekken van bloed is een uiting van respect voor het dier. Het is als een soort begrafenis: “Het past de mens dieren op eervolle wijze te behandelen net zoals we dit bij mensen moeten doen”.
2. Anderen zien het bloedbedekken meer als een poging te voorkomen dat wij bloed zullen eten.
3. Maar het bloedbedekken kan ook gezien worden als voorkoming van misverstanden: “Men zou kunnen menen dat de buren offerden aan afgoden of geesten”. Dat zou tot sociale en religieuze fricties leiden.
De bloedbedekkingsplicht geldt niet voor huisdieren. Tussen huisdieren aan de ene kant en wild en vogels aan de andere kant bestaat een fundamenteel verschil. De laatste leven niet onder de heerschappij van de mens. Huisdieren zijn onderworpen aan de nukken van hun baas. Daarom geldt het bloedbedekken van kosjer geslachte dieren niet voor huisdieren. Dieren, die dichter bij de natuur staan, zijn wij meer respect verschuldigd dan de huisdieren die aan ons onderworpen zijn. Een ding is duidelijk: respect voor dieren heeft altijd centraal gestaan in de Tora.

2. “Want de ziel van al het vlees is zijn bloed, in zijn ziel is het” (17:14).
Dit is niet letterlijk bedoeld. De ziel is iets abstracts en het bloed iets concreets. De Tora stelt alleen dat, omdat de ziel samenhangt met het bloed, dit bloed bij uitstek geschikt is om “kappara”, verzoening te doen voor de nesjomme (ziel) van de mens. Daarom mogen we het niet eten. Het bloed, evenals het vet, doet verzoening voor de mens op het altaar en mag daarom niet gegeten worden.
De mens mag overigens alleen genieten van het lichaam van het dier.
1. De ziel mag niet gegeten worden, althans dat deel van het lichaam waar de ziel direct mee verbonden is: “het is niet gepast dat de ene ziel de andere ziel eet. Alle zielen behoren G’d toe en in de ogen van het Opperwezen is de ziel van mens en dier gelijk”. Bovendien zou het wreed zijn om het leven zelf te willen eten.
2. Het is ook mogelijk dat door het eten van dierenbloed ook dierlijke eigenschappen deel worden van de mens. Terwijl de menselijke ziel naar Boven stijgt, daalt de dierlijke ziel af en neigt naar het aardse: “het is niet juist om de gedode ziel met de levende ziel te vermengen”.
3. Maar het bloed kan wel ten goede gebruikt worden ter verzoening op het altaar. Het is als het ware substitutie. In plaats van de menselijke zondaar, die eigenlijk met z’n leven had moeten boeten, komt het dier. Alleen al daarom is het verboden om het bloed van dieren te eten. In feite is het een substituut voor het menselijk bloed.

HAFTARA: Amos 9:7-15
Zijn jullie voor mij soms meer dan de Ethiopiërs, o Israël? – spreekt Hasjeem. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir. De ogen van Hasjeem zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het van de aardbodem wegvagen, maar ik zal niet het hele volk van Ja’akov vernietigen – spreekt Hasjeem.
De vergelijking van Israël met Ethiopiërs kan op verschillende manieren begrepen worden:

1. Net zoals Ethiopiërs afstammen van Noach, stammen jullie af van Noach. Jullie zijn niets bijzonders wanneer jullie je niet bewijzen door bijzondere daden waardoor jullie je onderscheiden van de rest van de wereld. Hasjeem spoort het Joodse volk in deze uitleg aan tot religieus beter gedrag dan de rest van de mensheid. Pas dan verdienen ze de titel van het uitverkoren volk. Beroemen jullie je er niet op, dat speciaal jullie weggevoerd zijn door Hasjeem uit Egypte: ook de Filistijnen zijn bevrijd uit Kreta en de Arameeërs uit Kir!

2. Ethiopiers vallen door hun huidskleur op. Zo ook moet het Joodse volk door zijn goede gedrag, zijn G’dsvrezendheid en menslievendheid opvallen.
Ook de bekende filosoof Rabbi Jehoeda Hallevi wijst zijn Joodse medemens op zijn verantwoordelijkheid voor de wereld als geheel. G-ds uitverkoren volk zijn heeft grote consequenties. Het was een uitdaging in de Oudheid, in de Middeleeuwen en het blijft een uitdaging tot op de dag van vandaag. Onze gehechtheid aan de enige, levende G-d was de bron van ons overleven. Geen enkel ander volk is het gelukt om een ballingschap van tweeduizend jaar te overleven zonder assimilatie.

Dat heeft ook een externe betekenis. Het Joodse volk moet een ‘or lagojiem’ zijn – een lichtend voorbeeld voor de volkeren. Wij kennen geen missie maar wel de opdracht om onder de volkeren minimaal het gedachtegoed van de zeven Noachidische geboden in te voeren.

Reacties zijn gesloten.