Parsja Emor 5772

(Wajikra / Leviticus 21:1 – 24:23)
Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt, mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.

Emor is de 31e parsja van de Tora, de achtste van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Emor bestaat uit 17 parsjiot, afdelingen waarvan 11 open en 6 gesloten zijn, telt 124 pesoekiem, verzen, 1614 woorden, 6106 letters en is hiermee de 31 na langste parsja. Emor bevat 24 ge- en 39 verboden.

Verdieping: De Birkat Kohaniem – priesterzegen – tegenwoordig
In de parsja staat de speciale status van de kohaniem, priesters centraal. Een van de mitsvot, geboden die een koheen nog heeft tegenwoordig is het zegenen van het volk. Geldt dit nog steeds onverkort?

G’d zei tegen Mosje: ‘Zeg tegen Aharon en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen (Zo zullen jullie zegenen): Moge G’d je zegenen en hoeden. Moge Zijn Gezicht op je schijnen en je gunstig zijn. Moge G’d Zijn gezicht naar je opheffen en je vrede toekennen. Als zij Mijn Naam over het volk uitspreken (plaatsen), zal ik de Israëlieten zegenen.’ (Numeri/Bamidbar 6:22-27)

De Joodse wet, Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 128:2) lijkt aan te nemen, dat birkat kohaniem nog steeds een Toragebod is, ook nu de Tempel niet meer bestaat: “Elke koheen, aan wie niets in de weg staat de zegening uit te spreken en die niet reageert wanneer er “Kohaniem!” wordt geroepen, of als hem wordt gezegd naar voren te gaan, overtreedt slechts één mitsva, gebod, maar het is alsof hij drie overtredingen heeft begaan (‘Zo zal u zegenen’, ‘Zeg tegen hen’ en ‘Plaats Mijn Naam’ – Sota 38b).”

Praktische gevolgen
De status van birkat kohaniem heeft praktische gevolgen, wanneer een koheen zijn tefilla, gebed moet onderbreken om voor birkat kohaniem naar voren te komen. De Radvaz (Responsa 4:293) schrijft dat een koheen zijn gebed moet onderbreken om voor te gaan bij birkat kohaniem (wanneer er geen andere koheen aanwezig is), zelfs als hij daarvoor het staande achttiengebed, de Sjemonee Esree moet onderbreken. De Radvaz redeneert dat aangezien de drie dagelijkse gebeden van Rabbijnse origine zijn en birkat kohaniem van Tora-origine is, deze laatste voorrang heeft. De Mageen Avraham (128:40) is dezelfde mening toegedaan. De Misjna Beroera, echter, stelt dat een koheen alleen dan Sjemonee Esree moet onderbreken voor birkat kohaniem, wanneer het samenvalt met het punt binnen de Sjemonee Esree waar birkat kohaniem wordt gezegd.

Ouders en rabbijnen
Mag een Rabbijn of ouder deze birkat kohaniem uitspreken – ook als hij geen koheen is?
Rav Ovadia Joseef (Jechave Da’at 5:14) staat dit toe. Volgens hem mag de zegening zelfs gezegd worden met beide handen op het hoofd van het kind.

Deze vraag wordt aan de orde gesteld in de Talmoed, tractaat Ketoevot (24b). De Talmoed bespreekt daar de vraag of we aan mogen nemen, dat degene die deelneemt aan birkat kohanim ook werkelijk een koheen is.
Tijdens de discussie merkt de Talmoed op, dat zelfs als we zouden mogen aannemen, dat degene die teroema, speciaal priestervoedsel, eet een koheen is, we ditzelfde niet aan kunnen nemen over al degenen, die zich bij de kohanim voegen op de doechan, het zegenpodium om het volk te zegenen. De Talmoed zegt:
“Deze aanname kan slechts gemaakt worden over teroema, daar de doodstraf staat op het overtreden van dit gebod (het eten van teroema door iemand die geen koheen is), maar ditzelfde geldt niet voor het uitspreken van birkat kohanim door niet-kohaniem, dat verboden is op basis van een gebod (issoer asee: “Zo zullen jullie zegenen” is een gebod uit de Tora. Dat alleen jullie en niet niet-kohanim mogen zegenen wordt daaruit afgeleid en heet een issoer, verbod, gebaseerd op een gebod).

Daarom is het uitspreken van birkat kohanim geen duidelijk bewijs van kehoena, priesterschap.

Naar aanleiding hiervan schrijft de Tora Temima (Bamidbar, Naso 131), dat de Vilna Gaon een hand plaatste op het hoofd van Rav Yechezkel Landau, de Rav van Vilna, toen hij hem zegende op zijn bruiloft. Men vroeg de Vilna Gaon hierover. Hij antwoorde hierop, dat alleen kohanim in het Mikdasj, de Tempel zegenden met beide handen. Daarom zou een zegening met één hand geen overtreding zijn.

In de Talmoed (Sjabbat 118b) zegt Rabbi Jossi: “Ik ging nooit in tegen het woord van mijn vrienden. Ik weet dat ik geen koheen ben, maar als mijn vrienden tegen mij zouden zeggen, “Ga naar het zegenplatform, het “doechan” – voor birkat kohanim, dan zou ik gaan.”

Hoe kon Rabbi Jossi het Talmoedisch verbod overtreden?
Verschillende Geleerden dragen een oplossing aan.

1. Geen deelname
De Esjkol (hilchot birkat kohanim 15) suggereert, dat Rabbi Jossi slechts op de doechan, het zegenplatform zou staan naast de kohanim maar verder in zijn geheel niet deel zou nemen aan de zegening. De Mageen Gibboriem (zie Misjna Beroera 128:3) zegt, dat alleen een niet-koheen die de intentie heeft de mitswa van birkat kohaniem te vervullen een verbod overtreedt door de zegening uit te spreken. Rabbi Jossi wilde slechts aan de wensen van zijn vrienden voldoen, niet aan een gebod uit de Tora.

2. Alleen met opgeheven handen
De Bach (begin van Orach Chaim 128) beperkt het verbod tegen het uitspreken van birkat kohaniem door een niet-koheen, tot het uitspreken van de zegening met opgeheven handen, zoals de kohaniem dit doen bij de birkat kohaniem. In de Tora staat dat Aharon zijn handen ophief toen hij het volk zegende. Dit is een essentieel onderdeel van de zegening. Daarom overtreedt een niet-koheen geen verbod wanneer hij birkat kohaniem uitspreekt zonder opgeheven handen. Aangezien Rabbi Jossi zijn handen niet ophief, overtrad hij geen verbod.

3. Geen verbod
De Beet Ja’akov neemt een heel ander standpunt in met een geheel andere interpretatie van de Talmoed in Ketoevot. Iemand wiens priesterlijke status in twijfel wordt getrokken kan door de Rabbijnen verboden worden teroema, priesterlijke heffing, te eten. Als hij toch teroema, priestervoedsel eet, dan kunnen wij zijn priesterlijke status aannemen.
Ten aanzien van birkat kohaniem bestaat er echter een Toragebod voor de koheen om deze zegening uit te spreken. Het is dus mogelijk dat de Rabbijnen hem niet verhinderden de zegening uit te spreken omdat zij hem simpelweg niet wilden tegenwerken bij het doen van een mitsva, gebod, in het geval hij daadwerkelijk een koheen zou zijn. Daarom wordt het meedoen aan birkat kohaniem niet als bewijs van priesterschap beschouwd. Met andere woorden, deze lezing vat het verbod waarover in de Talmoed wordt gesproken op als het verbod voor een koheen om de zegening niet uit te spreken.

4. Alleen
De Rema stelt, dat het voor niet-kohanim slechts verboden is om de zegening alléén te doen. Kohanim vergezellen bij hun beracha, zegening is echter niet verboden.

HAFTARA: Jechezkeel 44: 15-31
“Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht van Mijn heiligdom hebben waargenomen, als de kinderen Israëls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt G’d…En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten groeien; behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.

Het hoofd niet glad afscheren betekent zijlokken en baard laten staan. Wat is de achtergrond hiervan? De zijlokken (pijes, pejot) zijn gebaseerd op Leviticus 19-27: `Je mag de hoeken van je hoofd niet rondom afscheren’. Volgens de negentiende-eeuwse Rabbiner Hirsch uit Frankfort vormen de pijes een afscheiding tussen de grote en kleine hersenen. In de grote hersenen liggen de hogere mensfuncties geconcentreerd, terwijl de kleine hersenen de gewone lichaamsfuncties, zoals lopen en grijpen, regelen. Het dragen van pijes is dus een uiting van het besef, dat wij ons in ons dagelijks leven bewust moeten zijn van het feit, dat wij een aantal karaktereigenschappen delen met de dieren en onderscheid moeten maken tussen hogere en lagere functies. Dezelfde gedachte van scheiding van hoger en lager komt tot uitdrukking in de gartel – een gordel, die het bovenlichaam van het onderlichaam afgrenst.

Het meest opvallend is de baard. Het is volgens de Tora in ieder geval verboden de hoeken van het gezicht met een mes te scheren (Lev. 19:27). Een baard bedekt de onderkaak, waar het eten wordt geconsumeerd en de smaakzintuigen zijn gelokaliseerd. Met name chassidische Joden laten de onderkaak overwoekeren door een weelderig gewas vanuit het besef, dat deze levensfunctie ons menszijn niet mag domineren.
Wij eten niet alleen omdat wij bepaalde gerechten lekker vinden, maar vooral omdat wij het voedsel nodig hebben voor onze gezondheid en deze staat in het teken van onze G’dsdienst.
Dit is een belangrijke gedachte in onze consumptie-maatschappij. Het leert, dat wij in ons leven niet alleen uit moeten zijn op plezier en genot, maar dat zelfs de meest simpele en alledaagse handelingen zoals eten en drinken in het teken staan van ons Jodendom.

Reacties zijn gesloten.