Parsja Sjelach lecha 5772

(Bemidbar/Numeri 13:1-15:41)  
Mosje stuurt twaalf mannen, één van iedere stam, om Kena’an te verkennen. Ze keren na veertig dagen terug en vertellen dat het land inderdaad overvloeit van melk en honing. De vruchten zijn groot en als bewijs tonen ze een druiventros die aan een draagstok door twee man gedragen moet worden. Maar de mensen in dat land zijn groot en de steden versterkt. Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken omdat het volk daar te sterk is en ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. Alleen Kalev en Jehosjoe’a pleiten ervoor wel op te trekken omdat G’d met hen is. Het volk jammert dat het terug wil naar Egypte. Hasjeem wordt geweldig boos en wil het volk vernietigen, maar Mosje weet dat door gebed te voorkómen. Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven en zij die HaSjeem geminacht hebben, zullen het land niet zien maar in de woestijn sterven, met uitzondering van Jehosjoe’a en Kalev. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosje instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Een man die hout sprokkelde op Sjabbat moest ter dood gebracht worden. De mitsva van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.

Sjelach lecha is de 37e parsja van de Tora, de vierde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Sjelach lecha bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 7 open en 3 gesloten zijn, telt 119 pesoekiem, verzen, 1540 woorden, 5820 letters en is hiermee de 27 na langste parsja. Sjelach lecha bevat 3 mitsvot, waarvan 2 geboden en 1 verbod.

De fout van de verspieders: schijn en wezen
De verspieders zagen alleen de negatieve kanten van het land Israël. Ze zagen reuzen en werden bang. Ze schouwden niet door de oppervlakte van het wezen van de dingen heen. Om dit goed te begrijpen, moeten we terug naar het ontstaansproces van de wereld. De volmaakte oertoestand in het Paradijs werd door de zondeval van Adam verstoord. Op allerlei niveaus delen Kabbalistische werken de Schepping in in een rechterzijde en een linkerzijde.

Rechts en links
Aan de rechterkant stelt de Kabbala de kern van de dingen, het wezen van de fenomenen. De linkerkant symboliseert de materiële vorm, waarin de Hemelse krachten zich in hun aardse omhulling aan ons openbaren.
De Boom des Levens, de Eets Hacha’iem, neemt de rechterplaats in en de Eets haDa’at, de Boom van kennis van goed en kwaad, wordt links voorgesteld. Ondergronds zijn beide bomen harmonisch met elkaar verstrengeld.
De Eets Hacha’iem stelt het G’ddelijke en goede achtergrond van deze wereld voor, terwijl de Boom van kennis en goed en kwaad onze fysieke realiteit symboliseert. In het fysieke bestaat een ongelooflijke veelheid van dingen, die de Essentie van de wereld versluiert en verduistert.

Essentie versus uiterlijke vorm
Wanneer de band tussen beide bomen verbroken wordt, krijgen we de indruk dat de materiële werkelijkheid om ons heen de enige bestaande realiteit is. Juist in onze tijd is deze tegenstelling tussen diepere achtergrond en uiterlijke vorm, tussen vorm en essentie bijzonder actueel en heeft iedereen last van de gebrokenheid met de wereld om ons heen, waardoor wij niet in staat zijn om de werkelijkheid achter de schijnrealiteit te ontwaren. Door de breuk tussen vorm en wezen, werd de harmonie met het G’ddelijke in de wereld verbroken zodat wij sterfelijk werden. In eerste instantie was de mens een lichtwezen, een bundel lichtenergie, een wezen dat overal doorheen kon kijken.
Or (licht) wordt gespeld als alef-waw-reesj en heeft als eerste letter een alef, het getal één, dat de Enige van de wereld, G’d, symboliseert. Later maakte G’d voor de mensen kleren van huid (ook `or’ maar nu met als eerste letter een ajin, in getallenwaarde 70; vgl. Bereesjiet 3:21). Licht en huid klinken in het Hebreeuws hetzelfde (beide heten ‘or’) maar het woord huid wordt gespeld met een ajin (huid is in het Hebreeuws ajin-waw-reesj). Adam was licht voor zijn zondeval en werd nu een huid, een mens van vlees en bloed.
Oorspronkelijk waren wij geestelijke essenties, die in hogere werelden opereerden. Maar door de zondeval verloren wij onze geestelijke uitstraling en vervielen we tot een lagere vorm van energie, het aardse lichaam in zijn fysieke vorm. Hierdoor hebben wij het contact met onze G’ddelijke oorsprong verloren.

Or in de zin van huid kan ook anders gelezen worden in het Hebreeuws en dan wordt het iweer, blind. We zijn totaal ongevoelig geworden voor alle spiritualiteit om ons heen, volledig ongevoelig voor de G’ddelijke krachten, die verscholen gaan achter deze aardse G’dsverduistering.

Het getal 70
Het getal 70, dat in de huidvorm van de mens in plaats van de 1 van de lichtvorm in de mens is gekomen, duidt op veelheid. Deze wereld wordt bevolkt door 70 volkeren met 70 talen. Natuurlijk gaat het hier niet om de letterlijke hoeveelheid maar eerder om het begrip hoeveelheid. Onze wereld is één van kwantiteit in plaats van kwaliteit.
De huidmens in zijn vellen bedekking heeft dat contact met die 1, de oorsprong van alles, het G’ddelijke element in de wereld, verloren en ziet daardoor alleen nog maar veelheid. Onze fysieke wereld is een wereld van ontelbare hoeveelheden, oneindig veel eenheden, die na iedere grote wetenschappelijke ontdekking uit nog meer elementen blijken te bestaan.

Eén-Sof – de oneindige G’dheid – uit zich ook daarin! Maar materie heeft zo zijn beperkingen. We zien alles alleen nog maar gebroken. De scheppende kracht achter het universum openbaart zich aan ons alleen nog maar in stukjes en deeltjes. We verliezen ons besef voor de G’ddelijkheid en verliezen onszelf in onze dierlijkheid. Niet voor niets heet de meest waarneembare vorm van ons zieleleven de nefesj habehamiet, ons dierlijke leven, dat voor de buitenwereld het meest duidelijk waarneembaar is.
Hogere vormen van onze ziel, zoals Roe’ach (geest, ambitie, spiritualiteit) en nesjama (de G’ddelijke ziel) zijn niet meer waarneembaar. Het contact met andere zielelagen is vaak verbroken. Het komt vaak voor, dat men de hele dag alleen bezig is met het bevredigen van de behoeften van de dierlijke ziel, de nefesj habehamiet. Heel vaak wordt vergeten dat ook onze meer spirituele zielenlagen een enorme behoefte hebben aan aandacht en invulling.

Lichaam en ziel
De mens is een mysterieuze combinatie van Hemels en aards. In drie opzichten lijkt een mens op een dier en in drie opzichten lijkt hij op een Engel, stelt de Talmoed. Als we alleen kijken naar de materiële aspecten van ons bestaan (de natuurwetenschappelijke optiek), kijken we uitermate beperkt naar de buitenkant van de dingen.
Als we onze horizon echter verbreden naar de zielenwereld, verbreden we onze inzichten in de menselijke realiteit. Gelijk de Boom van het leven zich verhoudt tot de Boom van kennis van goed en kwaad, is de nesjama de kosmische eenheid achter de aardse, uiterlijke veelheid. Bij de zondeval at Adam van de Boom van kennis en goed en kwaad. Hierdoor veranderde hij in een fysiek wezen en ontstond er voor ons een aardse realiteit. Het harmonische contact tussen ziel en lichaam, universele eenheid en fysieke veelheid dreigde verloren te gaan.

Verschillende behoeften
Onze geest kan geen genoegen nemen met aardse geneugten en ons aardse lichaam heeft nu eenmaal lichamelijke voeding en ontwikkeling nodig. De spirit verlangt naar steeds hoger en onttrekt zich aan de aardse realiteit terwijl het fysieke deel van de mens doorlopend bezig is met al het aardse.

Wanneer we in staat zijn om in de grote kwantitatieve wereld van veelheid van fysieke schepselen de Grote Eenheid te ontwaren, dan zijn wij in staat om de ware bedoeling van deze wereld te begrijpen. Dit herstel van de oorspronkelijke eenheid is de levenslange opdracht van de mens. Wanneer wij via Tora leren en uitvoering van de mitswot het wezen van de dingen weer naar voren brengen, ontstaat een tikkoen, een herstel van die oorspronkelijke eenheid tussen vorm en wezen.

Wanneer wij eten van de Boom van kennis van goed en kwaad, kiezen wij voor de aardse vorm van leven. Het is niet alleen leven maar ook een Weltanschauwung. Wanneer men alleen naar het uiterlijk kijkt, ziet men alleen maar de vormen, die het wezen van de werkelijkheid verduisteren. Door het uitschakelen van de G’ddelijke achtergrond, worden wij tot goden in ons zelfgecreëerde ‘alleen-aardse-realiteit’. Omdat we de wezenlijke achterliggende eenheid vergeten zijn, ontstaat een enorme vervlakking van onze beleving. Dan zien we door de bomen het bos niet meer. De ongebreidelde aandacht voor enkel het uiterlijk en de aardse vorm van dingen, leidt in psychologische zin tot ontworteling waaruit alle sociale kwaden – van drugs tot depressie – voortvloeien. En hierbij gaat het voornamelijk om de eenzijdigheid en de selectieve waarneming. Dit was de fout van de verspieders. Sjabbat Sjalom!

HAFTARA: Jehosjoea hoofdstuk 2
“Gaan jullie op weg, bekijkt het land en Jericho”. Jericho was de eerste stad, die zou worden aangevallen, maar waarom wilde Jehosjoea zo graag weten wat de inwoners van Kena’an over de Bnee Jisraeel dachten? Jehosjoea was constant bang, dat G’ds belofte van een bovennatuurlijke overwinning niet vervuld zou worden wanneer de Bnee Jisraeel zouden zondigen. Mosje leefde niet meer en zijn persoonlijke verdiensten beschermden het volk niet meer. De plaats van waaruit de twee spionnen Pinchas en Kaleev gestuurd werden, was Sjittiem, waar de Bnee Jisraeel zwaar gezondigd hadden met Moabitische dames en de afgod Ba’al Peor hadden gediend. Waren deze zonden al vergeven? Jehosjoea zocht een Hemels teken en meende, dat, wanneer de inwoners van Kena’an bang zouden zijn voor de Bnee Jisraeel, dit een teken zou zijn dat G’d nog steeds met de Joden was.
Rachav, de herbergierster, sprak tot Kaleev en Pinchas: “Ik weet, dat G’d u dit land gegeven heeft, en dat de schrik voor jullie op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor jullie gesmolten zijn”.Jehosjoea wist door deze mededeling genoeg en voelde zich gesterkt in zijn opdracht Israel te veroveren.

Van wie kwam het idee om spionnen te sturen? Niet zozeer van Jehosjoea maar van Hasjeem. G’d wilde de zuivere ziel van Rachav redden. Rachav wilde al heel lang Joods worden maar had geen contact met de Bnee Jisraeel. Rachav verstopte de spionnen op haar dak en werd met haar hele familie gered. Ze bekeerde zich en trouwde later met Jehosjoea.

Durfde Jehosjoea het aan om Pinchas en Kaleev er op uit te sturen? Was hij niet bang voor een herhaling van het eerdere debacle van Mosje’s verspieders? Jehosjoea liet deze twee grote Tsaddikiem, die hun sporen verdiend hadden, op een geheime missie Israel onderzoeken. Niemand wist van hun missie omdat juist het publieke karakter van Mosje’s missie had bijgedragen aan het fiasco van de twaalf verspieders. Pinchas had voor G’ds eer gestreden in Sjittiem en Kaleevs loyaliteit stond buiten kijf. Hij was tachtig toen hij deze spionagemissie aanvaardde.
Jehosjoea wilde niet weten hoe het land er uit zag maar probeerde er achter te komen hoe de bevolking van Kena’an dacht over de Bnee Jisraeel. Bovendien was de missie van Pinchas en Kaleev kort en beperkt. Alleen Jericho en omstreken zouden worden bespionneerd. Jehosjoea had er dus alle vertrouwen in, dat het deze keer niet mis zou gaan. Sjabbat sjalom!!

Reacties zijn gesloten.