Parsja Korach 5772

Korach, Datan en Awiram en nog 250 man rebelleren tegen het leiderschap van Mosjé en Aharon. G’d wil de hele gemeenschap vernietigen maar laat alleen de aanstichters verdwijnen. De hele gemeenschap neemt dit Mosjee en Aharon kwalijk. G’ds woede ontbrandt en er breekt een plaag uit. Zeer velen sterven. Aharon doet verzoening voor hen, waarna de plaag ophoudt. Op bevel van G’d brengt elke stam een staf met de leiders naam naar het Heiligdom. De volgende morgen bloeit de staf van Aharon, waarmee zijn priesterschap is bevestigd. Kohaniem en Levieten worden verantwoordelijk gesteld voor de goede gang van zaken in het Heiligdom. De taken worden vastgelegd. De eerstgeborenen van mensen en van reine dieren zijn voor de Kohaniem; de eerstgeboren jongens bij de mensen moeten gelost worden, evenals de eerstgeboren ezel. De stam Levie krijgt geen land maar ontvangt de tienden van het volk. Hiervan geven zij weer een tiende aan de Kohaniem.

Korach is de 38e parsja van de Tora, de vijfde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Korach bestaat uit 13 parsjiot, afdelingen waarvan 7 open en 6 gesloten zijn, telt 95 pesoekiem, verzen, 1409 woorden, 5325 letters en is hiermee de 39 na langste parsja. Korach bevat 9 mitsvot, waarvan 5 geboden en 4 verboden.

VERDIEPING I: Onberedeneerde haat, interne machloukes
Korach was de man van de machloukes, meningsverschillen. Daar lijden we nog steeds onder. G’d zij dank is het voorstel van de wet Thieme verworpen in de Eerste Kamer maar zodra nieuws over de sjechita (slacht) op de webs komt, verschijnen op internetsites antisemitische reacties. Ik zie een onberedeneerde haat tegen Israël, Joden en alles daarom heen. Het schuldgevoel van de Holocaust slaat om in haar tegendeel: “de Joden zijn net zo erg als de Nazi’s”- menen onze tegenstanders. Dit ontlast en lucht op. Zo hoeft men geen gewetenswroeging meer te hebben. Toch heb ik het gevoel dat er meer aan de hand is.
  Waar komen al deze anti-gevoelens vandaan? Er is een bekend chassidisch verhaal: “Rabbi Jaäkov-Josef en Rabbi Pinchas van Koretz waren beide leerlingen van de Baäl-Sjemtov. Rabbi Jaäkov-Josef hoopte dat hij de grote meester mocht opvolgen. Maar zijn kandidatuur mislukte. Rabbi Jaäkov-Josef nam zijn mislukte kandidatuur nogal slecht op. Hij zag er een verloochening in van zijn kameraden en voelde zich onbegrepen. Zijn vriend en bondgenoot, Rabbi Pinchas van Koretz, troostte hem: “Als de koning ’s avonds naar bed gaat, hangt hij zijn kroon op aan een spijker. Waarom aan een spijker, zo’n ordinair ding? Waarom niet op het hoofd van een minister? Omdat de minister zichzelf serieus zou nemen en zich koning zou wanen. Met een spijker loop je dat risico niet.” Waarom hebben wij die kroon, de bekroning van ons werk, de realisatie van onze idealen, de kroon van vrede nog steeds niet gekregen?
 
Wij zijn een volk van extremen. Himmelhoch jauchzend hebben wij de Tora en humanitaire waarden aan de wereld onderwezen, doffe ellende was ons deel door de jaloezie en onverdraagzaamheid. Tweeduizend jaren hebben we naar Israel verlangd en hiervoor gebeden. Uiteindelijk ging onze hoop in vervulling. Onder de leidende hand van de Voorzienigheid keerden we vorige eeuw weer terug naar ons echte vaderland, ons Heilige Land. En inderdaad, het is in vervulling gegaan. Tweeduizend jaar lang heeft Israël braak gelegen maar nu groeit het weer. We zijn getuige geweest van wonderen, grote tragedies maar ook onvoorstelbare wonderen. Hadden onze profeten dit niet voorspeld? Hadden onze Geleerden in de Middeleeuwen ons niet voorzegd dat er weer politieke zelfstandigheid zou zijn, dat het land weer gecultiveerd zou worden?

 Toch zitten we in een dip. We hebben het gevoel de greep op onze situatie te verliezen, speelbal te worden van andermans belangen, onberedeneerde haat, onbegrijpelijke antisemitisme, selectieve verontwaardiging, zowel hier als in Israël. Past ons Joodse land wel in het Midden-Oosten? Vanuit de gaskamers in Polen kwamen we wéér in een uitzonderingspositie terecht. In een totaal vijandige omgeving raakten we bijna geheel geïsoleerd. Terwijl wij de volkeren geleerd hebben “heb je naaste lief, gelijk uzelf”, worden we in de media afgeschilderd als barbaren.

We lijken onze inspiratie kwijt te zijn geraakt. Waar is dat oude ideaal gebleven? Het ideaal van een land met een boodschap? Door de schrikbeelden van onszelf, die anderen ons aanpraten, lijken we verstard, onmogelijk om nog over te gaan tot enige actie. Wat we ook zeggen of doen, het wordt altijd verkeerd uitgelegd!, Eén van onze ergste vijanden is ons gebrek aan éénheid en daadkracht. Wij toornen huizenhoog uit boven het morele niveau van onze dictatoriale omgeving, de eenzijdige media en de anti-Israëlische VN.
Niettemin moeten wij toch ook bij onszelf nagaan wat ertoe geleid heeft, dat we in zo een onevenwichtige situatie terecht zijn gekomen. Onze Geleerden wijzen ons er op, dat wanneer ons ongeluk overkomt, wij ook aan zelfanalyse en introspectie moeten doen, ons eigen

gedrag nader onder de loep moeten nemen. Dat betekent niet dat wij met het vermanende vingertje naar anderen moeten wijzen. Maar wel, dat wij in onze eigen nesjomme moeten kijken of er iets uit balans is geraakt.

VERDIEPING III: Eerbied voor de Rebbe
Het grootse deel van parsjat Korach gaat over het meningsverschil tussen Korach en Mosjé Rabbenoe. Waarom was er zoveel ruzie? Korach meende dat Mosjé Rabbenoe de vervanging van de bechoriem (eerstgeborenen) door de Levie’iem uit zijn duim gezogen had, omdat hij zijn eigen stam wilde voortrekken. Ook de zonen van Kehat, die de meest nabije familieleden waren van Mosjé Rabbenoe, werden voorgetrokken. De Levie’iem vonden het minder prettig dat zij moesten dienen onder Aharon en zijn zonen.
Datan en Awieram vonden het vervelend dat het eerstgeboorterecht van de stam Re’oeween overging naar de stam Joseef. Beide kinderen van Joseef, Efraïm en Menasjé, kregen een deel in het land Israël alsof Joseef eerstgeboren was. Men vreesde dat Mosjé Rabbenoe de stam Joseef in Efraïm voortrok omdat Jehosjoe’a, zijn dienaar, afkomstig was van de stam Efraïm. De “voornamen” van de gemeente en Korach waren allemaal bechoriem (eerstgeborenen) en daarom namen zij deel aan de test met de vuurpannen. Dit is de opvatting van Rabbi Awraham ibn Ezra (13de eeuw).

Maar Nachmanides (14de eeuw) opponeert en stelt, dat de opstand van Korach ontstond na het spionagedrama. Inderdaad was Korach jaloers over de aanstelling van Elitsafan en was hij ook afgunstig op de verheven positie van Aharon, de Hogepriester maar het ging de opstandelingen, zoals Datan en Awieram, niet zozeer om het eerstgeboorterecht. Dit was al een paar honderd jaar eerder door Ja’akov, onze Aartsvader weggenomen van Re’oeween en aan Joseef gegeven. Oorspronkelijk hadden de Joden in de woestijn niets te klagen. Zelfs na de zondeval bij het gouden kalf waren er relatief maar weinig doden te betreuren omdat Mosjé Rabbenoe voor het volk gedawwend had.

Vanaf dat moment hielden de Joden bijzonder veel van Mosjé Rabbenoe en als iemand maar tegen hem in opstand was gekomen, hadden ze hem gestenigd. Daarom kon iedereen ook wel begrijpen dat de familie van Mosjé, de Levieten, zo’n voorname plaats innamen
Maar toen ze in de woestijn Paran aankwamen, vielen er vrij veel doden bij de verschillende zondige incidenten. Toen het volk ook nog meeging met de verspieders, heeft Mosjé niet meer voor hen gedawwend (gebeden) en moest iedereen sterven in de woestijn. Velen stierven of zouden nog sterven bij dit drama. Iedereen voelde zich vreselijk depressief. Toen greep Korach de gelegenheid aan om in opstand te komen tegen Mosjé. Een deel van het volk ging met hem mee, omdat ze zouden sterven in de woestijn en omdat Mosjé Rabbenoe zijn belofte dat hij hen zou brengen naar een land van melk en honig niet gestand had gedaan. Degenen die in opstand kwamen, waren vooral de eerstgeborenen. Ze voelden zich ook nog aangetast in hun kowed (eer) omdat zij hun speciale status hadden verloren. Daarom zei Mosjé Rabbenoe: “Neem de vuurpannen, zoals jullie vroeger gewend waren bij de offerdienst en we zullen zien wie G’d zal uitkiezen als Zijn kohaniem”.
De Talmoed (B.T. Sanhedrien 110a) stelt: “Iedereen die het oneens is met zijn Rebbe wordt het aangerekend alsof hij het oneens is met de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid, zoals er geschreven staat “toen zij in opstand kwamen tegen G’d” bij de episode van de opstand van Korach (26:9)”. Rasjie legt uit, dat het Korach en zijn aanhang wordt aangerekend alsof zij direct tegen G’d in opstand kwamen. Het gaat zelfs zover dat de Talmoed stelt, dat “iedereen die zich beklaagt over zijn Rebbe, is alsof hij zich beklaagt over de Sjechina en iedereen, die bedenkingen heeft tegen zijn Rebbe, het wordt aangerekend alsof hij bedenkingen heeft tegen G’d”.

Maimonides neemt dit ook over in zijn codex:”Gelijk iedereen verplicht is om zijn vader te eren en te vrezen, is men ook verplicht zijn Rebbe te eren en te vrezen, zelfs meer dan zijn vader. Dit is zo omdat je vader je alleen op deze wereld brengt, terwijl je Rebbe je Tora leert en je de Olam Haba – de Toekomstige Wereld –  schenkt. De eerbied voor de Rebbe en het ontzag voor de Rebbe is de hoogste vorm van eerbied en ontzag, die we op aarde kennen ”de eerbied voor de Rebbe moet zijn als de kowed voor de Hemel” (Maimonides, Talmoed Tora hfst. 5).

Het Jodendom heeft zolang kunnen standhouden omdat men de verworvenheden van de vorige generaties altijd met eerbied behandeld heeft.

Reacties zijn gesloten.