Parsja Choekat 5772

(Bemidbar/Numeri 19:1-22:1)
CHOEKAT (WET)
: Met de as van de rode koe is het mogelijk rein te worden na contact met een dode. Mirjam sterft. Er is geen water. G’d gebiedt Mosjé tegen de rots te spreken. Mosjé slaat met zijn staf op de rots. Er komt veel water uit. Mosjé en Aharon mogen het Land niet binnen. De koning van Edom wil het volk niet doorlaten en dreigt met geweld; daarom kiest men een omweg. Aharon sterft op de berg Hor. Zijn ambt wordt overgenomen door zijn zoon Elazar. Wederom verzet het volk zich tegen Mosjé, waarna giftige slangen veel slachtoffers maken. Ook hieraan weet Mosjé een einde te maken. De Bné Jisraeel trekken verder de woestijn door. Aangekomen bij het gebied van Sichon, koning der Emorieten, weigert deze doortocht. Na een oorlog neemt Israël het land van Sichon in bezit. Ook Og, koning van Basjan voert oorlog met de joden. Og verliest zijn land aan het volk.

Choekat is de 39e parsja van de Tora, de zesde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Choekat bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 6 open en 4 gesloten zijn, telt 87 pesoekiem, verzen, 1245 woorden, 4670 letters en is hiermee de 40 na langste parsja. Choekat bevat 3 mitsvot, 3 geboden.


Verdieping I: Tora vrijwillig aanvaarden
Mirjam overleed (20:1). Wanneer tsadikiem overlijden geeft dat kapara (verzoening). Daarom volgt het overlijden van Mirjam op de voorschriften van de rode koe, die ook verzoening schenkt. Sommige Chagamiem stellen dat de dood van grote tsadikiem het slechte afwendt. De rampen treffen ons niet. Maar anderen zeggen dat tsadikiem sterven als gevolg van de misdaden van de mensheid. Hun dood brengt verlichting. De diepere bedoeling is dat wij geïnspireerd raken door hun goede daden, hun menslievendheid en hun Tora-inspiratie.

De Joden hadden geen water meer omdat met Mirjams dood ook haar bron opdroogde. Het manna viel in de verdienste van Mosje, de beschermende wolken waren er door Aharon. Waarom was het meest cruciale element water er in de verdienste van een vrouw? Tora wordt vergeleken met water. De vrouw bouwt aan het Tora-gehalte van het Joodse huis. Haar zuiverheid en heiligheid heeft het Joodse huis altijd die fundamenten gegeven die garant stonden voor de Joodse continuïteit.

Mosje moest een staf nemen maar tegen de rots spreken voor de ogen van het volk. De staf bestond uit twaalf verbonden onderdelen en symboliseerde de eenheid van het Joodse volk. G’d zou water geven wanneer gedavvend zou worden voor het hele volk, hoewel er ook veel slechte mensen aanwezig waren. G’d verwerpt een gemeenschappelijk gebed nooit. Praten tegen de rots was ook een les voor alle generaties: als iemand zo hard is als een rots moet hij/zij toch eerst met zachte woorden benaderd worden. Werkt dat niet, dan kan een hardere benadering volgen.

Mosje zei tegen het volk: ’Luistert toch, moriem oftewel: weerspannigen’. Volgens een tweede verklaring van Rasji is `moriem’ een Grieks woord en betekent het: zij die hun leraren willen leren. Een eigenwijs mens meent, dat hij van niemand meer hoeft te leren. Men meent zelfs dat men anderen de les kan lezen.

Waarom gebruikt Rasji een Grieks woord? Omdat er een groot verschil bestaat tussen de Griekse en de Joodse filosofie. Wij stellen dat hoe verder wij van de Openbaring op de berg Sinai afraken, hoe verder wij dalen in spiritualiteit. Maar de Griekse filosoof gaat er van uit dat de mens alleen maar stijgt. Hoe verder in de tijd, hoe technologisch meer ontwikkeld wij zijn. Daarom kan men zijn leraar, uit een vorige generatie, terechtwijzen. De nieuwe generatie weet gewoon meer en is wetenschappelijk sterker.
De straf is hard: Mosje en Aharon mogen het land niet binnen. Wat hadden ze eigenlijk fout gedaan? Misschien moet men de nadruk leggen op ‘voor hun ogen’ (20:8). Mosje moest tegen de rots spreken op een manier die voor iedereen zichtbaar was, zodat iedereen zou inzien dat G’d voor iedereen en alles zorgt. Dat zou zorgen voor een nieuw besef en bewustzijn van het G’ddelijke in de wereld. Het mislukte echter jammerlijk. Dit was een chiloel Hasjeem, ontwijding van G’ds naam.

Abarbanel is van mening dat eerdere zonden van Mosje en Aharon hier culmineerden in het besluit dat zij Israël niet zouden zien. Mosje had al eerder gefaald door verspieders weg te sturen die terug kwamen met een negatieve beschrijving van het land Israël. Aharon had subtiel meegeholpen aan het maken van het gouden kalf. Mosje en Aharon waren niet eerder tot de orde geroepen. Maar hier werd duidelijk, dat zij zouden sterven met de hele generatie in de woestijn. Daarom zei G’d later ook dat zij Zijn naam niet hadden geheiligd en geëerd. Door de bestraffing van Mosje en Aharon werd G’ds naam geëerd. Het toont dat niemand boven de wet staat. Niemand heeft het recht om te zondigen. G’ds naam wordt met name geëerd door degene die Hem het meest nabij zijn (Vajikra 10:3).

Verdieping II: Concentreer je op G’d
Na de plaag met de giftige slangen vanwege de klachten over het Manna “zei G’d tot Mosje: maak u een giftige slang en plaats haar op een stang. Wanneer ieder, die gebeten werd, haar zal zien, zal hij leven. Mosje maakte een koperen slang, plaatste haar op een stang; als de slang iemand gebeten had, dan keek hij intensief naar de koperen slang en bleef hij leven” (21:8-9).

Deze koperen slang van Mosje werd in de loop van de geschiedenis verafgood. In de tijd van de goede koning Chizkia werd de koperen slang vernietigd omdat men wierookoffers bracht voor dit koperen beeld (Koningen II: 18: 3-4). De koperen slang werd voor sommigen zwarte magie. De grens met het toelaatbare werd overschreden.
Brede of enge werking?

Wat was de werking van de koperen slang? Er staat twee keer hetzelfde maar net iets anders.
1. Eerst staat er `ieder, die gebeten werd, zal leven’.
2. Daarna staat er `als de slang iemand gebeten had, dan bleef hij leven’.
Het lijkt er op, dat de koperen slang een bredere genezende werking had dan alleen slangebeten.
1. In de eerste zin staat geschreven, dat iedere gebetene, die de koperen slang zag, genas.
2. Maar in de tweede zin staat, dat wanneer iemand door een slang gebeten werd, hij intensief naar de koperen slang moest kijken om te genezen.

Rasji legt de verschillen tussen de zinnen uit:
1. “De eerste zin spreekt over iemand die door een hond of ezel werd gebeten. Er is een verschil tussen de beet van een hond of ezel en de beet van een slang. De beet van een slang doodt snel. Daarom staat in de eerste zin ‘er naar kijken’. Een enkele blik was voldoende.
2. Maar bij de beet van de slang moest men intensief kijken. Een slangenbeet genas moeizamer.
Maar kon een koperen slang dan dood of leven veroorzaken, vragen onze Wijzen? Natuurlijk niet. Maar wanneer de Joden zich bij het zien van de slang op G’d concentreerden, onderwierpen zij zich aan hun Vader in de hemel, en genazen ze. Zo niet, dan kwijnden ze weg”.

Geen zwarte magie genezing
Maar waarom vindt Rasji dat hier ook gesproken wordt over mensen, die door andere dieren gebeten zijn?
Rabbi Avigdor Boncheck verklaart dit. Om uit te leggen waarom niet alleen de slangenplaag bezworen werd, maar ook andere aandoeningen, citeert Rasji een wat meer filosofische verklaring uit de Talmoed. Daarin legt hij uit dat het hier geen zwarte magie betrof. Dat is verboden door het Jodendom. De koperen slang was alleen maar een middel om onze aandacht te richten op de GeneesHeer der wereld, Die als Enige alle vlees heelt.

Gebeden werken algemeen
Waarom gaat het hier over het gebed? Omdat hier vlak voor gesproken wordt over davvenen. Na klachten over het manna stuurde G’d giftige slangen. Velen stierven. Toen kwam het volk bij Mosje. Zij gaven toe dat zij gezondigd hadden, omdat zij gesproken hadden tegen G’d en Mosje. Hun verzoek luidde: “Bid tot G’d, dat Hij de slangen verwijdert. Mosje davvende voor het volk”. Dit vers staat vlak voor de opdracht van de koperen slang. Maar als de mensen tot G’d willen davvenen, waarom geeft G’d hen dan de opdracht om zo een heidens aandoende slang te maken?

Abstracties zijn moeilijk
Avraham introduceerde niet alleen het monotheïsme maar ook het begrip van een niet fysieke G’d, Die de hoogste abstractie vormt, het toppunt is van niet-lichamelijkheid. Toen G’d zich openbaarde “zagen we geen beelden” (Devariem 4:15). Toch kan niet iedereen zo abstract denken. Wij zijn gebonden aan onze zintuigen. Abstracte ideeën zijn moeilijk. Wij kunnen er niets bij voorstellen.

Tastbar Misjkan
Dit werd duidelijk na de zonde van het gouden kalf. Het volk wilde een “god die voor hen uitging”. Daarom kregen de Joden ook een tastbaar Misjkan (Tabernakel). Maar het mag niet meer zijn dan dat. Alle tastbare symbolen van het Jodendom wijzen op iets hogers, iets spiritueels. Wil men zich concentreren op het hogere dan moet men iets tastbaar hebben als springplank naar de abstracte wereld. De koperen slang richtte de ogen van het volk op G’d. Gebeden werken algemeen. Daarom staan hier meer aandoeningen dan alleen slangenbeten.

Reacties zijn gesloten.