(Dewariem/Deuteronomium 3:23 – 7:11)
WE-ETCHANAN (en ik smeekte): Mosjé smeekt toch het Land te mogen binnentrekken maar G’d weigert dat. Hij kan op de top van de berg Pisga het Land aanschouwen en hij zal Jehosjoe’a aanmoedigen. Mosjé herinnert het volk aan de Openbaring op de berg Sinaï, die voor de hele natie bestemd was. Er mag aan de Wet niets toegevoegd of afgenomen worden. Voorschriften moeten iedere generatie opnieuw overgedragen worden. Mosjé geeft een overzicht van de Tien Geboden en draagt op de Wet strikt na te leven: hebt ontzag voor G’d. Mosjé onderwijst Sjema, de centrale gedachte dat er slecht één G’d is. Bezondig je niet aan G’ds verboden, ga geen huwelijken aan met de inwoners van het Land en vernietig hun afgodische hoogten. Want de Bné Jisraëel zijn aan HaSjeem gewijd, ze mogen niet spiritueel vervallen en hun bijzondere opdracht vergeten. Mosjé voorspelt dat de Bné Jisraëel tot zonden zullen vervallen en dan verstrooid zullen worden onder de volkeren, maar uiteindelijk zullen terugkeren.
Va’etchanan is de 45e parsja van de Tora, de tweede van het vijfde Tora-boek, dat Devariem heet. Parsja Va’etchanan bestaat uit 21 parsjiot, afdelingen waarvan 5 open en 16 gesloten zijn, telt 122 pesoekiem, verzen, 1878 woorden, 7343 letters en is hiermee de 17 na langste parsja. Va’etchanan bevat 12 mitsvot, waarvan 8 ge- en 4 verboden. Deze Sjabbat heet Nachamoe naar de haftara.
VERDIEPING I: SJEMA JISRAEEL: MONOTHEïSME
Twee maal daags zeggen wij met liefdevolle overgave Sjema. Voorafgaand aan het staande sjemonee esree, 18-gebed in de ochtend zeggen we de speciale beracha (dankzegging), dat Hasjeem Zijn keuze op Zijn volk Jisra’eel heeft bepaald in liefde. Voorafgaand aan het sjemonee esree ‘s avonds zeggen wij in de laatste dankzegging voor Sjema, dat de Eeuwige van Zijn volk Jisra’eel houdt.
En hoe uit zich die liefde? Wij zeggen: ‘hoor, Israël, de Eeuwige is onze G’d, de Eeuwige is EEN.’ En hoe houdt G’d van ons? Zoveel als wij van Hem houden: ‘Je moet van de Eeuwige je G’d houden met heel je hart, heel je ziel, en heel je vermogen.’ Als wij ons in Hasjeem laten opgaan, zal Hasjeem ons vervullen. Alles wat we nodig hebben, is een hart en een nesjomme. Die hebben we gekregen. Dat zijn de elementen die ons tot mens maken. Het is het vermogen om Hasjeem te zoeken en te vinden, dat ons richting geeft. Daarom zeggen we Sjema tweemaal daags, om warm, aanwezig en scherp te blijven.
Maimonides zegt in zijn More Newoechiem, de “Gids voor de Dwalenden” dat het pas na jaren geconcentreerde aandacht van het zeggen van Sjema misschien mogelijk is de G’ddelijke aanraking, de Sjechina te voelen. Het bestaat. We moeten het alleen nog leren. We moeten leren, wat we ooit hoorden aan de voet van de berg Sinaï. We komen hier het dichtste bij door te leren. In een ongebroken lijn is de Tora ons overleverd tot op heden. Onze rabbijnen hebben het van hun rabbijnen geleerd, die het weer van hun rabbijnen hebben geleerd, tot aan Mosjé Rabbenoe, onze grote leraar.
In Sjema (Devariem 6:4 e.v.) staat dat we G’d moeten liefhebben met geheel ons hart, geheel ons leven en geheel ons materiële vermogen. Dit wordt in de Talmoed als volgt uitgelegd: “Met heel uw hart” betekent: met uw beide neigingen. De mens heeft zowel een ‘jeetser tov’, een sterke spirituele inslag als een ‘jeetser ra’, een aardse neiging, die erop uit is zoveel mogelijk materieel gewin te maken. Ook met het laagste instinct moeten we G’d dienen. Al ons materiële streven moet uiteindelijk weer worden gericht op het Hogere.
“Met heel uw ziel” betekent dat wij G’d overal moeten volgen, ook wanneer dit levensgevaarlijk is. Eeuwenlang hebben wij geloofsvervolgingen moeten ondergaan. Velen waren erop uit om ons te bekeren tot hun geloof. Meestal weerstonden de Joden deze verleiding en waren ze bereid om zelfs hun leven te geven om maar niet te hoeven buigen voor de symbolen van andere geloven.
“Met heel uw vermogen,” betekent dat we inderdaad alles wat wij hier op aarde verdienen zoveel mogelijk moeten wijden aan het Opperwezen. Zelfs de meest aardse bezigheden kunnen in dienst staan van G’d. Wanneer men bij het eten stelt dat men dit lesjeem Sjamajiem – voor G’d – doet, wordt het gehele spijsverteringproces dienstbaar aan een hoger doel. Hierdoor verheft zich bijvoorbeeld de hele voedselketen van melkfabriek tot de fles melk op tafel, van koe tot boter, boven het gewone aardse en het dagelijkse. Het wordt in een heilige sfeer geplaatst. Dat is overigens de hele bedoeling van de Tora: verheffing van het aardse.
Ee-l Melech Ne’eman
Voor het reciteren van Sjema zegt men Ee-l Melech Ne’eman. Dit betekent: ‘G’d is een betrouwbare koning’. Deze woorden worden toegevoegd aan Sjema omdat Sjema in totaal 245 woorden heeft. Samen met deze drie extra woorden telt Sjema 248 woorden, het aantal dat exact correspondeert met het aantal ledematen in het menselijke lichaam en het aantal geboden in de Tora. Ons bestaan is alleen mogelijk doordat wij de geboden van de Tora aanvaarden en praktiseren.
Volgens de Midrasj Tanchoema heeft Sjema ook een beschermende functie: “Wanneer men Sjema met 248 woorden met goede aandacht leest, zal G’d elk orgaan bewaken. U houdt mijn woorden in acht, dan zal Ik ook uw lichamelijk welzijn bewaken.” Volgens anderen moet men in Ee-l Melech Ne’eman lezen: “Hasjeem was God voor de schepping, is Koning over de schepping en is vertrouwenswaard om de doden in de tijd van de Messiaanse verlossing te doen herleven.”
Eén-verklaren
Door het Eén-verklaren van G’d aanvaarden wij G’ds absolute heerschappij: ‘Kabbalat Ol Malchoet Sjamajiem’. Elk aspect van ons bestaan is onderworpen aan Zijn wil. Er zijn echter ook nog veel andere verklaringen voor Sjema. Sommigen lezen: “Weet, Israël, dat Hasjeem, onze G’d, de Enige G’d is.” Anderen lezen het als een geloofsverklaring: Hasjeem alleen is onze G’d en we hebben geen goden naast hem. Hasjeem is Één, alleen Hem mag men dienen. De letters ajien en dallet van Echad zijn groot geschreven omdat wij met het uitspreken met Sjema getuigen van de Eénheid van G’d. ‘Eed’ in het Hebreeuws is ‘getuige’ in het Nederlands.
Sjema en de tien geboden
Als we Sjema Jisra’eel Hasjeem Elokenoe uitspreken, denken we aan het eerste gebod: “Ik ben de Eeuwige uw G’d.” Als we Hasjeem Echad uitspreken denken we aan het tweede van de tien geboden waarin staat dat we geen andere goden mogen dienen. Wanneer wij “u zult uw G’d liefhebben” uitspreken denken we aan het gebod de Naam van G’d niet klakkeloos uit te spreken. Want wie werkelijk van de Koning houdt, zal niet vals bij Zijn Naam zweren. Wanneer wij de woorden “opdat jullie zullen herinneren en al Mijn mitsvot uitvoeren” uitspreken, denken we aan het gebod om de Sjabbat te houden, want Sjabbat weegt op tegen de hele Tora. Bij de woorden “opdat u lang zult leven op de aarde die G’d u geeft” denken we aan het gebod onze ouders te eren, waar ook gerefereerd wordt aan een lang leven door navolging van de eerbied voor vader en moeder. In Sjema staat “u zult snel vernietigd worden”, dat slaat op het gebod U zult niet doden, want wie doodt zal gedood worden.
“U zult uw hart en uw ogen niet volgen” verbiedt ons om overspel te plegen: de ogen zien en het hart verlangt. “U zult uw graan binnenhalen”. Dit wil zeggen: “uw eigen graan”, en niet dat van uw buren. Dit is het verbod op diefstal. “De Eeuwige, jullie G’d is waarheid” slaat op het gebod geen valse getuigen te nemen. “Je zult ze schrijven op de deurposten van je huis” staat tegenover het gebod niet andermans bezit te begeren. Een mezoeza is verplicht op het eigen, niet op andermans huis.
1-8-4
“G’d is Eén” betekent dat er niemand buiten Hem is en dat bovendien Zijn bestaan uniek is. Bij het uitspreken van het woord Echad moet men de letter E niet uitrekken: de alef staat voor Eén en representeert de Eénheid van G’d. Bij het langgerekte uitspreken van de chet (getallenwaarde 8) bedenkt men dat G’d heerst over de aarde en de zeven hemelen. Bij het uitspreken van de dallet (getallenwaarde vier) moeten we bedenken dat G’d heer en meester is in de vier windrichtingen.
De dallet wordt groot geschreven omdat het de getallenwaarde vier heeft, wat G’ds uniciteit benadrukt. Er bestaan volgens de 16e-eeuwse Italiaanse verklaarder Sforno drie lagere niveaus van leven: aardse materie, flora en fauna. Deze kunnen sterven en ontbinden. Daarnaast bestaan de hemelse sferen. Het derde niveau wordt gevormd door het leven van de Engelen. G’d staat daar onvergelijkbaar boven. G’d is ver verheven boven alles wat Hij geschapen heeft. De grote ajien duidt aan dat het een goede zaak is onze ogen (ajien = oog) wijd te openen en deze verheven materie tot ons te nemen.
