Parsja Re’ee 5772

(Dewariem/Deuteronomium 11:26 – 16:17) 

Re’ee (Zie): Als HaSjeem de Bné Jisraëel het Land binnenbrengt moet de zegen worden uitgesproken bij de berg Geriziem en de vloek bij de berg Ebal. Alle afgodstekenen in het Land moeten vernietigd worden. HaSjeem zal een plaats bestemmen voor alle rituele handelingen, die nergens anders mogen plaatsvinden. Er mag binnen de poorten vlees gegeten worden, maar het bloed niet, want dat is de zetel van het leven. De Tora is volmaakt; er mag niets van weggelaten worden en niets aan worden toegevoegd. Voorts een waarschuwing tegen valse profeten; ook tegen hen die vreemde goden achterna willen gaan. Het is absoluut verboden kinderen te offeren. Aan de Levieten en aan de armen moeten op vastgestelde tijden tienden verstrekt worden. De dieren, die wel en die niet gegeten mogen worden, worden genoemd. Sommige gaven die men wil brengen naar het Heiligdom kunnen, als vervoer te moeilijk is, tegen geld gelost worden, zodat men in Jeroesjalajiem met dat geld kan kopen wat men wil.

Na afloop van een zeven-jaren-cyclus moeten schulden kwijtgescholden worden, een vreemde mag je aanmanen. Slaven moet je in het zevende jaar vrijlaten en overladen met geschenken laten gaan, want je bent zelf slaaf geweest. Wil hij niet gaan, dan wordt zijn oor doorpriemd. De eersteling van het vee moet aan G’d gewijd worden indien het dier gaaf is. Een aantal bepalingen van Pesach, Sjawoeot en Soekot wordt herhaald.

Re’ee is de 47e parsja van de Tora, de vierde van het vijfde Tora-boek, dat Devariem heet. Parsja Re’ee bestaat uit 20 parsjiot, afdelingen waarvan 5 open en 15 gesloten zijn, telt 126 pesoekiem, verzen, 1932 woorden, 7442 letters en is hiermee de 7 na langste parsja. Re’ee bevat 55 mitsvot, waarvan 17 ge- en 38 verboden.

VERDIEPING I: Broodnijd en tsedaka (liefdadigheid)
Tsedaka staat centraal deze week. Veel nijd is broodnijd. Tsedaka helpt onze jaloezie te boven te komen. De tranen springen je in de ogen als je leest hoe Abba Joedan met zijn medemensen omging. Zijn enige zorg was andermans parnose, levensonderhoud. Narratieve theologie, zoals dat tegenwoordig heet.
Rabbi Jehosjoe’a en Rabbi Akiwa (1e eeuw na) trokken er eens op uit om een grote som geld te verzamelen voor de armen. Ze kwamen in de buurt van Antiochië, de plaats van de bekende Abba Joedan, die altijd enorme bedragen aan tsedaka gaf. Toen Abba Joedan zag dat de geleerden arriveerden, werd hij bleek van schaamte en verdriet. Hij had al zijn geld verloren en kon deze keer geen cent bijdragen. Zijn vrouw schrok zich wezenloos toen ze haar man zo bleek zag en vroeg naar de oorzaak. “De Chagamiem, Wijzen bezoeken onze stad en ik kan geen dubbeltje tsedaka geven”.
Z’n vrouw, die nog veel vrijgeviger was dan haar man, adviseerde toen: ”Weet je wat? We verkopen de helft van het overgebleven veld en geven hun dan het geld”. Toen de geleerden het geld aannamen, gaven ze hem een zegen: “moge G’d jouw verliezen vergoeden!”.
Enige tijd later viel zijn koe in een gat bij het ploegen. Ze brak haar poot. Terwijl Abba Joedan zich over haar heen boog, maakte hij zich geen zorgen: “Alles wat G’d doet is goed”. Terwijl hij de koe verzorgde zag hij in het gat een schat liggen. Hij begreep dat dit z’n beloning was. Toen de geleerden bij de volgende reis weer bij hem in de buurt waren, vroegen zij rond over Abba Joedan hoe hij het maakte. Zijn stadsgenoten zeiden dat hij weer fabelachtig rijk was. Abba Joedan kwam de Geleerden tegemoet en zei hen: ”Jullie gebeden hebben enorm geholpen. G’d gaf mij niet alleen mijn vroegere fortuin terug maar heeft mijn vermogen met meer dan ik ooit had, gezegend”. Zij antwoordden toen: ”Jouw succes is te danken aan je eigen liefdadigheid. Omdat je altijd zoveel tsedaka gaf, heeft G’d jou al dit succes waardig geacht.”
Kijk daar haal ik mijn inspiratie vandaan. “Een genereuze gift voor tsedaka zorgt dat de parnasa (het levensonderhoud) vermeerderd wordt” (Spreuken 18:16). En zo heeft iedereen er wat aan. Niet alleen de eigenaar. Altruïsme verandert de wereld.

VERDIEPING II: HET VERDELEN VAN TSEDAKA
Het belangrijkste doel van tsedaka is het ondersteunen van behoeftigen.
Maimonides beschrijft acht verschillende niveaus bij het uitdelen van tsedaka waarbij niet alleen op fysieke nood gelet wordt. De Joodse geleerden toonden ook veel begrip voor de psychische toestand van hulpbehoevenden. Consideratie voor behoud van het gevoel van eigenwaarde en waardering voor het streven naar (economische) zelfstandigheid leidden tot formulering van de volgende richtlijnen:
* 1. Het meest prijzenswaardig is degene, die een arme reeds helpt wanneer hij nog niet behoeftig is maar dit dreigt te worden door hem enig kapitaal af te staan om een eigen onderneming te starten met winstrecht voor de geldschieter, hem een lening toe te staan, hem een betrekking binnen het eigen bedrijf aan te bieden of een andere vorm van werkverschaffing om hem in de gelegenheid te stellen in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zodat hij verdere hulp van anderen kan ontberen.
Over deze groep donateurs zegt de Tora (Lev. 23:35): `Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden (hij is dus nog niet geheel verpauperd) dan zult u hem – vreemdeling en burger – ondersteunen, opdat hij bij u in leven blijve’. Zo hoeft de ontvanger zich niet beschaamd te voelen. Het aanbieden van een compagnonschap verdient de voorkeur boven het verstrekken van een lening omdat een debiteur vanwege het renteverbod profiteert van het vermogen van de crediteur, zonder dat hij hiervoor enige tegenprestatie ontvangt. Bij het aanbieden van een compagnonschap hoeft de ontvanger helemaal geen schaamtegevoelens te koesteren omdat beiden hier voordeel bij kunnen hebben.
* 2. Iets minder lovenswaardig is de donateur, die tsedaka doneert maar de identiteit van de begunstigde niet kent terwijl ook de begunstigde de donateur niet kent. Degene, die een gift doet aan een liefdadigheidsfonds, benadert dit ideaal. Men mag overigens slechts bijdragen aan fondsen waarvan men zeker is, dat het bestuur betrouwbaar is en weet hoe op halachisch verantwoorde wijze met de ter beschikking gestelde middelen om te gaan.
* 3. In de derde categorie valt de donateur, die de begunstigde kent terwijl de begunstigde niet op de hoogte is van de identiteit van de donateur.
Grote geleerden hadden de gewoonte om op steelse wijze geld te deponeren bij de deur van arme mensen. Dit is zeker een waardige praktijk en als zodanig aanbevelenswaardig in het geval dat het bestuur van de tsedaka-kas niet op de hoogte is van de geldende regels bij de uitdeling. De arme hoeft zich niet te schamen, omdat hij de donateur niet kan identificeren.
* 4. De volgende categorie vormt het geval, waarin de begunstigde de donateur kent maar de donateur niet weet wie de begunstigde is. Sommige geleerden hadden de gewoonte om geld in een zakdoek te wikkelen en het over hun rug naar de armen te werpen. Ook deze wijze van tsedaka-afdracht spaart de gevoelens van de armlastigen.
* 5. Daarna komt degene, die de arme tsedaka van hand tot hand geeft nog voordat hij erom gevraagd wordt.
* 6. Daarna degene, die de arme naar behoren geeft nadat de arme hem hierom verzoekt.
* 7. In de zevende categorie valt degene, die minder geeft dan eigenlijk passend zou zijn geweest maar dit op een aangename wijze doet.
* 8. In de laatste en laagste categorie van tsedaka-uitdeling valt degene, die op een onplezierige wijze geld afstaat aan de armen.
Men moet tsedaka geven met een vriendelijk en verheugd gezicht en met een blij gemoed. Tevens moet men de arme troosten in zijn ellende; als men de arme geeft met een onplezierige, verdrietige of woedende uitdrukking op het gezicht, verliest men de verdienste van de mitswa, gebod van tsedaka. Als een arme iets vraagt en men kan niets geven, mag men hem geen standje geven of hem schreeuwend of verwijtend tegemoet treden; men moet proberen hem te overtuigen, dat men wel wil geven maar op het ogenblik niets heeft. Het is goed een kleine gift te doen, voordat men gaat dawwenen, bidden.

VERDIEPING III: Naastenliefde in een multiculti omgeving
“Zie! Vandaag leg ik jullie zegen en vloek voor: de zegen, als jullie luisteren naar de geboden van Hasjeem, jullie G’d die Ik jullie vandaag voorschrijf; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van Hasjeem, jullie G’d en afwijkt van de weg, die ik u vandaag gebied, om andere goden na te lopen” (11:26-28).

Zijn wij ook in onze prive sfeer verantwoordelijk voor onze omgeving? Hoe kunnen we leren onze buren en medemensen te waarderen? Dat staat aangeduid in het begin van de parsja.
Re’ee, zie, staat in het enkelvoud. Maar de pasoek, vers gaat verder in het meervoud: lifneechem (voor jullie). Rabbi Efraim Luntshits, auteur van de Klie Jakar, verbindt deze `switch’ met de befaamde uitspraak van onze Wijzen, dat `we te allen tijde de wereld met ons spirituele oog moeten bekijken alsof deze exact in balans is, voor de helft zechoejot – verdiensten – en voor de andere helft awonot (zonden)’ (B.T. Kiddoesjien 40b).
In de openingspasoek wordt de enkeling aangesproken op zijn verantwoordelijkheid voor de Klal – het geheel van de gemeenschap. Onze privé aangelegenheden gaan in feite iedereen aan. Deze gedachte wordt juist hier benadrukt omdat we zo meteen overgaan naar de mitsva van Har Geriziem en Har Eval, waar `heel Israel voor elkaar verantwoordelijk werden’.

Alles wat de Tora hier propageert, druist in tegen de normen en waarden van onze cultuur. Over het algemeen stelt onze omgeving, dat wat iedereen privé doet, hij of zij maar voor zichzelf moeten uitmaken. Dat gaat niemand anders wat aan. Zo is het inmiddels zelfs wettelijk geregeld. Dit is te begrijpen in een multi-culturele samenleving, waar honderden zeer uiteenlopende levensvisies op enkele duizenden vierkanten kilometers gemoedelijk moeten zien samen te wonen. Het Joodse volk wordt echter geacht een veel grotere eenheid te vormen omdat ze ook een gedeelde levensvisie en een gemeenschappelijk doel hebben.

Liefde voor de medemens
“De beracha (zegen) wanneer je zult luisteren’: bij de vloek staat dat die geldt wanneer men niet luistert en afwijkt van de weg (dwz. ook verkeerd handelt). Maar de beracha krijgen we al wanneer we alleen luisteren want ook bij enkel een `goede gedachte en wil wordt het al aangerekend alsof men de goede daad, die men zich had voorgenomen, heeft uitgevoerd’.
Zo leren we ook onze medemens, die op dit moment misschien nog niet veel goeds doet maar wel die positieve intenties heeft, veel meer waarderen.

VERDIEPING IV:
“Kinderen zijn jullie voor Hasjeem. Maakt geen onderscheid” (14:1).
Deze prachtige kernachtige zin uit mijn barmitswa-sidra is mijn levensleidraad geworden. Helaas is er nog veel te doen aan de onderlinge verdraagzaamheid. Groot is het gemis aan een gezamenlijke religieuze beleving maar nog veel groter is het gebrek aan tolerantie. Onze Wijzen wisten het al 2000 jaar geleden. De eerste Tempel werd vernietigd vanwege de drie hoofdzonden afgoderij, moord en incest. Na 70 jaar stond de tweede Tempel er al weer.
Maar de tweede Tempel werd verwoest door de onberedeneerde haat tussen de Joden. Er werd veel gelernd en veel tsedaka gegeven. Liefdadigheid was vanzelfsprekend. Toch bestond er veel ongefundeerde jaloezie. Gewoon haat om niks! Ongelooflijk maar waar. We maken het zelf nog steeds dagelijks mee. Waar een groot volk kleinzielig in kan zijn. Hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen? Arrogantie en onbescheidenheid. Een gebrek aan het gevoel, dat we allemaal kinderen zijn van Een Sof, een Oneindige G’d, die het allemaal wel overziet.
Meer dan alleen geloof
Pas als we bereid zijn naar elkaar te luisteren en invoelend met de ander kunnen meegaan, is er hoop op verbetering. Maar daar is meer dan alleen geloof in G’d voor nodig. We moeten ook begrijpen, dat ieder mens aan ons gelijk is, dat ieder ander ook een stukje G’ddelijkheid is en heeft. Intermenselijke verschillen benadrukken alleen maar de grootheid van Hasjeem.

HAFTARA: Jesjaja 54 & 55
“Als al je kinderen worden onderwezen door Hasjeem, G’d, zal rust en vrede hun deel zijn; tsedaka (gerechtigheid en liefdadigheid) zal je fundament zijn.
Je zal niets meer vrezen” (54:13-14). Zowel in de parsja als in de haftara wordt tsedaka geroemd. Het is een van de eisen voordat de Verlossing door de Masjieach gerealiseerd kan worden.
Alles wat met Tsedaka (liefdadigheid) te maken heeft, staat met dubbele woorden beschreven, zoals ‘Aseer Te’aseer, Naton Titeen, Patoach Tiftach (vertienen, vertienen zal je, geven geven zul je, je hand zul je dubbel en dwars openen) etc. Daarom staat ook de beloning met dubbele termen beschreven: Bareech Jevarechecha (G’d zal je zeker zegenen).
Veel aspecten van Tsedaka zijn duaal: geven doe je met de hand maar een aardig woord – wat daarbij onmisbaar is – gebeurt mondeling. Zo wordt ook de uitspraak van onze Wijzen (B.T. Berachot 8b) uitgelegd, die stelt, dat voor men gaat davvenen (bidden) men ‘eerst de maat van twee deuren (openingen) moet wachten’.
Rabbi Efraim Luntschits (1550-1619) legt uit, dat dit de basis vormt voor de raad, dat men voor het davvenen eerst wat Tsedaka geeft. Twee openingen slaat dan terug op Patoach Tiftach – opening van de hand en opening van het hart. Ook hierbij geldt, dat wanneer wij medelijden hebben met onze medemensen Hasjeem, G’d, erbarmen met ons heeft. De interactie tussen de mensen weerspiegelt zich in de wisselwerking tussen de mens en Hasjeem.
Een andere verklaring voor de dubbele terminologieën bij Tsedaka luidt, dat ‘van het een het ander komt’. Gelijk de ene mitsva de andere veroorzaakt – en hetzelfde geldt helaas ook voor het kwade in de wereld – zo geldt ook bij Tsedaka dat de ene gift de andere gave opwekt. Als het ons gelukt is een maal te geven zal het de volgende keer een stuk makkelijker zijn. Patoach Tiftach – blijf geven. Geven roept een kettingreactie van goedheid en positiviteit op.

De Ba’al HaToeriem wijst ons nog op twee andere betekenislagen van de dubbele terminologie. Niet al het geven mag gelijk zijn. Men moet letten op de individuele verschillen en behoeften – en niet blind aan iedereen hetzelfde geven ongeacht zijn of haar situatie. Ook hier komt de emotionele betrokkenheid weer naar voren. Tsedaka is meer dan alleen maar ‘een girootje uitschrijven aan een verder onbekend doel’. Het is ook een ‘harteplicht’. Bovendien hoeven we niet alleen maar te wachten tot de arme bij ons aan de deur komt. Wij kunnen ook naar hem toe gaan als hij zich schaamt om bij ons aan te kloppen. Patoach Tiftach: breng het van jouw Petach (deur) naar zijn Petach als dat nodig is.

Reacties zijn gesloten.