Parsja Kie Teetsee 5772

(Dewariem/Deuteronomium 21:10-25:19)
Kie Teetsee (als je uittrekt): Als een vrouw krijgsgevangene wordt gemaakt en een man begeert haar, dan zijn er tal van bepalingen over een huwelijk met haar. Als een man twee vrouwen heeft en hij houdt van de ene wel en van de andere niet, dan moet hij toch de eerstgeborene van de vrouw van wie hij niet houdt, een dubbel erfdeel toekennen. Een zoon die onverbeterlijk slecht is, kan door zijn ouders bij de oudsten van de stad gebracht worden om gestenigd te worden. Een gehangene moet dezelfde dag begraven worden. Een gevonden voorwerp moet aan de eigenaar teruggegeven worden. Mannen en vrouwen mogen niet kleding van het andere geslacht dragen. Een vogelnest mag je pas leeghalen als je de moeder hebt weggejaagd. Een dak moet een borstwering hebben en tweeërlei zaad mag je niet zaaien. Men mag niet met tweeërlei dieren ploegen en wol en linnen mogen niet in hetzelfde kledingstuk voorkomen. Wetten over seksueel (wan)gedrag worden gedetailleerd genoemd en huwelijksbeletselen worden opgesomd. Reinheid in de legerplaats wordt besproken en de slaaf die redding bij jou zoekt, mag je niet uitleveren. Rente mag je niet van je broeder vragen, wel van een vreemde. Geloften moet je volbrengen; beter is het geen geloften op je te nemen. Scheiding is mogelijk; de man moet zijn vrouw dan een scheidsbrief geven. Een pas getrouwde man is vrij van militaire dienst om zijn vrouw gelukkig te maken. Kidnapping wordt met de dood bestraft. Er worden regels voor pand-geven en –nemen vermeld. Ouders en kinderen kunnen niet voor elkaar bestraft worden en van de oogst moet je wat achterlaten voor de vreemdeling, de weduwe en de wees. De rechtspraak moet eerlijk zijn. Het zwagerhuwelijk wordt uit de doeken gedaan. Gewichten en maten moeten eerlijk zijn. Onthoud het gebod Amalek van onder de hemel weg te vagen.

Ki Teetsee is de 49e parsja van de Tora, de zesde van het vijfde Tora-boek, Devariem. Parsja Ki Teetsee bestaat uit 44 parsjiot, afdelingen waarvan 2 open en 42 gesloten zijn, telt 110 pesoekiem, verzen, 1582 woorden, 5856 letters en is hiermee de 26 na langste parsja. Ki Teetsee bevat 74 mitsvot, waarvan 27 ge- en 47 verboden.

Verdieping I: Dienstplicht in Tenach
Oorlog en vrede staat deze week centraal. In de Israelische politiek staat de collectieve dienstplicht nu in het brandpunt van de belangstelling. De Tora heeft liever een klein, select leger van G’dvrezende militairen. In het boek Richteren (hoofdstuk 7) vinden wij hiervan een treffend voorbeeld. Nadat G’d Gideon opdracht had gegeven om de strijd aan te binden met de Midjanitische verdrukker, vertelde Hij hem: “Je leger is Mij te groot om Midjan in hun handen over te leveren, opdat de Joden niet trots zullen menen, dat zij door hun eigen kracht hebben overwonnen. Zeg daarom tegen je mannen: “Hij die angstig is geweest en vreest, moet terugkeren”.

Na deze aankondiging vertrokken 22.000 mannen. Er bleven 10.000 soldaten over. Daarop zei G’d tegen Gideon: “Er zijn nog steeds teveel soldaten. Breng ze naar het water en daar zal Ik ze voor je ‘screenen”. Gideon leidde het volk naar het water en G’d gaf Gideon de volgende instructie: “Verzamel alle mensen die plat op de grond liggen wanneer ze water drinken en stuur de mensen die knielen bij het drinken weg”. Slechts driehonderd mannen hadden zonder knielen water gedronken; alle anderen hadden hun knieën gebogen. G’d zei toen:“Ik zal de overwinning brengen door deze driehonderd man omdat zij vrome, oprechte soldaten zijn. Zij die geknield hebben bij het drinken waren er aan gewend om te knielen voor afgoden”.
De politiek van de Tora is anders dan het beleid van de meeste generaals. Dienstweigeraars worden meestal gestraft. De Tora kondigt aan dat alle ongemotiveerde soldaten de slagorden moeten verlaten.

Wanneer het burgerpak verwisseld wordt voor de anonimiteit van een militair uniform, bestaat bij sommigen de neiging om ook over te schakelen op een ander normen- en waardenpatroon. De gebruikelijke sociale beperkingen vervallen in een oorlogssituatie. Het krijgstoneel leidt soms tot een verzwakt moreel besef. Oorlog is nu eenmaal een abnormale situatie, waar andere omgangsregels gelden. De tegenstander is in principe vogelvrij. Op de grens van het land Israël, besteedt de Tora aandacht aan het morele niveau van de Joodse soldaat in zijn bijzondere situatie.

Verdieping II: Draag geen sja’atnez – wol en linnen samen. (Deut. 22:11).
Als wol en linnen worden samengevoegd, in een draad, een lap of een kledingstuk, is het resultaat van deze combinatie sja’atnez. Zelfs het miniemste draadje wol dat verwerkt is in een linnen kledingstuk, of het miniemste draadje linnen dat aan een wollen artikel wordt toegevoegd, leidt tot overtreding van het verbod op sja’atnez. Zelfs als de linnen draad geen essentieel onderdeel vormt van een kledingstuk maar slechts een ondergeschikte functie heeft – b.v. als het gebruikt wordt om een etiket in een wollen kledingstuk te naaien – geldt er nog steeds een verbod van sja’atnez. Onder een combinatie van wol en linnen wordt het naaien, vastbinden, hechten of op enigerlei wijze duurzaam samenvoegen van wol en linnen verstaan. Zoals hierna uitgelegd zal worden, zijn sommige combinaties verboden volgens de Tora, andere door een Rabbinale wet.

De bronnen in de tora voor het verbod van sja´atnez
לא תלבש שעטנז צמר ופשתים יחדו (דברים כ”ב: י”א)
Draag geen sja’atnez – wol en linnen samen. (Deut. 22:11)
ובגד כלאים שעטנז לא יעלה עליד (ויקרא י”ט: י”ט)
Een kledingstuk met sja’atnez mag u niet bedekken (letterlijk: “over u heenkomen” Lev. 19:19).

Uit deze twee verzen blijkt dat het verboden is om een kledingstuk te dragen dat sja’atnez bevat of zelfs zich daarmee te bedekken. De hier bedoelde wol moet afkomstig zijn van schapen of lammeren. Alleen als deze wol gecombineerd wordt met linnen heet de uiteindelijke combinatie sja’atnez. De term `sja’atnez’ in bovenstaande versregels leert ons ook, dat de combinatie alleen verboden is als de wollen en de linnen vezels gekamd, gesponnen en geweven (of gevlochten) zijn. Het woord `sja’atnez’ (שעטנז) werd door de Wijzen als een acroniem uitgelegd en verwijst naar de drie processen kammen, spinnen en weven.
Er bestaan diverse interpretaties van het vereiste, dat wol en linnen gekamd, gesponnen en gevlochten (of geweven) moeten zijn om sja’atnez te worden.
Volgens de meest milde opvatting moeten wol en linnen samen gekamd, samen gesponnen en vervolgens samen geweven worden om het resultaat te verkrijgen dat door de Tora verboden wordt (volgens deze definitie komt sja’atnez tegenwoordig niet veel meer voor volgens de Tora).
Toch volgen veel Asjkenazische autoriteiten de mening, dat zelfs als wol en linnen apart van elkaar gekamd, gesponnen en tot garen gevlochten worden – en pas daarna duurzaam met elkaar verbonden worden – de combinatie toch nog volgens de Tora verboden is.
Uit bovenstaande opvattingen blijkt dat de verboden volgens de Tora alleen opgaan als alle drie handelingen bij vezelfabricatie – het kammen, spinnen en weven (of vlechten) – op wol en linnen zijn toegepast. De meer strikte mening van Maimonides luidt, dat de verboden in de Tora zelfs opgaan als slechts één van deze handelingen is toegepast op wol en linnen. De Sefardische gemeenschap onderschrijft deze mening, evenals sommige Askenazische autoriteiten.

Het rabbinale verbod op sja´atnez
Zoals met vele andere Tora-verboden het geval is, wilden de Wijzen voorkomen dat men onbewust het verbod op sja’atnez zou overtreden. Daarom vaardigden zij uit, dat iedere duurzame combinatie van wol en linnen beschouwd moet worden als sja’atnez. Met andere woorden: alle combinaties van wol en linnen, zelfs zonder te zijn gekamd, gesponnen, gevlochten of geweven, werden door de Rabbijnen verboden.

Het opsporen van sja´atnez
Door de eeuwen heen werden verschillende methoden gehanteerd om de aanwezigheid van óf wol óf linnen in een kledingstuk op te sporen. Ofschoon sommige onderzoeksmethoden vermeld worden in Rabbinale responsa uit de diverse perioden, kon geen van deze opsporingsmethoden volledige zekerheid bieden. In 1650 riep de beroemde Rav Mosje van Wilna, de auteur van Chelkat Mechokek, alle kleermakers van de stad bijeen om hun bekwaamheid te testen bij het opsporen van sja’atnez. Hij liet hen een aantal materialen zien en vroeg hen om vast te stellen welke van linnen waren. Toen geen van de aanwezige kleermakers in staat was om alle materialen correct te identificeren, gaf hij opdracht, dat men alleen nog maar materialen en kleding mocht kopen, die gemaakt waren onder Rabbinaal toezicht.
Vandaag de dag is het onderzoek van wollen en linnen garens beduidend moeilijker dan toen. Linnen kan nu geproduceerd worden als een buitengewoon dunne draad, die veel lijkt op een katoenen of zijden draad. Bovendien vertonen veel andere soorten garens een opvallende overeenkomst met linnen. Dit alles maakt het uiterst moeilijk om de exacte oorsprong van elk stukje materiaal of garen vast te stellen.
Het is dus niet verwonderlijk, dat zelfs de meest betrouwbare kleermakers soms ongewild sja’atnez verwerken in een kledingstuk. Soms komen gevallen voor, waarbij wollen kostuums die gekocht zijn bij kleermakers met een uitgebreide orthodoxe klantenkring, uiteindelijk toch sja’atnez bleken te bevatten. De kleermakers hadden hen te goeder trouw verzekerd, dat de kostuums linnen-vrij waren.
Om iets aan dit probleem te doen, zijn er in de afgelopen jaren sja’atnez-laboratoria opgezet met de goedkeuring van prominente, Rabbinale autoriteiten – in Israël, Amerika, Engeland en elders.
De laboratoria worden bemand door speciaal hiertoe opgeleid personeel dat in de eerste plaats weet waar wol en linnen gebruikt zouden kunnen zijn in kleding en in andere artikelen. Een kostuum kan op wel meer dan zestig plaatsen sja’atnez bevatten. Zij weten ook hoé de aanwezigheid van wol en linnen wetenschappelijk, door middel van microscopische analyse en chemische proeven, vastgesteld kan worden.
Om er zeker van te zijn, dat men het verbod van sja’atnez niet overtreedt, dient men alle `verdachte’ kleding ter inspectie aan één van deze sja’atnez-laboratoria aan te bieden.

HAFTARA: Jesjaja 54: 1-10

Een groot deel van de parsja gaat over alle aspecten van het huwelijk (en echtscheiding). In de haftara wordt hierop doorgegaan in de toekomstige relatie tussen G’d en het Joodse volk. De relatie tussen man en vrouw en de relatie tussen G’d en het Joodse volk lopen parallel. Heiligheid is de link.

“Ik ben de Eeuwige, Uw G’d; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig.” (Lev. 11:44). Het hoogste ideaal van het Jodendom is heiligheid. De middelen om ons leven te heiligen, heeft G’d ons aangereikt: Sjabbat, de feestdagen, de sociale geboden, de riten en symbolen van de Tora, maar vooral de voorschriften die het intieme leven van man en vrouw regelen. G’d verlangt zuiverheid van leven. Bewust leven is een samenspel van denken en handelen. Zuiver leven betekent dus een zuiver denkleven en een zuiver handelingsleven. Om het ideaal van de zuiverheid te benadrukken, kent het Jodendom veel ceremoniën. Zo ook het huwelijk. Deze dag is voor de partners een heilige dag: een moment van bezinning over het verleden en besluitvorming voor de toekomst. Een rituele reiniging in het mikve hoort hier dan ook zeker bij.

Maar wat is dat heiligen? De gezamenlijke aandacht van man en vrouw is niet de relatie zelf maar Hasjeem. Dit wordt als volgt verklaard: het Hebreeuwse woord voor man is Iesj, voor vrouw Iesja. Als tussen man en vrouw het niet Hasjeem, G’d is, die de gezamenlijke inzet schept – niet alleen voor henzelf, maar ook namens hun volk – om de heilige missie te vervullen, dan kan hun relatie omslaan in Eesj – vuur.

De Tora stelt voortdurend dat het Joodse volk een heilig volk is, wier taak het is Hasjeem in de wereld te brengen door het leven te heiligen. Dit heiligen van het leven is een constant proces. Natuurlijk moeten wij de intentie hebben het leven te heiligen maar het heiligen zelf is een activiteit. Zo maken wij actief een onderscheid tussen de dagen van de week en de Sjabbat: we openen Sjabbat met vuur, en we sluiten Sjabbat af met vuur. Ook het tot ons nemen van materiële goederen uit de wereld in de vorm van eten, drinken of kleding – de primaire behoeften – doen wij niet voordat wij het geheiligd hebben. Dit heiligen wil zeggen: er een beracha, een zegenspreuk over zeggen. Deze handelingen zijn uiterlijkheden, die uitdrukking geven aan de innerlijke eigenschap van het heilige. Alleen deze uiterlijkheden van het heiligen maken in deze wereld het innerlijke van het heilige mogelijk.

We moeten de juiste intentie hebben maar bereiken het doel alleen door actief deel te nemen aan het proces zelf. Hasjeem heeft de Sjabbat ingesteld maar wij moeten iedere week de Sjabbat zelf inwijden. Zo maken wij als mens deel uit van de natuur, door de natuur in haar loop te erkennen en te bevestigen als de Schepping. Wij benadrukken enerzijds mens te zijn als onderdeel van de Schepping, anderzijds benadrukken wij G’d als Schepper te erkennen en deze erkenning als onze taak in het leven temidden van een seculiere omgeving tot uitdrukking te brengen.

Reacties zijn gesloten.