Parsja Ki Tavo 5772

(Dewariem/Deuteronomium 26:1 – 29:8)

KI TAVO (als je komt): Als het Land vrucht draagt, moet je de eerstelingen naar het Heiligdom brengen en een verklaring afleggen dat je alles aan G’d te danken hebt, dat je de geboden hebt uitgevoerd en de opgedragen tienden aan de rechthebbenden hebt gegeven. Mosjé stelt nog eens dat G’d een wederzijdse afspraak met de Bné Jisraëel heeft gemaakt: Hij heeft Zich de Bné Jisraëel als volk genomen en het volk zal alle geboden nakomen. Als het volk de Jordaan overtrekt, moeten grote stenen genomen worden die later op de berg Eval geplaatst zullen worden. Op de stenen moet de hele Tora worden geschreven. Er moet op de Eval een altaar gebouwd worden dat niet met ijzer mag worden bewerkt.
Na het overtrekken van de Jordaan moet de helft van de stammen op de berg Geriziem staan en de andere helft op de berg Eval, terwijl de Levieten twaalf (zegeningen en) vloeken reciteren, waarop het volk Ameen moet antwoorden. Mosjé noemt dan de zegeningen die het volk deelachtig zal worden als ze de ge- en verboden in acht nemen, maar als ze dat niet doen dan komen de ergste vervloekingen over hen.

Ki Tavo is de 50e Tora-parsja, de 7e van Devariem, bevat 21 afdelingen waarvan 5 open en 16 gesloten, telt 122 verzen, 1747 woorden, 6811 letters, is de 15 na langste parsja en bevat 6 mitsvot, waarvan 3 ge- en 3 verboden.

Bikoeriem: De mitsva van bikoeriem, het brengen van de eerste rijpe vruchten naar de Tempel in Jeruzalem, staat deze week centraal. De bedoeling was, dat deze mitsva direct zou gelden maar de Talmoed vraagt hoe dat mogelijk was omdat de Bnee Jisrae’eel eerst moesten wachten op de verovering en de verdeling van Israel alvorens te kunnen zaaien en oogsten?!

Het antwoord is dat de bikoeriem gebracht worden onder het motto: “Laat de eerste de eerste brengen aan de eerste op de eerste plaats aan de Eerste van alles”. Het Joodse volk wordt het eerste genoemd. Dit eerste volk moet de eerste vruchten brengen aan de koheen, die de speerpunt in de Tempeldienst vormt. Op de eerste plaats is het Beet hamikdasj, de Jeruzalemse Tempel. Naar de Eerste van de wereld is G’d. Wij tonen dat alles aan G’d toebehoort. De verleiding is groot om de nieuwe oogst direct tot ons te nemen. Maar we laten onze dankbaarheid blijken door deze eerste gaven te offeren aan G’d.

G’d heeft echter niets aan onze vruchten. Vandaar dat de bikoeriem gebracht worden aan de koheen. Tegenwoordig worden de Talmidee Chagamiem, Joodse geleerden, die de religieuze, leidende en onderwijzende functies soms hebben overgenomen, gezien als kohaniem.

Tegenwoordig hebben wij geen Tempel meer en is de mitsva van bikoeriem meer gaan betekenen, dat wij het als onze `eerste plicht’ moeten zien om de religieuze leiding van ons volk te ondersteunen, zowel in geestelijke als in materiele zin, gelijk vroeger aan de kohaniem de bikoeriem werden aangeboden.

“Wanneer je dan in het land dat G-d je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen, moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen” (26:1-2). Onze Wijzen zien een verband tussen het offeren van de bikoeriem en het in bezit nemen en behouden van Israel. Als we de bikoeriem letterlijk en/of figuurlijk brengen, hebben we ons recht op het Heilige Land gevestigd.

“Moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het land dat G-d je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats die G-d zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen (26:2-3).

Het brengen van de bikoeriem naar Jeruzalem herinnert ons eraan dat alles dat wij hier op aarde bezitten van Hasjeem komt. Wanneer wij na het land bewerkt te hebben de eerste rijpe vruchten oogsten, geven wij niet onszelf een schouderklopje voor ons harde werk, maar wenden wij ons eerst tot G-d, die ons met deze rijkdom gezegend heeft.

Pas daarna kunnen wij zelf genieten van de vruchten van ons harde werk. Op deze manier worden wij gedwongen te realiseren dat alles wat wij bezitten uiteindelijk aan G-d te danken is, iets wat wij makkelijk zouden kunnen vergeten wanneer wij zelf hard hebben moeten zwoegen om iets voor elkaar te krijgen.
Hoe makkelijk is het in zo een situatie om te denken dat onze bezittingen onze eigen verdiensten zijn en te vergeten dat G-d in goede én in slechte tijden voor ons zorgt. Deze herinnering dat G-d de Bron van álles is, is één van de redenen voor het brengen van de bikoeriem.

En als je bij de priester gekomen bent, die in die dagen de dienst verricht, moet je hem zeggen”…(26:3)

De `koheen’ wordt door de Targoem (Aramese vertaling) van Jonathan ben Oezieel (1e eeuw) weergegeven als `koheen rav’ wat normaliter `koheen gadol’ Hogepriester betekent. Maar dat kan de bedoeling hier niet zijn. Wellicht bedoelt de Targoem Jonathan hiermee invulling te geven aan bovenstaande idee, dat het geven van een geschenk aan een Talmied Chagam beschouwd wordt als een `korban’, offer. Koheen rav betekent dan een geleerde rabbijn.

Rasji legt hierbij nog uit, dat `je alleen maar de koheen hebt uit jouw eigen tijd, zoals hij is’. Tegenwoordig zal men de leidende clerus wellicht verwijten, dat ze weinig verstand hebben van aardse zaken, zoals politiek, maar dit doet niet af aan het religieuze leiderschap.

“Heden verklaar ik voor uw G-d dat ik gekomen ben in het land dat G-d onder ede aan onze voorouders beloofd heeft…(26:3-4)

Wanneer men in de tijd van de Tempel de bikoeriem als offer naar Jeruzalem bracht, werd het brengen van dit offer ingeleid met een vidoej (belijdenis) waarvan hierboven het begin wordt weergegeven. De lange weg van de Avot (Aartsvaders) wordt genoemd en de verlossing uit Egypte.
Maar waarom begint deze vidoej met het noemen van een Arameeër? Wie is deze Arameeër die probeerde onze “vader” te vermoorden? Wanneer wij alle vijanden van de Aartsvaders en het Joodse volk op hun lange weg tot de intocht in Israël de revue laten passeren, denken wij niet als eerste aan een Arameeër, eerder aan Farao, de Egyptenaren of aan Amalek. Toch wordt deze Arameeër in een tijd van dankbaarheid bij het brengen van de eerste rijpe vruchten herinnerd. Wat mag dit betekenen?

Een Arameeër verwoestte mijn vader …” (26:3-5).

In de Hagada van Pesach lezen we ook over een Arameeër, die het Joodse volk probeerde te verwoesten door onze vader Ja’akov uit te schakelen. Terwijl Farao alleen de Joodse jongetjes wilde vermoorden – aldus de Hagada, probeerde Lavan ons geheel te vernietigen.

Toch is dit niet hoe wij het verhaal van Ja’akov en Lavan in de Tora begrijpen. Lavan wilde zijn schoonzoon Ja’akov vermoorden toen hij stiekem met zijn familie het schoonvaderlijk huis had verlaten, maar Lavan werd hiervan door G-d in een droom weerhouden en deed Ja’akov daarom geen kwaad. Dit is toch zeker niet het grootste onheil dat op het pad van onze voorvaders is gekomen, of toch wel? Uit de woorden van Lavan zelf kunnen wij begrijpen wat nu precies het grote gevaar was in Lavan’s bedoelingen:
“Niet eens heb je me in staat gesteld mijn zonen en mijn dochters te kussen … De dochters zijn mijn dochters, de kinderen zijn mijn kinderen” (Bereesjiet 31:28, 43)

Lavan beschouwde de kinderen van Ja’akov als zijn eigen kinderen. Het Joodse volk ontstond pas met de kinderen van Ja’akov, zij waren de twaalf stammen van Israël. De kinderen van Ja’akov vormden de voltooiing van alles dat Avraham, Jitschak en Ja’akov hadden opgebouwd. Zonder hen zou hier niets van overblijven.

Lavan wilde zich van Ja’akov ontdoen en de kinderen voor zichzelf houden. Als hij hierin geslaagd zou zijn, zou dat het einde van het Joodse volk betekend hebben, nog voordat het werkelijk “geboren” was, en dit was ook precies wat hij voor ogen had.

Lavan kende de kracht van de missie van Avraham, Jitschak en Ja’akov. Zijn zusje was getrouwd met Jitschak en was met de geboorte van haar zoon Ja’akov een stapje dichter bij de vervolmaking van deze boodschap gekomen.
De échte vervolmaking hiervan zou pas bestaan in de geboorte van het Joodse volk. Hiervoor waren de twaalf stammen nodig. Als Lavan Ja’akov zou uitschakelen en de kinderen bij zich zou houden, dan had hij voorkomen dat de boodschap van G-ds Eenheid over de wereld verspreid zou worden.
Lavan wist dat in een wereld waar deze boodschap verspreid zou worden uiteindelijk geen plaats zou zijn voor mensen zoals hij.
Toen men ten tijde van de Tempel de eerste rijpe vruchten van Israël als offer bracht, was het daarom gepast om Lavan te noemen als eerste obstakel op de weg van het Joodse volk, een weg die zou eindigen met de inname van het Heilige Land.

Met de intocht in het Land kreeg het Joodse volk ook het goede van het land. Maar zij mochten nooit vergeten via welke weg en met Wiens hulp zij op die plek gekomen waren. Om daaraan te herinneren werd de vidoej (belijdenis) ingesteld bij het brengen van de bikoeriem.

HAFTARA: Jesjaja 60

We leven in turbulente tijden. De Arabische lentewinter lijkt de opmaat voor een dreigende tsunami. De parsja van deze week voorspelt ook al niet veel goeds. Het Joodse volk krijgt veel kelalot (vloeken) te verduren, die vaak de contouren vormden voor de vele rampen, die de afgelopen eeuwen over ons heen kwamen. Ik houd mijn hart vast.

Maar aan de andere kant biedt de haftara, de afdeling uit de Profeten, die wij iedere week in de synagoge voorlezen, de meest schitterende voorspellingen, die ieder doemscenario als sneeuw voor de zon doen smelten. Het is een opbeurende profetie. We moeten moed houden en mogen niet depressief wegduiken.

We leven in extremen maar dit was het Joodse bestaan nu eenmaal altijd al: vanuit een diepe wanhoop staat ons een schitterende toekomst te wachten, lezen we in het Profetenwoord deze week: “Vreemdelingen zullen je muren herbouwen, hun koningen staan je ter beschikking…je poorten zullen nooit gesloten worden, dag en nacht zullen ze openstaan…met gebogen hoofd zullen ze komen, de zonen van je verdrukkers en iedereen, die jou verachte…ze noemen je stad van G’d…van geweld in je land wordt niets meer vernomen noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen (Jesjaja 60, zeer kort en selectief geciteerd). In dit toekomstvisioen staat Jeruzalem centraal. Jeruzalem was altijd onze hoofdstad, ons spiritueel centrum en het symbool van onze hoop.

Mogen wij toelaten, dat Oost Jeruzalem de hoofdstad wordt van een nieuwe, andere staat? Zal dit de vrede naderbij brengen of vallen wij terug in een nieuwe splijtzwam, een verdeeld Jeruzalem zoals wij tot 1967 gewend waren. Was Jeruzalem niet altijd onverdeeld Joods bezit? Ik houd mijn hart wederom vast. Ik bracht niet zo lang geleden een bezoek aan Oost Jeruzalem. Ik moest voor een kennis een stempel halen bij een overheidsgebouw van de Staat Israel in Oost Jeruzalem. Ik durfde de buurt niet in. Het overheidsgebouw was een ware vesting. Overal op het dak stonden scherpschutters. De beveiliging van dit gebouw midden in het Joodse land was ongekend zwaar. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Een bunker in een vijandig gebied.

Sommigen noemen Jeruzalem de stad van de vrede. Maar er is geen stad ter wereld waarover zo lang en hevig gestreden is als de hoofdstad van Israël. De Europese Unie kwalificeerde Jeruzalem al veel eerder als een ‘apart lichaam’ binnen de staat Israël. De Europese Unie gebruikt al zeer lang de Latijnse term ‘corpus separatum’ om de status van Jeruzalem – inclusief het Joodse West-Jeruzalem – te omschrijven. De term komt uit een VN-resolutie van 1947, waarin Palestina wordt opgedeeld in een Joods en een Arabisch gedeelte, met Jeruzalem als een ‘apart lichaam’ onder internationaal toezicht.
Israël beschouwt Jeruzalem echter als ondeelbare hoofdstad. Zij wil dus geen internationale status. Laat staan een verdeelde status.

Reacties zijn gesloten.