Tijdens Chanoeka 1937 werd de sjoel aan de Lekstraat ingewijd, de grootste sjoel van Amsterdam met meer dan 450 heren- en 250 dames-zitplaatsen en een jeugdsjoel. Op Chanoeka werd dan ook het 75-jarig bestaan van het bedehuis herdacht, weliswaar in afgeslankte vorm, maar nog immer fungerend met dagelijkse diensten en leeroefeningen. Dat gebeurde in aansluiting op de avonddienst.
Rabbijn Evers hield een redevoering.
Voor dat de Joodse Gemeente besloot tot de bouw van de Lekstraat-sjoel werden in de Rivierenbuurt in Amsterdam Zuid sjoeldiensten verzorgd door de vereniging Bnei Temon – Zonen van het Zuiden. Men ging er bij de bouw vanuit dat oplevering zou plaatsvinden met Sjawoe’ot 1937, het werd dus Chanoeka 1937. Hoe mooi deze symboliek … .
In 1937 zei de secretaris van Bnei Teimon bij laatste jaarvergadering voordat ze overgingen naar de nieuwe Lekstraat sjoel: De geest van vriendschap en saamhorigheid zal voortleven in het nieuwe gebouw, welke stoere muren tot in het verre nageslacht zullen spreken van godsdienstzin, samenwerking en offervaardigheid.
Herinneringen
Grote Rabboniem, geleerde ba’alei batiem: ik zie ze nog zo voor mij … aan mijn geestesoog gaan de vele goede goede uren voorbij die ik in deze sjoel heb mogen doorbrengen met alle ba’alei batiem, talmidei chagamiem, illustere persoonlijkheden van weleer en de kolleel, die ook hier vele jaren een gastvrij onthaal heeft genoten.
Wie herinnert zich niet de befaamde rabbijnen Prins, Oppenheimer, Benedikt, Cohen, Pels, Brodman, inmiddels Oppperrabbijn, Rav Ralbag, en nu onze geliefde en zeer geleerde Rav Banet?
De Lekstraat was en is een makom Tora, gedoela, eerbied voor het gedachtengoed van ons Jodendom weTora bemakom echad, een van die mikdasjei me’at, synagogen waar iedereen die binnenkwam direct het gevoel had, dat hasjra’at haSjechina, G’ds Alomtegenwoordigheid een realiteit was, die hier heel serieus werd genomen.
Wij zijn klein in getal, inderdaad…
Aansteken is de mitswa!
Wij zijn slechts een kleine minderheid van de wereldpopulatie, maar toch hebben wij de bijna onmogelijke taak gekregen om de hele wereld te verlichten met het licht van de Tora. Wij worden geacht een licht voor de volkeren te zijn. Is dat niet wat te veel gevraagd? Nee, onze Chagamiem hebben gesteld: “Aansteken is de mitswa”. Hiermee geven zij ons een hint van wat er van ons verwacht wordt.
Het aansteken is de hoofdzaak. De Tora heeft natuurlijk zelf het G’ddelijke potentieel om zich overal te verspreiden en geaccepteerd te worden. Wat er van ons verlangd wordt is dat wij hiermee een begin maken, ondanks alle obstakels. Het aansteken is onze plicht, de rest mogen wij over laten aan de krachtige G’ddelijke boodschap van de Tora. Maar wij moeten beginnen met actie te ondernemen, iets doen.
Filosofie versus Joodse wijsheid
De Menora symboliseert de uitstraling van G’ddelijke wijsheid. De Grieks-gezinden probeerden de Joden te overtuigen van de superioriteit van hun filosofisch systeem.
In de Menora brandden de lichten juist boven de houders om ons aan te geven, dat er een G’ddelijke wijsheid bestaat, die hoger reikt dan de beperkingen van de zevendaagse Schepping. De overwinning van de Maccabeeën betekende dus tegelijkertijd, dat wij de G’ddelijke wijsheid uit de Tora hoger stellen dan zelfs de fraaiste menselijke filosofieën.
De vlammen van de Menora symboliseren onze band met het Hogere. Het vertegenwoordigt de ‘verlichting’, die ons ten deel is gevallen door de Tora. De Grieks-gezinden wilden juist dit licht doven. De olie van de Menora moet rein zijn.
De Grieks-gezinden wilden desnoods onrein licht tolereren in de Tempel, maar het zuivere G’ddelijke licht probeerden zij te doven. Een onaangetast kruikje olie werd gevonden, waarmee de Menora, wonder boven wonder, zelfs acht dagen kon blijven branden.
Olijfolie
Alleen de zuiverste olie mocht gebruikt worden in de Menora (Exodus 27:20). De Midrasj ziet hierin de volgende gedachte: het Joodse volk wordt vergeleken met een olijf. Olijfolie brandt pas goed na een proces van uitpersen en fijnstampen. Hetzelfde kan gezegd worden van het Joodse volk. Onze geschiedenis leert ons, dat wij ons geloof nooit hebben opgegeven, ondanks alle vervolgingen.
Misschien mogen wij het nog sterker stellen: ons spirituele licht schijnt het felst wanneer men ons in een hoek probeert te dringen. Er was slechts olie voor één nacht. Hoeveel onderdrukking kunnen wij verdragen?
We hebben vele ‘nachten’ overleefd; een klein beetje geloof en vertrouwen heeft ons eeuwenlang in stand gehouden. Onze olie brandde langer dan de volkeren hadden verwacht; de historicus Mark Twain verbaasde zich reeds jaren geleden over de geestelijke veerkracht van het Joodse volk.
Maar er is meer: olie wordt ook gebruikt voor het zalven en inwijden van koningen en priesters. Het woord Masjie’ach betekent de gezalfde met olie.
Chanoeka zou ons begeleiden door het laatste Galoet tot de tijd van de Masjie’ach. Het negende lampje is de vervulling. De ‘sjammasj’ betekent dienaar, de rol die het Joodse volk zal hebben in die glorieuze toekomst, wanneer het zijn G’d ongestoord zal kunnen dienen in de derde Tempel, ameen, wecheen jehi ratson.
Wens voor de toekomst
Wij wensen de Rav, de gabba’iem en de mitpalleliem, de occupeerders, dat zij le’orech jamiem toviem (tot in lengte van dagen) het zechoet (de verdienste) zullen smaken hier te mogen blijven davvenen en de typische Lekstraatsfeer mogen blijven bijdragen aan de symfonie van het Nederlandse Jodendom, ad biat go’eel tsedek, bimhera bejamenoe, ameen.

