Parsja Acharee Mot 5773

(Vajikra / Leviticus 16:1-18:30)

• Op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt, moet hij speciale kleding aantrekken.
• De offers worden beschreven, waaronder 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok).
• Op Jom Kippoer moet men volledig vasten, mag men geen leer dragen, zich niet wassen en niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben.
• Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden.
• Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.

Acharee Mot is de 29e parsja,
bestaat uit 15 afdelingen
waarvan 3 open en 12 gesloten zijn,
telt 80 pesoekiem, verzen,
1170 woorden,
4249 letters en is
de 29 na langste parsja.
Acharee Mot bevat 11 geboden.

Parsja Kedosjiem (Vajikra / Leviticus 19:1-20:27)

• Naast de opdracht de Sjabbat te houden, wordt een groot aantal ge- en verboden vermeld die de omgang van mens tot mens regelen.
• Waaronder eerbied voor de ouders, niet stelen, liegen, laster verspreiden. Ook: eerlijk rechtspreken, een dove niet vloeken, geen wrok koesteren, de vreemdeling niet krenken want je bent zelf vreemdeling geweest in Egypte.
• Niet sjoemelen met maten en gewichten, kinderoffers zijn ten strengste verboden, geen waarzeggers raadplegen.
• Nog meer verboden seksuele relaties worden vermeld.
• Het Land, vloeiend van melk en honing wordt toegezegd, maar er moet onderscheid gemaakt worden tussen rein en onrein. “Wees heilig, want heilig ben Ik, G’d”.

Kedosjiem is de 30e parsja
bestaat uit 13 afdelingen
waarvan 12 open en 1 gesloten zijn,
telt 64 pesoekiem, verzen,
868 woorden,
3229 letters en is de 49 na langste parsja.
Bevat 13 ge- en 38 verboden.
Metsora bevat 11 geboden.
Verdieping I: HUWELIJK: SCHEPPING EN SINAI
Verboden relaties staan deze week centraal. De naam van de afdeling `kedosjiem’ – heiligen (zullen jullie zijn) verwijst naar het huwelijk: kiddoesjien – heiliging.
In de geschiedenis van het Joodse volk is het de familie en niet de synagoge die de basis vormt in het Joodse leven. Binnen het gezin worden de meest cruciale ervaringen opgedaan. Daarom is kinderen krijgen belangrijk. De Talmoed (Sjabbat 31a) stelt, dat in het Hiernamaals de eerste drie vragen, die het Hemelse gerecht de mens zal stellen, luiden:
1. Heb je oprecht en eerlijk gehandeld?
2. Heb je tijd vrij gemaakt om Tora te leren?
3. Heb je een gezin gesticht?
De relatie tussen man en vrouw is uniek. Dit partnerschap draagt het potentieel in zich van creatie, scheppen van nieuw leven, één van de unieke kwaliteiten van G’d zelf. Hoe complexer de vorm van leven, hoe meer noodzakelijk, duurzaam en intens de relatie, die zich ontwikkelt tussen ouder en kind. Het mensenkind is juist zo hulpeloos omdat het zoveel te leren heeft. Tradities, idealen en doelen. Daarom spelen de ouders zo’n ontzettend belangrijke rol in het leren, inspireren en motiveren.
De Tora beschrijft de mens als een sprekend wezen en daarin komt het uitzonderlijke van de mens tot uiting. Het spraakvermogen stelt de mens in staat te communiceren om zijn spirituele potentieel te ontwikkelen. Samenzijn is samenspraak. Bij de schepping van de mens zag G’d, dat het niet goed is, dat de mens alleen leeft. Wij moeten een partner vinden met wie wij in samenspraak het humane en religieuze goed bereiken.
Het Joodse huwelijk is een herhaling van
1. de schepping en van
2. het `huwelijk’ van G’d met het Joodse volk bij de berg Sinai.
Vandaar dat we beide ingredienten terugvinden bij de choepa, het Joodse huwelijk.
Lichten, gedragen door de moeders en de kalla, de bruid en rondgangen door de bruid en de moeders om de chatan, de bruidegom heen, waren in Holland ongebruikelijk maar zijn in het buitenland betrekkelijk gewoon.

Licht is een symbool van simcha, vreugde. Bij de Verbondssluiting op de berg Sinaï was er bliksem en vuur (Exodus 19:16,18). De getallenwaarde van lamp (neer) in het Hebreeuws is 250. Op weg naar de trouwbaldakijn worden meerdere lampen aangestoken, samen in waarde 2 keer 250 is 500. De man heeft 248 en de vrouw 252 ledematen.
De eenheid tussen man en vrouw ligt in beide kandelaars aangeduid. Met deze kandelaars in de hand lopen de bruid, haar moeder en schoonmoeder, drie of zeven maal rond de bruidegom. De drie ronden symboliseren de drie Bijbelse verplichtingen van de man tegenover zijn vrouw. De zeven rondes symboliseren de zeven scheppingsdagen. Omdat het de bedoeling is dat in het huwelijk het scheppingsproces herhaald wordt, passen deze zeven rondes onder de choepa in het totaalbeeld.
De zeven berachot, zegenspreuken zijn het belangrijkste van de choepa, de huwelijkssluiting. De huwelijksplechtigheid bestaat uit drie onderdelen:
1. de verloving (eroesien) waarbij 2 zegenspreuken (berachot) worden uitgesproken,
2. het voorlezen van de ketoeba, de huwelijksakte en
3. de nisoe’ien (het feitelijke trouwen) waarbij zeven berachot (zegenspreuken) worden uitgesproken.
De zeven berachot symboliseren de zeven zegeningen, die G’d aan Adam en Eva gaf voordat zij een eenheid werden. In de zeven zegenspreuken komt G’ds naam 14 keer voor, evenals dit het geval is in de Tien Geboden, die de basis vormen voor de civilisatie van de mensheid. In de zin, die de chatan, bruidegom uitspreekt bij het overhandigen van de ring staan 32 letters, die overeenkomen met de 32 keer, dat G’ds naam voorkomt in het Scheppingsverhaal.
Al deze symboliek dient als aanzet om het leven op wijze en gewijde manier te delen.

Verdieping II HUWELIJKSBELETSELEN
Over de achtergronden van de huwelijksbeletselen – “Niemand van u zal tot enige bloedverwante naderen om schaamte te ontbloten” – neemt de 12e eeuwse Awraham ibn Ezra een duidelijk standpunt in. De mens moet zijn familiebanden doorsnijden om zich voort te planten. Hij moet zich een partner buiten de directe familiekring zoeken. Zeer naaste familieleden, die te `makkelijk toegankelijk’ zijn, werden verboden.
Zijn tijdgenoot Maimonides stelt, dat het beschamend zou zijn, dat de `stam’ (de vader) met de `tak’ – zijn dochter – zou samenleven.
Volgens Nachmanides (13e eeuw) zou de enige logische rationalisatie een medische grond zijn. Het is aangetoond, dat een te nauwe familieband tussen de ouders een negatieve invloed heeft op het nageslacht.
Rabbi Menachem Recanati (13e eeuw, Italie) legt dit uit. G’d wilde bij de Schepping, dat de `takken en twijgen’, die uit de grote stam voortkomen ieder hun eigen bijdragen aan het welzijn van de wereld zouden leveren. Wanneer zij terug zouden groeien in de hoofdstam zou de boom verwelken’. Te nauwe familiebanden zijn niet goed voor de mensheid.

De zestiende-eeuwse Sforno uit Italië wijst op nauwe familierelaties aan de wieg van het Joodse volk. Awraham trouwde met zijn halfzuster Sara, Jitschak met zijn nichtje Rivka, Ja’akov trouwde met verschillende zusters en Amram trouwde zijn tante Jochewed. Toch kwamen uit deze verbintenis voortreffelijke Joodse leiders voort: Mirjam, Aharon en Mosje!
Omdat de motieven om te trouwen bij onze Aartsvaders en –moeders puur en zuiver waren, kon de nauwe familierelatie geen schade toebrengen aan de kinderen. Zij trouwden slechts om een nieuwe generatie dienaren en dienaressen van G’d op de wereld te zetten. Tegenwoordig bestaat dit echter niet meer. Daarom zijn incestueuze relaties verboden

HAFTARA: Amos 9:7-15
“Zijn jullie voor mij soms meer dan de Ethiopiërs, o Israël? – spreekt Hasjeem. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir. De ogen van Hasjeem zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het van de aardbodem wegvagen, maar ik zal niet het hele volk van Ja’akov vernietigen – spreekt Hasjeem”.
De vergelijking van Israël met Ethiopiërs heeft ook een externe betekenis. Het Joodse volk moet een ‘or lagojiem’ zijn – een lichtend voorbeeld voor de volkeren. Wij kennen geen missie maar wel de opdracht om onder de volkeren minimaal het gedachtegoed van de zeven Noachidische geboden in te voeren.
Wat zijn de consequenties van het bewust naleven van de zeven Noachidische geboden, die door G-d aan de mensheid gegeven zijn? Wat draagt het uitvoeren daarvan bij aan onze persoonlijke verbetering en de tikoen olam, de verbetering van de wereld?

Het volk Israël als collectief werd door de ‘G´d van de geschiedenis’ in het leven geroepen om een belangrijke religi¬euze rol te spelen in die totale geschiedenis, het Scheppingsplan. Eén volk werd uit¬verkoren om duidelijk omschreven doelen te bereiken in de historie van de mensheid. Met hen werd om die reden een spe¬ciaal verbond gesloten: ‘Jullie zijn Mijn getuigen, zo luidt het woord van G´d, en Mijn knecht, die Ik uitgekozen heb’ (Jesjaja 43:10) als instrument voor het realiseren van de G´ddelijke intentie in de schepping.

Nu Israël bekend staat als G-ds natie en het volk van de Tora, zijn hun devotie, morele niveau, overleving en levensvatbaarheid, ondanks wezen¬lijke bedreigingen, een getuigenis van G-ds rol in de men¬se¬lijke geschiedenis. Dit is een zaak van het hele volk.
Geen individu kan in zijn eentje de hele Tora vervullen. Als iemand koheen (priester) is, kan hij de voorschriften van het geven van de vierentwintig gaven aan de kohaniem (priesters) of het lossen van de eerstgeborene niet vervullen. Deze geboden gelden alleen voor niet-priesters. Als men geen priester is, kan men het voorschrift van het brengen van de offers niet vervullen. Alleen het gehele volk als een eenheid kan de Tora helemaal nakomen.
Rabbi Mosjee Alsjiech (15e eeuw, Saloniki) verklaart de meervoudsvorm bij de vervaardiging van de Heilige Arke in het Misjkan, de Tabernakel als volgt: “De kroon (eer) van de Tora is niet als de kroon (eer) van priesterschap of koningschap, die alleen maar aan uitverkoren families onder Israël werden gegeven. De kroon van de Tora is de erfenis voor heel Israël. Daarin is iedereen gelijk. Iedereen is even waardig en capabel om de Tora te bestuderen”.

Reacties zijn gesloten.