(Devariem/Deuteronomium 32:1-52)
HA’AZIENOE (luisteren jullie).
Mosje roept hemel en aarde tot getuigen wat er gebeurde in vroeger dagen en schildert hoe het volk zal afwijken – in zeer poëtische taal. Weer worden alle rampen genoemd die over het volk zullen komen als ze niet de ge- en verboden gehoorzamen. Maar eens zal God Zijn volk genade schenken en wraak nemen op de tegenstanders. Mosje moet de berg Nevo bestijgen en uitkijken over het Land Israel. Israel binnentrekken mag hij niet.
Ha’azinoe is de 53e Tora-parsja.
Bevat 3 open afdelingen,
telt 52 pesoekiem, verzen,
614 woorden en 2326 letters.
VERDIEPING: ROSJ HASJANA
De sjofar, de ramshoorn is een van de sterkste krachten, die de mens aan de religie bindt. Daarom zal Hasjeem (G’d) Zich op het einde der dagen ook van een sjofar – de grote sjofar – bedienen bij de definitieve inzameling van de ‘ballingen’, de kibboets galoejot.
De sjofar herinnert aan de Akedat Jitschak – het offer van Jitschak, proclameert het koningschap van Hasjeem en functioneert als een grote ‘wekker’, die ons moet losrukken uit onze morele sluimer.
Ook in de halacha wordt de sjofar besproken. In de Sjoelchan Aroech (het Joodse wetboek) worden voornamelijk de technische kant van de sjofar als hoorn en het sjofarblazen behandeld. In het Jodendom hangen techniek en betekenis samen, vormen de formele en inhoudelijke kanten van halacha (wet) en hasjkafa (filosofie) een eenheid.
Grondstof van de sjofar
De sjofar wordt gefabriceerd uit de hoorn van een kosjer dier. Ter herinnering aan de offerande van Jitschak nemen wij meestal een ramshoorn maar verplicht is dit niet. Zo gebruikt men in verschillende Sefardische gemeenten de hoorn van een koedoe-antilope, die wel anderhalve meter lang kan worden, omdat de Sefardische minhag, gewoonte een hoorn met veel draaiingen prefereert.
Ook een koe en een stier zijn kosjere dieren. Niettemin gebruikt men nergens ter wereld een koehoorn op Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar, daar dit aan de zonde van het gouden kalf uit de woestijn herinnert, iets waarmee wij liever niet worden geconfronteerd op Rosj Hasjana.
De hoorn waarop geblazen wordt, moet uiteraard hol zijn. Uit een rams- of schaapshoorn wordt het merg verwijderd. Daartoe wordt de ruwe hoorn eerst geweekt in kokend water totdat het merg zacht genoeg is om eruit geschraapt te worden. Daar het
de Asjkenazische gewoonte is een hoorn met maar een enkele bocht te gebruiken, wordt de hoorn verhit en in een klem geplaatst om de gewenste vorm te krijgen. Daarna wordt de sjofar gepolijst en gladgeschuurd. Vervolgens wordt het mondstuk gevormd met een boor. Een juiste boorholte is het werk van een vakman, daar deze de toon van de sjofar bepaalt.
Bij al deze werkzaamheden let men er zeer zorgvuldig op geen barsten of spleten in de sjofar te maken. Een gat in de materie van de sjofar maakt de hoorn pasoel (ongeschikt) voor gebruik op Rosj Hasjana.
Waarom prefereren wij Asjkenaziem een ramshoorn? De ramshoorn herinnert aan de grote opoffering die Avraham en Jitschak zich wilden getroosten voor hun geloof in Hasjeem. Maar ook hier speelt een diepere symboliek: in plaats van een mens werd een dier geofferd. Het Jodendom keerde zich in de oudheid tegen mensenoffers, een bekende afgodische cultus van weleer. Een offer heet in het Hebreeuws ‘korban’, van de Hebreeuwse stam KaRaV (= naderbijbrengen).
Het Jodendom propageert dat de mens het dierlijke in zich ‘naderbijbrengt’ tot Hasjeem, verheft boven het puur biologische en zinloze, het veredelt en perfectioneert.
De ram symboliseert het ongetemde, dierlijke, het mens-onvriendelijke geweld. Op de berg Moria werd de typisch Joodse weg gewezen: niet de mens moet worden geofferd. Het menselijke in de mens vormt een potentieel voor het goede. Alleen het dierlijke in de mens dient te worden verheven.
Ram tegenover Jitschak, dierlijke instincten tegenover moraal, macht tegenover recht, ruw geweld tegenover een humanistisch, religieus gevoel. Vinden wij deze strijd niet telkens weer terug in de geschiedenis van de mensheid? En moet ook niet ieder voor zich in zijn eigen leven een dergelijke strijd – zij het op microniveau – uitvechten? De strijd tussen leugen en waarheid, tussen het slechte en het goede, de strijd tussen ‘Hasjeem in ons’ en de ‘Satan in ons’?
Tegengif tegen het slechte
De sjofar – het symbool van de telkens terugkerende morele oproep tot zelfverbetering – is het wapen tegen het slechte in de mens en de ons omringende wereld. Trouw aan deze symboliek blazen wij aan het einde van de Jom Kippoerdienst nog eenmaal een ‘tekia’ – een langgerekte toon. De Chagamiem (Wijzen) verklaren immers dat de Satan – het slechte – gedurende het gehele jaar de macht heeft het Joodse volk ‘aan te klagen’, hetgeen betekent dat de Hemelse ‘officier van justitie’ kennelijk een aantal klachten heeft over het Joodse volk – behalve op de Jom Kippoer, waarop hij machteloos is.
Interessant is hierbij op te merken dat de Kabbalistische getallenwaarde van ‘haSatan’ 364 is, dat wil zeggen alle dagen van het jaar, 365, behalve die ene dag van Jom Kippoer. Aan het einde van de heiligste dag van het Joodse jaar wil de Satan zijn verderfelijke bezigheid weer opnemen. Om dit direct in de kiem te smoren, blazen wij juist op dat moment een tekia.
Het is de bedoeling van de Jamiem Nora’iem ons de morele kracht te geven om de ‘Satan’ te bestrijden, de kleine Satan in het individuele leven en de grote Satan in de geschiedenis van de mensheid. De lange en indringende tekia aan het einde van Jom Kippoer betekent dat wij moeten proberen de les van de morele overwinning op het dierlijke in de mens, die voor het eerst in de geschiedenis symbolisch plaatsvond op de berg Moria – de latere Tempelberg – door te voeren in het dagelijks leven, dat na Jom Kippoer weer aanvangt. De halacha en de minhag (gewoonte) schrijven niet voor niets een ramshoorn voor. De herinnering aan de offerande van Jitschak is niet alleen het gedenken van een historische gebeurtenis. Het heeft ook nu nog een diepe betekenis.
Dag van bazuingeschal
Rosj Hasjana wordt in de Tora een ‘jom teroe’a’ genoemd, een dag van bazuingeschal. De term ‘jom teroe’a’ komt drie keer voor in de Tora, waaruit de Chagamiem, onze Wijzen afleidden dat men minimaal drie tonen moet blazen. Omtrent de exacte inhoud van het woord ‘teroe’a’ bestaat enige machloket (controverse) tussen de Geleerden. Moeten we ‘teroe’a’ vertalen met ‘zucht’ of is het Nederlandse equivalent ‘snik’ beter? Een zucht is een langer geluid dan een snik. Snikgeluiden volgen elkaar bovendien sneller op dan zuchten. En misschien bedoelt de Tora met de term ‘teroe’a’ wel beide geluiden in combinatie: verdrietige mensen zuchten doorgaans eerst heel diep en barsten daarna in snikken uit.
Teneinde tegemoet te komen aan al deze verschillende inzichten blazen wij alle mogelijke combinaties van zuchten en snikken, terwijl iedere combinatie voorafgegaan en afgesloten wordt door een tekia, die eveneens in de Tora wordt voorgeschreven.
Tesjoeva betekent een gevoel van diepbeleefd en oprecht berouw. Zuchten en snikken zijn het uiterlijke teken van dit gevoel. De sjofar leidt deze emotionele expressie in, ondersteunt de sjoelbezoeker in de uiting van zijn gevoelens.
Maar er is meer: het woord ‘teroe’a’ hangt samen met het Hebreeuwse woord ‘re’oet’ (vriendschap). Wanneer wij de tonen van de sjofar horen weerklinken, probeert men alle kleingeestige ruzies en meningsverschillen te vergeten, benadert men elkaar vriendschappelijk en vormt men een eenheid, die allen dezelfde tefillot (gebeden) tot Hasjeem richten.
Kleuren en soorten
De hoorn wordt eerst afgekrabt zodat de natuurlijke kleur zichtbaar wordt. Vervolgens wordt het been met chemicaliën gereinigd. Ten slotte wordt de hoorn teruggedraaid in zijn oorspronkelijke vorm en gepolijst. Hoewel de kleur van de sjofar halachisch irrelevant is, prefereren Marokkaanse Joden een witachtige sjofar omdat dit de kleur is van zuiverheid en feestelijkheid. Jemenietische Joden willen graag gedraaide hoorns, die een gebroken geluid maken terwijl Irakezen kleine, gedempte hoorns kiezen.
Europese Joden houden van een lange rechte hoorn met slechts één bocht, waarvan de ‘kop’ naar boven wijst en die een droevige, klagerige toon produceert.
Ook een hoorn van een treife dier?
Het is opmerkelijk dat Maimonides (1135-1204) in zijn codex Misjne Tora alleen een ramshoorn kosjer verklaart. Een ramshoorn voert ons terug naar de geweldige mesiroet nefesj (opofferingsgezindheid) van onze aartsvaders Avraham en Jitschak. De hoorn moet gebogen zijn omdat dit de mentale instelling op Rosj Hasjana symboliseert. Andere grote poskiem (beslissende autoriteiten) verklaren ook andere hoorns kosjer terwijl een hoorn van een koe door iedereen ongeschikt wordt geacht.
De Misjna verklaart dat in principe alle hoorns kosjer zijn als sjofar, zodat mij eens gevraagd werd of een sjofar ook van een neushoorn afkomstig mag zijn.
Rabbi Mosje Isserles (1520-1577) bespreekt deze vraag reeds. Hij is van mening dat een sjofar alleen van reine, kosjere dieren afkomstig mag zijn omdat de algemene regel luidt dat wanneer de traditie dierlijke grondstoffen voorschrijft voor een mitsva, deze alleen afkomstig mogen zijn van kosjere dieren. Hetzelfde geldt voor het leer of perkament waarvan de tefillien (gebedsriemen) gemaakt worden. Mijn opponent wierp mij toen tegen dat in de Talmoed (B.T. Soeka 23a) als muur voor een soeka een vastgebonden olifant wordt toegestaan terwijl dit dier toch duidelijk niet kosjer is! Toepassing van de hoofdregel geeft hier het antwoord. Bij de soeka is voor de ‘vier muurtjes’ ieder materiaal geoorloofd, van hout tot plastic. Nergens wordt bij de wanden van de soeka dierlijk materiaal voorgeschreven zodat daar ook niet kosjere dieren toegestaan zijn.
Inscripties en versieringen
Amerikanen willen vaak dat in hun hoorns een Israëlisch symbool wordt gekerfd of dat het embleem van hun synagoge op de sjofar wordt aangebracht. Nachmanides (1195-1370) stelt dat het verven en versieren van de sjofar met allerlei tekeningen af te raden is omdat vreemde stoffen worden toegevoegd aan de sjofar. Maar rabbi Joseef Karo (1488-1575) staat inscripties op de sjofar toe, omdat die in de sjofar zelf gegraveerd worden.
In een progressieve gemeente in Engeland werd eens gevraagd of de sjofar een gouden mondstuk zou mogen hebben en of de sjofar van buiten met goud belegd mocht worden. Het bestuur vond dit een goed idee omdat dit een hidoer mitsva (een verfraaiing van het decorum) zou vormen. Een gouden mondstuk is zeker niet in orde omdat de mond van de ba’al toké’a (de sjofarblazer) de sjofar zelf moet raken. Het beleggen van de sjofar met goud aan de buitenkant werd reeds in de Misjna (200 na) besproken en werd in de Middeleeuwen nader uitgewerkt door grote geleerden als Rabbenoe Nissiem (1290-1375) en Rabbenoe Asjer (1250-1327). Dit werd toegestaan als het natuurlijke geluid van de sjofar hierdoor niet verandert.
Echte gebreken vormen een groter probleem. Iedere sjofarblazer moet voor Rosj Hasjana zijn sjofar terdege onderzoeken. Maimonides schrijft, dat een spleetje over de lengte van de sjofar de hoorn al ongeschikt maakt. De lengte van het spleetje specificeert hij niet. Sommige verklaarders menen dat reeds een klein spleetje over de lengte de sjofar ongeschikt maakt, omdat te vrezen valt, dat door langdurig en veelvuldig blazen het spleetje steeds groter zal worden en uiteindelijk de hele sjofar in tweeën zal splijten.
De vraag is hoe dit spleetje gerepareerd kan worden. Rabbenoe Ja’akov Asjerie (1283-1340) meent, dat men lijm mag gebruiken, maar Nachmanides keert zich tegen het gebruik van vreemde stoffen en stelt, dat de enige manier waarop een breuk geheeld kan worden verhitting is. En een gat in de sjofar kan alleen gerepareerd worden met eigensoortig materiaal, op voorwaarde dat het grootste deel van de sjofar nog intact is en het geluid na de reparatie weer als vanouds is.
Lesjana Tova tikatevoe vetechatemoe!
