Parsja Vajisjlach 5774

(BEREESJIET 32:4 – 36:43) 

Vajisjlach (en hij stuurde):
• Op weg naar huis stuurt Ja’akov gezanten om zijn broer Esau gunstig te stemmen. Het blijkt dat Esau onderweg is naar Ja’akov met 400 gewapende mannen.
• Hij zendt nu gezanten met geschenken voor Esau.
• In de nacht worstelt een man – een Engel, met Ja’akov.
• Aan het einde van de strijd vertelt de man dat zijn naam in het vervolg Jisraëel zal zijn wat betekent dat hij met G’d en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen.
• Het blijkt dat Ja’akov een gekwetste zenuw in zijn heup heeft (daarom mogen wij een deel van de achterbout niet eten).
• Ja’akov verdeelt zijn vrouwen en kinderen. Als er een ramp zou gebeuren, zouden niet allen ten onder gaan. Bij de ontmoeting vallen de broers elkaar om de hals en huilen. Ja’akov gaat niet in op het voorstel van Esau om bij elkaar in de buurt te wonen.
• Ja’akov koopt het land waar hij zijn tenten heeft opgeslagen van Chamor, de vorst van Sjechem. Enige tijd later wordt Dina, Lea’s dochter, verkracht door Sjechem, de zoon van Chamor.
• Hoewel Sjechem met haar wil huwen en zijn vader voorstelt beide volksstammen met elkaar te vermengen, zijn de zonen van Ja’akov zeer beledigd door de ontering van hun zuster. Zij stellen voor dat huwelijken pas kunnen plaatsvinden als alle mannen van de stad besneden zijn.
• Daarna doden Sjimon en Levie, twee broers van Dina, alle mannen van Sjechem.
• G’d beveelt Ja’akov naar Beth-El te gaan en daar een altaar te bouwen. Hij verschijnt Ja’akov weer en bevestigt de naamsverandering in Jisraëel.
• Onderweg sterft Rachel tijdens de bevalling van haar zoon Benjamin. Ja’akov begraaft haar en richt daar een gedenksteen op. Izak sterft op de leeftijd van 180 jaar.

Vajisjlach is de achtste parsja, telt 9 parsjiot, afdelingen,
153 relatief korte pesoekiem, verzen, 1976 woorden, 7458 letters en is de 4e na langste parsja.
Bevat het eetverbod van gied hanasje, de verwrongen spier

VERDIEPING I:
“Zeg tegen mijn heer Esav: ‘Zo zegt uw dienaar Ja’akov: Bij Lavan heb ik als vreemdeling gewoond (gartie) en daar ben ik tot nu toe gebleven’” (32:5). Uit angst voor Esav geeft Ja’akov aan, dat hij geen belangrijke vorst is geworden maar gewoon een vreemdeling is gebleven: “Het is niet de moeite waard om mij te haten vanwege Jitschaks beracha ‘wees een heerser over uw broeder’. Deze beracha is bij mij niet uitgekomen.”

De Toratekst splitst Ja’akovs mededeling: ‘gartie’ (ik heb tijdelijk gewoond) en ‘va’echar’ (ik ben langdurig weggeweest). Ja’akov wilde Esav duidelijk maken dat de berachot van zijn vader bij hem niet uitgekomen waren. Maar daarom zou Esav in het geweer kunnen komen: “Als jij, Ja’akov, er financieel zo slecht aan toe bent, betekent dit dat jij de mitsvot (geboden) niet hebt gehouden. Jitschak onze vader heeft mij gezegd dat wanneer jij rebelleert tegen G’d en de mitsvot niet nakomt, ik het recht heb om jou aan te vallen”. Daarop zei Ja’akov dat hij ondanks alles toch de 613

mitsvot heeft gehouden maar daarom nog geen belangrijk mens is geworden.

Maar is dit geen chotspe tegenover zijn vader Jitschak dat Ja’akov zegt dat Jitschaks berachot niet uitgekomen zijn? Daarom komen de woorden: “Ik heb de 613 mitsvot in acht genomen”. De berachot die mijn vader mij heeft gegeven waren niet gericht op wereldse grootheid en aardse rijkdom. De zegeningen waren gericht op een Tora-leven. Daar hoef jij, Esav, niet jaloers op te zijn want jij hebt nooit om Torakennis gegeven. Aldus Ja’akov in zijn discussie met Esav.
VERDIEPING II:
Dina wordt aangerand. Sjimon en Levi nemen wraak: “Zal men met onze zuster als een zona (vrouw van lichte zeden) handelen? (34:31) In de Aramese vertaling wordt ‘onze zuster’ als lijdend voorwerp is aangeduid. Het woordje ‘et’ in het Hebreeuws kan op twee manieren vertaald worden: als ‘met’ of het wordt niet vertaald en geeft een lijdend voorwerp aan. Vertalen als ‘met’ zou de indruk wekken, dat Dina bewilligde. Daarom is de beste vertaling die vertaling waarin duidelijk wordt, dat Dina slechts lijdend voorwerp was.

VERDIEPING III: De strijd met de Engel
“Een man streed met hem tot de ochtendgloren. Hij zag dat hij hem niet aankon en trof hem in zijn heupgewricht” (32:25-26). De eeuwige strijd tussen Israel en de volkeren verhevigt bij het aanbreken van het licht van de uiteindelijke verlossing door de Masjie’ach. De ontwrichtende heupslag hebben we al gehad. De Engel (een man in de tekst) vermant zich juist vlak voor de tijd van de Masjie’ach omdat hij zich realiseert, dat het na de uiteindelijke verlossing met hem gedaan zal zijn. De huidige oprisping van toema – spirituele verontreiniging in al zijn gedaanten – moge een voorteken zijn van geestelijk betere tijden.
Het feit, dat Ja’akov – als voorbeeld voor al zijn afstammelingen – de Engel aankon, toont niet zozeer onze psychische kracht maar veeleer onze spirituele opdracht. Wij staan qua groeikracht hoger dan Engelen en hebben dus de dankbare taak ons doorlopend met onze Bron te mogen verbinden via Tora en mitswot.

Werkelijk evenwicht tussen goed en kwaad
Ja’akov wilde de Engel pas laten gaan nadat hij hem zou zegenen. Ja’akov vroeg de Engel naar zijn naam. Maar een Engel heeft geen naam. Hij heeft slechts een opdracht. Ja’akov wilde, dat de Engel hem zou toegeven, dat de beracha van Jitschak hem -en niet Esav- toekwam. Dat deed hij.

De Engel vertelde hem verder, dat zijn essentie goed was. Zijn opdracht van Boven was echter het verleiden tot slechtheid omdat er nu eenmaal een vrije keuze en werkelijk evenwicht moet zijn tussen goed en kwaad. Anders bestaat er geen straf en beloning. Ja’akov had de test glansrijk doorstaan.

De verwrongen zenuw eten we niet meer. Die wordt met wortel en al gepoorsjt, dwz. verwijderd. Het staat symbool voor onze strijd tegen spiritueel bederf. Met wortel en al moet dit weggehaald worden om ons volledig te kunnen ontwikkelen wat we werkelijk zijn.

VERDIEPING V: Het graf van Rachel
Rachel stierf onderweg, tijdens de geboorte van Benjamin (35:19). Later blijkt uit een discussie tussen Ja’akov en zijn zoon Joseef, dat Ja’akov zijn lievelingsvrouw Rachel in de spelonk de Machpela had willen begraven. Maar de Voorzienigheid had anders beschikt: Rachel werd op weg naar Beet Lechem begraven. Dit had een duidelijk toekomstgericht doel. Wanneer de Joodse ballingen onder Nebukadnetsar omstreeks 586 v.d.g.j. op weg naar Babylonie langs haar graf zouden trekken, zou Rachel voor hun welzijn davvenen (bidden). Daarom werd haar daar de laatste eer bewezen.

Ja’akov plaatste een matsewa op het graf van Racheel (35:20): “En Ja’akov zette op haar graf een opgerichte steen.” De grafzerk heeft verschillende benamingen. In de Tora wordt gesproken over een matseva, in de Profeten treft men de term tsioen aan (vgl. Jechezkeel 39:15) en in de Misjna wordt de term nefesj gebezigd (vgl. Oholot 7:1). Deze drie termen duiden op de verschillende functies van de grafzerk. Het woord matseva betekent letterlijk ‘iets, dat is opgericht’. De steen ‘richt zich op’ boven het graf en geeft de plaats aan waar de overledene begraven ligt. De nabestaanden worden door de matseva in staat gesteld om het graf te herkennen, te bezoeken en aldaar te davvenen voor de levenden in het zechoet (de verdienste) van de overledene.

 

Reacties zijn gesloten.