Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) bestaat vandaag op de dag af tweehonderd jaar. Op 26 februari 1814 tekende de net uit Engeland teruggekeerde Willem I het besluit de Joden te verenigen in een Israëlitisch Kerkgenootschap. De ondertekening vond destijds plaats in zijn toenmalige residentie in Den Haag.
Het NIK viert dit jubileum vandaag op de exacte datum en de exacte plek waar het tweehonderd jaar geleden is opgericht. Daartoe waren bestuur, medewerkers en oud-voorzitters bijeen in het nog steeds bestaande Huis Huguetan aan het Lange Voorhout in Den Haag, destijds het woon- en werkpaleis, thans de zetel van de Hoge Raad. De tuinkamer was daarmee tot de laatste plaats bezet.
Het is bijzonder dat het kerkgenootschap is opgericht door de overheid, en net zo lang bestaat als het koninkrijk, waarvan dit jaar ook het tweehonderdjarig jubileum wordt gevierd.
Een overheid die ons godsdienstvrijheid gunde
Ter verwelkoming en inleiding sprak NIK-secretaris Ruben Vis.
Het Huis Huguetan is gebouwd door architect Daniel Marot, een hugenoot. Met de hugenoten, Franse protestanten, delen wij Joden het feit dat wij in Nederland in tegenstelling tot het land van herkomst, een overheid troffen die ons godsdienstvrijheid gunde. Daniel Marot, de architect van dit huis, ontwierp ook de Portugese synagoge hier in Den Haag.
Minder dan honderd dagen
Nadat Willem Frederik in Scheveningen op 30 november 1813 aan land was gekomen en op 2 december zich bereid verklaarde het souverein vorstschap te aanvaarden, duurde het minder dan 100 dagen voor dat hij het besluit ondertekende dat de instelling van het Israëlietisch Kerkgenootschap inhield. Israëlietisch, omdat zowel de Nederlands-Israëlieten, de Asjkenazische uit Duitsland, Midden- en Oost-Europa afkomstige Joden als de Portugees-Israëlieten, de Sefardiem, afkomstig van het Iberisch schiereiland, op overheidsinstigatie in dit kerkgenootschap verenigd werden.Telinstrument
Deze week, aanstaande sjabbat, is het sjabbat Sjekaliem. Hoe was het tweehonderd jaar geleden? Tweehonderd jaar geleden lag Sjabbat Sjekaliem net achter ons toen het 26 februari was. We zitten dus tussen de sjabbat Sjekaliem van 1814 en die van 2014 in.Het onderwerp van sjabbat Sjekaliem is de inzameling van de muntstukken met een waarde van een halve sjekel. Had ieder zijn halve sjekel gegeven dan wist men om hoeveel mensen het ging; hoe groot het Joodse volk was.
De halve sjekel was tegelijkertijd een telinstrument en een belastingheffing.
Wat deed men met het geld, waaraan besteedde men de halve sjekels? Antwoordt de Misjna: de dagelijkse en de toegevoegde offers …, de toonbroden, werden er van betaald en, zegt de Misjna alle verdere korbanot hatsiboer. Letterlijk: alle gemeenschappelijke offers.
Collectieve opoffering
Maar misschien kun je korbanot hatsiboer ook in overdrachtelijke zin vertalen: alle collectieve opofferingen, alles wat de gemeenschap zich getroost.Zie hier de band met het NIK, toen 200 jaar geleden en nu. Toen, 200 jaar geleden werd voor het eerst centraal voor het hele land de Joodse bevolking georganiseerd; werd ook voor het eerst de Kerkgenootschappelijke Belasting geïnd. We doen het nog steeds.
En wat doen we er mee, we zetten het in voor centrale joods-religieuze activiteiten; dat is het doel geweest van de halve sjekel ten tijde van de Tempel, dat is het doel geweest bij de oprichting van het kerkgenootschap en zo is het vandaag nog steeds.
We proberen zeker als huidig NIK, Joden dichter bij hun Joodse identiteit te brengen. En verder getroosten wij ons opofferingen, korbanot hatsiboer, om dit alles mogelijk te maken.
Gedurende de bijeenkomst in de prachtige tuinkamer van Huis Huguetan sprak Jaap Hartog, voorzitter van de Permanente Commissie.
Eigenlijk gaat de oorsprong van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap iets verder dan 26 februari 1814. In 1808, onder het Franse bewind was er sprake van een opperconsistorie. We kennen in Frankrijk en België nog steeds het Consistoire Central de France en het Centraal Israëlitisch Consistorie van België dat in die landen de Joodse Gemeenten overkoepelt.
Geen bestuur maar commissie
In Nederland kwam in 1814 in de plaats van het opperconsistorie, dat vooral gericht was naar het Grand Sanhedrin dat Napoleon had opgericht te Parijs, een commissie die ressorteerde onder het Ministerie van Eredienst. Daarom heet ons bestuur niet ‘bestuur’, maar: ‘commissie’. Het was destijds de Hoofdcommissie voor de Zaken der Israëlieten, die in latere jaren de naam kreeg Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap.Inmiddels mag ik als de tiende na-oorlogse voorzitter fungeren, na Van Creveld, Spier, Dasberg, Zadoks, Van der Hal, Wikler zichronam liweracha en lehavdiel been hachajim lechajim mijn hier aanwezige voorgangers Henri Markens, Ben Blog en Rob Heijmans. De verhouding voorzitter van Amsterdam – van buiten Amsterdam is in die jaren 5,5 – 4,5 geweest, omdat ik Wikler deels als Utrechtenaar en deels als Amsterdammer beschouw.
Het is gebruikelijk om bij een jubileum terug te kijken, in ons geval dus tweehonderd jaar terug te kijken. Ik doe dat niet en ik zal uitleggen waarom niet.
Onvergelijkbaar
De positie waarin het kerkgenootschap zich nu bevindt en de positie waarin de Nederlandse joden zich nu bevinden is onvergelijkbaar met die van 200 jaar geleden. Toen was er de noodzaak om tot één landelijk kerkgenootschap te komen. De maatschappelijke positie van de Nederlandse Joden verlangde maatregelen. De meesten waren ongeletterd, spraken en schreven slecht tot geen Nederlands. Qua opleiding was er een grote achterstand. Er heerste bittere armoede. De woonomstandigheden van de Joden vooral in de Amsterdamse Jodenhoek, behoorden tot de aller slechtste van het land. Bij de grote cholera-epidemie in de jaren ’30 van de negentiende eeuw waren het vooral de Joodse inwoners van Amsterdam die in grote getalen stierven.
Dit alles in een sterk nog religieus georiënteerde en verzuilde samenleving.En er heerste grote onderlinge verdeeldheid. Die zo fel kon zijn dat er door de overheid ook vanwege die reden wel ingrepen móest worden.
Kijken we naar vandaag, naar het begin van de 21e eeuw dan zien we dat er geen maatschappelijke achterstand meer is die op onze bevolkingsgroep gerichte maatregelen zouden noodzaken. Daarbij komt dat de samenleving geseculariseerd is, en voor zover de Joden dat ook al niet waren in 1814 zijn ze het nu in bijna even sterke mate als hun buren.
In de schaduw van de bitterste vorm van antisemitisme
De Joden in Nederland leefden in 1814 al tweehonderd jaar hier in rust, steeds aangevuld met nieuwe golven vluchtelingen, omdat zij hier niet geconfronteerd werden met bittere vormen van antisemitisme. De Joden anno 2014 leven toch nog steeds in de schaduw van de bitterste vorm van antisemitisme die onze moderne geschiedenis kent en waar ook de Joden binnen Nederland niet voor zijn gespaard.
Niet slechts op de afgelopen tweehonderd jaar maar ook op de verwoesting van het Nederlands Jodendom is het kerkgenootschap heden ten dage gebouwd en weer opnieuw opgebouwd.
Dr Bart Wallet hield een historische uiteenzetting waarin hij vertelde over de tijd en omstandigheden waarin het kerkgenootschap tot stand is gekomen. Hij schetste de zelfbewuste positie van de Nederlandse Joden.
Men beschouwde de oprichting van het Israëlitisch Kerkgenootschap als de samenvloeiing van Jodendom en de Nederlandse nationaliteit, van onderling respect en tolerantie, niet van extremisme maar de gematigde middenweg die ook zo kenmerkend is voor de Nederlandse burgerlijke moraal. Een uitstraling die het kerkgenootschap uiteindelijk steeds heeft gehad.
Ook wees hij op de welbewuste keuze het een Israëlitisch en niet een joods kerkgenootschap te noemen.
Het woord Jood had een wat negatieve connotatie. Israëlieten verwees echter naar de Israëlieten uit de Bijbel, uit de TeNaCh. Daarmee aangevend dat de Joden van 1814 een rechtstreekse lijn hadden met de Joden in de Bijbel. Het was één en het zelfde volk, destijds daar, nu in Nederland, maar nog steeds de groep met die zelfde religie en Bijbelse historie.
Heden en toekomst
In het jubileumjaar wil het NIK vooral vooruit kijken. Alleen deze historische bijeenkomst in Huis Huguetan, en de herlancering van het officiële wapen met rijkswapen, hebben een directe band met de tijd van de oprichting.
Andere activiteiten in het bi-centenniale jaar zijn gericht op het heden en op de toekomst. Een van de taken die het kerkgenootschap in 1814 kreeg was een vorm van toezicht op de opleiding en aanstelling van rabbijnen. Nu is het zo dat voor het eerst alle rabbijnen bijeen zijn gebracht op een Rabbijnendag. En het is zo goed bevallen dat er in dit jubileumjaar nóg een Rabbijnendag komt.
Toekomstgerichte organisatie
Dit jubileumjaar zag voor het eerst sinds meer dan honderd jaar een nieuwe sidoer het licht. Deze door Henny van het Hoofd vervaardigde Sjabbatsidoer is op een compleet nieuwe leest geschoeid. De ontvangst er van is overweldigend geweest. De lancering van de nieuwe Sjabbat Sidoer / Sjabbat Thuis en de beschikbaarheid van de Kasjroetlijst op een Android app zijn twee voorbeelden van vernieuwende initiatieven. Het heeft het NIK als een moderne toekomstgerichte organisatie op de kaart gezet.
Het kerkgenootschap gaat met zijn tijd mee en wil dit jubileumjaar beginnen met het aanbieden van onlinelessen voor kinderen. Op die manier gaat een kind in een leeftijdsgroep met leeftijdsgenoten uit alle delen van het land in één virtuele klas via een online computerverbinding samen Joodse les krijgen. Daarmee werkt het NIK niet alleen aan de toekomst, het borduurt voort op het feit dat sinds tweehonderd jaar het Joodse onderwijs via zgn. door het NIK benoemde Schoolcommissies en later centrale aansturing, begeleiding en lesmateriaal-vervaardiging in het hele land werd èn wordt verzorgd.
Bestuursvoorzitter Jaap Hartog:
Het voorwoord dat we bij de nieuwe sjabbatsidoer schreven, begint met de woorden:
“Emancipatie en integratie van de Joden in Nederland was een belangrijke drijfveer voor de oprichting van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap in 1814. Nu, tweehonderd jaar later, stelt het NIK zich tot taak om Joden dichter bij hun Joodse identiteit te brengen.”
De maatregelen die we in dit jubileumjaar nemen zijn hier op gericht.Het is mijn innige hoop dat zij met de verdere inzet en werkzaamheden van medewerkers en bestuurders van het kerkgenootschap er toe zullen bijdragen dat Joden in Nederland met hun Joodse identiteit ook in de komende tweehonderd jaar hun plaats in de samenleving in kunnen blijven nemen.



