Parsja Wa’etchanan 5774

(Dewariem/Deuteronomium  3:23 – 7:11)

WA-ETCHANAN (en ik smeekte):

  • G’d weigert Mosjé toegang tot het Land. Hij kan op de berg Pisga het Land aanschouwen en Jehosjoe’a aanmoedigen.
  • Mosjé herinnert aan de Openbaring op de berg Sinaï, die voor de hele natie bestemd was.
  • Er mag aan de Wet niets toegevoegd of afgenomen worden.
  • Mosjé geeft een overzicht van de Tien Geboden, onderwijst Sjema, er is slecht één G’d.
  • Ga geen huwelijken aan met de Kena’anieten en vernietig hun afgodische hoogten. Want de Bné Jisraëel zijn aan G’d gewijd, ze mogen niet spiritueel vervallen en hun bijzondere opdracht vergeten.
  • Mosjé voorspelt dat de Bné Jisraëel tot zonden zullen vervallen, verstrooid zullen worden onder de volkeren, maar uiteindelijk terugkeren.
    Wa’etchanan is de 45e parsja, bestaat uit 21 afdelingen (5 open en 16 gesloten), telt 122 pesoekiem, verzen, 1878 woorden, 7343 letters en is de 17 na langste parsja. Bevat 8 ge- en 4 verboden.

    Verdieping I: Definitie van Jodendom

    7:1 e.v. Wanneer HaSjeem je in het land gebracht zal hebben, dat jullie gaan veroveren, dan zal HaSjeem vele volken voor jullie verdrijven, de Chithieten, Girgasjieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chivieten en Jevoesieten, zeven volken, groter en sterker dan jezelf. Als HaSjeem ze aan jullie heeft overgeleverd, en  jullie ze verslaan hebt…mag je met hen geen verbond sluiten en ze begunstigen.

    7:3 e.v. Jullie mogen geen familie van hen worden: je dochter mag je niet aan zijn zoon geven, zijn dochter mag je niet nemen voor je zoon. Want hij zal jouw zoon (of: kind) van Mij wegnemen; zij zullen andere goden dienen. De woede van Hasjeem zal dan tegen jullie ontbranden en Hij zal je snel vernietigen. Zo moet jullie tegen hen doen: jullie moeten hun altaren neerhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun heilige bossen omhakken en hun afgodenbeelden in vuur verbranden.

    Want jij bent een volk, dat aan HaSjeem gewijd is. Hij heeft je vanuit alle volken op aarde uitgekozen om Zijn geliefde volk te worden. Niet omdat jullie meer in aantal zijn dan de andere volken heeft HaSjeem naar jullie verlangd en jullie gekozen; want jullie zijn het kleinste van alle volken. Omdat HaSjeem jullie liefhad en Hij zich hield aan de eed aan jullie voorouders, heeft HaSjeem jullie met sterke hand uitgevoerd en jullie verlost uit het slavenhuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte…Hun afgodenbeelden moeten jullie in vuur verbranden. Begeer niet het goud en zilver dat eraan zit en eigen je je dat niet toe; dat wordt jullie valstrik, want HaSjeem heeft een afschuw van die dingen. U mag die afschuwelijke dingen niet in huis halen, anders wordt u zelf ook vernietigd. Verafschuw ze met diepe weerzin, want het valt onder de banvloek.Einde citaat.

    Hier geeft de Tora duidelijk aan, dat wij onze eigen religie en onze Joodse cultuur moeten vrijwaren van afgodische invloeden. De strijd tegen de afgoderij loopt als een rode draad door de Tora (en ook door de rest van Tenach). Een van de speerpunten van deze strijd tegen de afgoderij vormt het verbod op familierelaties: “Jullie mogen geen familie van hen worden: je dochter mag je niet aan zijn zoon geven, zijn dochter mag je niet nemen voor je zoon. Want hij zal bincha, jouw zoon (of: kind) van Mij wegnemen; zij zullen andere goden dienen.

    Rasji (1040-1105) vertaalt bincha niet als jouw kind maar als jouw kleinkind. `Hij zal bincha, jouw zoon (of: kind) van Mij wegnemen’, betekent dan, dat hij, jouw schoonzoon, de heidense vader van het klein-kind, jouw Joodse kleinkind, van het Jodendom zal vervreemden. Jouw kleinkind is Joods – omdat zijn moeder Joods is – en de angst bestaat, dat hij door zijn heidense vader tot afgoderij wordt verleid.

    Let wel: er staat ook: zijn dochter mag je niet nemen voor je zoon maar er staat daarna niet, dat de Tora vreest, dat zij, de heidense schoondochter jouw kleinzoon van het Jodendom zal verwijderen, omdat het kind door zijn heidense moeder al zodanig van het Jodendom verwijderd is, dat het in feite een heiden is.

    Dit is de reden, dat Rasji hier kiest voor de vertaling van bincha als kleinzoon want alleen zo kan in deze context een manspersoon een zoon tot afgoderij verleiden.

    Rabbiner Samson Raphael Hirsch (1808-1888) opponeert Rasji in zijn verklaring. Hij stelt, dat hier de heidense schoonvader als de verleider tot afgoderij wordt bedoeld. De Kena’aniet zal jouw eigen Joodse zoon tot afgoderij verleiden en zij – in het meervoud:

    dwz. jouw dochter, die getrouwd is met een heidense man en jouw zoon, die getrouwd is met een heidense vrouw, zullen dan de afgoden gaan dienen.

    De kleinzonen van Rasji, die wij de Tosafisten (omstreeks 1250) noemen, vertalen de pasoek ook anders. In hun kielzog vertaalt Rabbijn Joel Vredenburg (1866-1943) de zin als volgt: “hij, de Kena’aniet, wiens zoon of dochter gij voor uw dochter of zoon in echtverbond neemt, zou uw klein-zoon doen afwijken van achter Mij, van Mij te volgen. Mosje spreekt in naam van G’d. `En zij zouden samen dienen’, de heiden met uw kind en kleinkind; of bincha als verzamelwoord opgevat: uw nakomelingen…” Einde citaat.

    Rabbijn Vredenburg volgt in eerste instantie de Tosafisten, die de zin als volgt vertalen (ik parafraseer even): 7:3 e.v. `Jullie mogen geen familie van hen worden: je dochter mag je niet aan Jans zoon geven, Jans dochter mag je niet nemen voor je zoon. Want Jan zal jouw zoon (of: kind) van Mij wegnemen; zij zullen andere goden dienen’. Bincha kan ook kind betekenen en in deze context zou dat betekenen, dat de heidense schoonvader Jan jouw Joodse zoon of Joodse dochter zou verleiden tot afgoderij.

    Rabbijn Vredenburg geeft als alternatief, dat bincha als verzamelwoord kan worden opgevat: uw nakomelingen.

    Dan slaat bincha niet meer specifiek op kleinkinderen en kan het ook de eigen kinderen betekenen. De heidense schoonvader zal het Joodse schoonkind – mannelijk of vrouwelijk – tot afgoderij verleiden.

    Volgens Rasji kan direct uit de tekst worden afgeleid, dat een kind van een Joodse moeder automatisch Joods is. Rasji spreekt over een Joods kleinkind, dat door zijn heidense vader wordt verleid tot afgoderij. Het kind is Joods omdat zijn moeder Joods is.

    Volgens de opvatting van de Tosafisten volgt dit moeder is Joods, kind is Joods-principe niet direct uit de tekst. Dat wordt dan afgeleid via een ander afleidingsprincipe in de Talmoed (de dioek’ of a-contrarioredenering, zie Tosafot B.T. Kiddoesjien 68b).

    Verdieping II: Afgoderij en tovenarij

    Hiervoor werd ingegaan op de angst voor afgoderij. Hoewel misschien niet direct afgoderij worden toch allerlei vormen van `zwarte magie’, bijgeloof, waarzeggerij, glazenbol-kijkerij, tovenarij en voorspellerij hier ook onder gevat en gezien als praktijken, die voortvloeien uit afgodische opvattingen. Wij moeten volledig geloof in Hasjeem hebben en ons niet op dwaalsporen laten brengen. Een van die dwaalsporen is bijgeloof, dat grenst aan ongeloof of lichte afgoderij.

    De concrete voorschriften staan in de Kitsoer Sjoelchan Aroech (uitgave NIK): “Er staat geschreven (Wajjikra 19:26): „Houd je niet bezig met bijgeloof en doe geen voorspellingen”. Wat is bijgeloof? Als iemand zegt: „Omdat mijn brood uit mijn mond gevallen is”, of: „Mijn stok is uit mijn hand gevallen”, of: „Een raaf kraste tegen mij …”; „Een hert kruiste mijn pad ….”; „Een slang passeerde mij rechts ….”, „daarom zal ik niet deze weg nemen want dat brengt ongeluk”. Zo ook diegenen die een vogel horen tsjilpen en zeggen: „Dit of dat zal er gebeuren”, of die dit beschouwen als een goed of slecht voorteken voor iets. Einde citaat.

    De Tora verbiedt om toevalligheden tot leidraad van onze beslissingen en handelingen te maken. Waar het in essentie om gaat, is dat men toevalligheden niet als zelfstandige en lotsbepalende oorzaken mag zien. Toch mag men sommige omstandigheden als een goed teken beschouwen, zoals trouwen bij wassende maan als teken van een huwelijks leven vol groeiende voorspoed. Dit ziet men dan niet als zelfstandige oorzaken van geluk of ongeluk.

    Wat is het verschil tussen een vroom, gelovig mens en iemand die dat niet is? Een vroom gelovig mens volgt de mitsvot, Tora-geboden op en ziet overal de hand van G’d in. Het leven is geen reeks toevallige gebeurtenissen. Als men G’ds hand kan zien in opbouwende en positieve gebeurtenissen, is dit geoorloofd.

    Het is verboden tovenaars te raadplegen, behalve in geval van levensgevaar of als men gestoord wordt door een kwade geest, dan mag men genezing zoeken bij een niet-Joodse tovenaar. Hierover schrijft Rambam in zijn Misjna Tora, Hilchot Awodat Kochawiem 11:16: „Dit is allemaal dwaas­heid en wie daarin gelooft, is zwak van geest: „Vertrouw met volkomen vertrouwen op Hasjeem, je G-d” (Dewariem 18:13).

    Het Jodendom erkent zwarte magie als kracht. Wij mogen deze krachten alleen niet raadplegen of er in geloven. Maar ze bestaan wel.

     

Reacties zijn gesloten.