Parsja Vajisjlach 5775

(BEREESJIET 32:4 – 36:43)

Samenvatting:

  • Op weg naar huis stuurt Ja’akov gezanten om zijn broer Esau gunstig te stemmen. Het blijkt dat Esau onderweg is naar Ja’akov met 400 gewapende mannen.
  • Hij zendt nu gezanten met geschenken voor Esau.
  • In de nacht worstelt een man – een Engel, met Ja’akov.
  • Aan het einde van de strijd vertelt de man dat zijn naam in het vervolg Jisraëel zal zijn wat betekent dat hij met G’d en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen.
  • Het blijkt dat Ja’akov een gekwetste zenuw in zijn heup heeft (daarom mogen wij een deel van de achterbout niet eten).
  • Ja’akov verdeelt zijn vrouwen en kinderen. Als er een ramp zou gebeuren, zouden niet allen ten onder gaan. Bij de ontmoeting vallen de broers elkaar om de hals en huilen. Ja’akov gaat niet in op het voorstel van Esau om bij elkaar in de buurt te wonen.
  • Ja’akov koopt het land waar hij zijn tenten heeft opgeslagen van Chamor, de vorst van Sjechem. Enige tijd later wordt Dina, Lea’s dochter, verkracht door Sjechem, de zoon van Chamor.
  • Hoewel Sjechem met haar wil huwen en zijn vader voorstelt beide volksstammen met elkaar te vermengen, zijn de zonen van Ja’akov zeer beledigd door de ontering van hun zuster. Zij stellen voor dat huwelijken pas kunnen plaatsvinden als alle mannen van de stad besneden zijn.
  • Daarna doden Sjimon en Levie, twee broers van Dina, alle mannen van Sjechem.
  • G’d beveelt Ja’akov naar Beth-El te gaan en daar een altaar te bouwen. Hij verschijnt Ja’akov weer en bevestigt de naamsverandering in Jisraëel.
  • Onderweg sterft Rachel tijdens de bevalling van haar zoon Benjamin. Ja’akov begraaft haar en richt daar een gedenksteen op. Izak sterft op de leeftijd van 180 jaar.

Vajisjlach telt 9 parsjiot, afdelingen, 153 relatief korte pesoekiem, verzen, 1976 woorden, 7458 letters en is de 4e na langste parsja.

Bevat het eetverbod van gied hanasje, de verwrongen spier.

VERDIEPING I: IS HET GOED DAT ER KWAAD IS?

Bij elke vleeskosten maaltijd worden wij met het verbod om de verwrongen pees, de gied hanasje uit de achterbout te eten weer herinnerd aan de worsteling tussen de Beschermengel van Esav en Ja’akov: “Daarom eten de Joden de gied hanasje niet, want hij heeft de heup van Ja’akov ontwricht aan de gied hanasje” (32:32).

De gied hanasje herinnert aan het grote wonder, dat Ja’akov heeft gestreden met een Engel en met mensen en toch uiteindelijk ongeschonden uit de strijd is gekomen. Deze strijd is altijd onderdeel gebleven van de psychische make-up van het Joodse volk. Deze strijd kan op verschillende niveaus begrepen worden:

  1. Als een externe strijd: de strijd met de mensen is dan het moorddadige antisemitisme. De strijd met de Engel duidt op de psychische strijd, die wij regelmatig moeten leveren in een totaal anders denkende cultuur in goles, ballingschap om onze eigen identiteit te behouden.
  2. Intern: de strijd met de Engel symboliseert de eeuwige interne strijd tussen goed en kwaad. Dit is misschien wel de essentie van het Jodendom.

Het Jodendom gaat ervan uit dat goed en kwaad relatieve begrippen zijn en alleen in contrastwerking goed tot hun recht komen. Pas door het kwade tegendeel krijgt het goede duidelijke contouren. Rav Nachman, de zoon van Rav Chisda (4e eeuw), vraagt zich af waarom de uitdrukking ‘vayitser – en G’d schiep’ (Genesis 2:7) met twee letters joed wordt geschreven terwijl één joed had volstaan.

Het antwoordt luidt dat G’d twee neigingen in de mens heeft geplant, de goede, Hemelse neiging en de aardse, materiële neiging (B.T. Berachot 61a).

De goede en de kwade neigingen worden beschreven als een innerlijk spanningsveld binnen de menselijke persoonlijkheid. Het wordt meestal gevormd door de spanning tussen wat de mens wil en wat hij zichzelf toestaat. In feite is er sprake van een voortdurende interne strijd tussen goed en kwaad, ook al zijn wij ons daarvan niet altijd bewust. Het gevecht tussen goed en kwaad is een dynamisch en geen statisch concept. De frontlinie verschuift doorlopend.

Het kwaad heeft ook goede kanten. De kunst van het mens-zijn is om driften niet geheel te onderdrukken maar ook niet onbeperkt uit te leven. Kinderen moeten leren hun driften te kanaliseren. Passies moeten sociaal acceptabel worden geuit. Omzetting van driftenergie in hogere geestelijke aspiraties heet sublimatie. Het onbewuste vormt het onbevredigbaar lustprincipe.

De goede neiging – superego – herinnert ons aan morele principes, terwijl het ego bemiddelt tussen de verlangens van het onderbewuste en de grenzen van toelaatbaarheid, die de goede neiging stelt.

Twee niveaus

Een typisch Joodse invalshoek vormt de gelaagdheid van de goede neiging. Het Jodendom kent twee niveaus bij de neiging tot het goede. Eén is zowel aangeboren als aangeleerd en één is een Hemels gegeven. Het lijkt erop dat de Talmoed ervan uit gaat dat de goede neiging meer is dan alleen een uiting van verinnerlijkte maatschappelijke normen.

De G’ddelijke natuur van de mens is meer dan een symptoom van sociale en culturele inbedding van het individu in de samenleving. Het is misschien wel de enige bron van werkelijke waarden en normen in het menselijke leven: de keuze voor het goede. De goede neiging, die rond het begin van de puberteit tot volle wasdom komt, wordt gezien als een stukje van het G’ddelijke in de wereld. Het heeft als zodanig dus een enorm moreel gezag en verdient veel steun. Dit sluit echter niet uit dat het subjectief is en uitgeschakeld kan worden.

Verslaving aan het slechte

De Talmoedgeleerde Rava (B.T. Soeka 52b) noemt de kwade neiging in eerste instantie een voorbijganger. Wanneer men er veel aandacht aan besteedt, wordt de kwade neiging een gast, en uiteindelijk de baas, in het leven van de mens. Gewenning aan kwade praktijken leidt tot verslaving. Rav Assi zei dat de kwade neiging ‘in eerste instantie op een draad van een spinnenweb lijkt maar uiteindelijk is hij zo sterk als de leidsels van een wagen (vgl. Jeremia 11:17; B.T Soeka 52b).

Deze bijna onverbrekelijke band van de mens met zijn kwade neiging lijkt op verslaving aan het kwade. Deze verslaving is uiteindelijk tragisch: “de kwade neiging lijkt in het begin zoet maar is uiteindelijk bitter” (J.T. Sjabbat 14:3). Men kan de aardse neiging aantrekken en afstoten. Wanneer men zich daarvoor openstelt, is het al snel gedaan met de goede neiging van de mens.

Te veel hechting aan het aardse leidt tot (spirituele) destructie. Goed en kwaad zijn continu in gevecht met elkaar in het binnenste van de mens. Goed zonder kwaad en kwaad zonder goed bestaan niet in deze wereld.

Het enige waar de mens werkelijk vrij in is, is de keuze tussen goed en kwaad. ‘Hoeveel goeds heb ik kunnen realiseren in mijn leven en hoeveel kwaads heb ik kunnen sublimeren tot iets positiefs’ vormt de centrale levensvraag bij ieder individu.

Interne spanning

De kwade neiging is ook kwaadaardig tegenover het goede in de mens zelf. De mens is een unieke combinatie van goed en slecht. Wanneer wij – ondanks alle weerstand – kiezen voor het goede, is dat een beloning waard in de vorm van nabijheid en benadering van het G’ddelijke. Een ziel in de hemel heeft geen verleidingen en hoeft ook niet voor het goede te vechten. Hier op aarde staat de mens doorlopend bloot aan verleidingen en gelegenheden om zijn niveau te verlagen en zichzelf te degraderen.

Krachtbron

Toch heeft ook de kwade aandrift een geweldige power. Zonder materiële `drives’ zouden mensen geen huis bouwen, niet huwen, geen kinderen krijgen en geen handel drijven. Want de wereld ‘is gebaseerd op jaloezie, lust en eerzucht’.

Als men de aardse neiging kan ombuigen tot iets positiefs heeft men er een enorme krachtbron bij. Als de aardse neiging zijn ‘krachtcentrale’ ten dienste stelt van het goede in de mens, ontstaat een metamorfose: een nieuw – en beter – mens.

Levenselixer

Tora leren wordt gezien als de remedie tegen de kwade neiging en versterkt de positieve krachten. De Tora wordt nogal eens vergeleken met vuur en de kwade neiging met metaal. Wanneer men metaal in vuur legt, kan men er alle vormen en voorwerpen van maken. Zo ook is de kwade neiging te kneden, te vormen en te sublimeren door het leren van Tora, die vergeleken wordt met vuur (Avot van rabbi Natan 16).

Krachtpatser

De enige werkelijke `krachtpatser’ in het Jodendom is degene die zijn aardse neiging beheerst (Pirkee Avot 4). Tora-leren dooft het vuur van de passie. Tevens geeft de Tora duidelijke richtlijnen waar de kompasfunctie van de goede neiging nogal eens faalt.

Reacties zijn gesloten.