Van de 58 Joodse inwoners van Beilen zijn 46 door de Duitsers vermoord. Slechts 12 Beiler Joden hebben de oorlog overleefd. Op dit moment is er nauwelijks iets in Beilen dat nog herinnert aan de Joodse gemeenschap die het dorp tot de oorlog gehad heeft.
Herdenkingsstenen
Afgelopen vrijdag zijn er herdenkingsstenen gelegd voor acht Joodse inwoners van Beileroord, een instelling voor geestelijk gehandicapten. Tegenwoordig maakt Beilen deel uit van de gemeente Midden-Drenthe.
Opperrabbijn Jacobs
Bij het plaatsen van de Stolpersteine sprak opperrabbijn Jacobs de volgende woorden uit, gevolgd door Jizkor en Kaddiesj.
Iena Vegt, Helena Grunebaum, Margaretha Mug, Diena de Leeuw, Roosje Philippina Horneman, Hendrika Joosten, Annigje Keizer, Levie Rintel … dubbel waren zij gehandicapt, want zij waren allen Joden, en of het nog niet erg genoeg was, waren zij allen ook nog bewoners van een psychiatrische instelling, van Beileroord of/en van het Apeldoornsche Bosch. Krankzinnigen, die überhaupt geen bestaansrecht hadden.
Ieder jaar weer, jaar in jaar uit, mag ik rond 20 januari in Apeldoorn bij het monument, ter nagedachtenis aan de bewoners van het Apeldoornsche Bosch, het kadiesj gebed uitspreken, het gebed dat een kind uitspreekt voor zijn overleden vader of zijn gestorven moeder, zijn broertje of zijn zusje. Ze werden op het station van Apeldoorn in de treinen gesmeten, sommigen nog in de dwangbuizen, op elkaar gestapeld, gillend, kermend. Broeders, zusters en artsen wilden hun bewoners, hun patiënten niet alleen laten en gingen mee, een aantal van hen vrijwillig. Het transport stopte zelfs niet in Westerbork maar ging rechtstreeks naar Auschwitz. Maar ook daar kregen ze een “voorkeursbehandeling”: geen iets mildere dood in de gaskamers, maar direct levend op de brandstapels, want ze waren krankzinnig en ook nog Joods … . Eindelijk, vrij recentelijk, hebben we al hun namen weten te vereeuwigen en toegevoegd op plaquettes aan het imposante monument. Ze hebben weer een naam gekregen. Maar worden ze daardoor aan het duistere gat van de vergetelheid onttrokken? Of zijn ze wellicht al vergeten? Zal er iemand zijn die zich de moeite getroost om hun namen te lezen? En zo ja, zeggen die namen nog iets? Of waren ze toen al vergeten, lang voor de deportatie, veilig weggestopt, vooral ver weg, omdat ze geestesziek waren?
De laatste jaren maakte ik mijzelf steeds meer zorgen dat de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst in Apeldoorn langzaam maar zeker verwordt tot geschiedenis. De Tachtigjarige Oorlog spreekt ook niet meer tot onze verbeelding, wij voelen er niets meer bij. Ik voelde boosheid tijdens de herdenkingen opwellen in mijzelf, als hoorde dat de herdenking werd gedegradeerd tot een soort educatief project waarin allerlei misstanden elders in de wereld breed werden uitgemeten. Natuurlijk moeten we leren van, en uiteraard is er geen heden zonder verleden. Maar mogen we het toelaten dat die ene keer per jaar besteedt wordt aan brandhaarden elders in de wereld? Hebben mijn bewoners van het Joods psychiatrisch Ziekenhuis het Apeldoornsche Bosch en van Beileroord niet het recht dat er desnoods één enkele keer per jaar alleen en uitsluitend aan hen wordt gedacht, ook als we hun naam al vergeten zijn?
Helaas moet ik constateren dat onze herdenkingsbijeenkomst in Apeldoorn, actueler is dan ooit. Ook ons samenzijn hier, is niet van gisteren en ook niet voor morgen, maar het is voor nu.
Het antisemitisme wordt weer pijnlijk zichtbaar. Het is bijna geaccepteerd dat Joden in onze Nederlandse straten worden nagescholden, louter en alleen omdat ze Joden zijn en hoor wat in het voetbalstadion weerklinkt, enthousiast en zonder gêne.
We spreken een gebed uit, waarna ik kadiesj zal zeggen, voor onze Iena Vegt, Helena Grunebaum, Margaretha Mug, Diena de Leeuw, Roosje Philippina Horneman, Hendrika Joosten, Annigje Keizer, Levie Rintel.
