Parsja Emor 5776

 (Wajikra / Leviticus 21:1 – 24:23)       

  • Kohaniem hebben geen contact met doden en sluiten een aantal huwelijken niet.
  • Een offerdier mag geen gebrek vertonen.
  • Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden.
  • Aharon moet de Menora (kandelaar) voortdurend brandend houden.
  • In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden.
  • Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.

Emor is de 31e parsja, telt 124 pesoekiem, verzen, 1614 woorden, 6106 letters en is de 31 na langste parsja. Bevat 24 ge- en 39 verboden.

VERDIEPING:  Van materieel tot spiritueel “Jullie moeten heilig blijven…” (21:6).

De belangrijkste taak van het Joodse volk is om het materiële in iets spiritueels te veranderen. Het uiteindelijke doel bij het scheppen van deze wereld was, dat G’d voor Zichzelf een “woonplaats wilde in de meest duistere fysieke wereld”. Nu kunnen wij het raadsel van de Schepping van de mens op een iets dieper niveau begrijpen. Het lichaam is een grove schepping van ondoorzichtig materiaal, maar de ziel heeft de mogelijkheid om het licht ook in de grootste duisternis te doen schijnen, en is in staat om het materiële lichaam te veranderen in licht. Dit is het belangrijkste doel bij de schepping van de mens en de afdaling van zijn ziel in deze fysieke wereld.

We zien dit terug in een interessant letterfenomeen waarop onze Kabbalisten ons opmerkzaam maken. Oorspronkelijk – in Gan Eden, het Paradijs – stond het menselijk lichaam op een veel hoger niveau en functioneerde dit veel subtieler, sneller en efficiënter. Het menselijk lichaam was toen niet van huid (עורor met een ajin) maar van licht (אורor met een alef). Na de zondeval veranderde de alef in een ajin (een veel grover en aardser letter dan de alef), werd het menselijk omhulsel, dat wij lichaam noemen veel concreter en minder ijl en subtiel, en kregen wij de huid en aardse vorm die wij nu hebben. Door de zondeval werd ons leven veel aardser en meer materieel. Onze opdracht is nu weer te pogen terug te keren naar die oorspronkelijke verheven staat van zijn waarin wij het G’ddelijke in de wereld veel makkelijker kunnen zien om ons daaraan te hechten.

Ik moest hieraan denken door de Tora-opdracht om ook hier op aarde `heilig te blijven’. We zeggen in onze tefillot (gebeden): “Kadosj, kadosj, kadosj, heilig, heilig, heilig is Hasjeem, de Heer van alle heerscharen”. Hasjeem (G’d) heet heilig omdat Hij verheven is boven alle materiele en geestelijke vormen.

Maar toch hebben wij een manier om ons te verbinden met het G’ddelijke in deze wereld: “Melo chol ha’arets kewodo” – Vol van Zijn heerlijkheid is het universum! Deze G’ddelijke manifestatie in de creatie van onze wonderlijke materiele en spirituele werelden wordt G’ds kavod (eer) genoemd: “Alles wat in Mijn Naam genoemd wordt is geschapen voor Mijn eer; Ik heb het geschapen, vorm gegeven en materieel gemaakt” (Jesjaja 43:7).

Kedoesja en kavod

Ik wil een verband leggen tussen kedoesja (heiligheid) en kavod (eer). Overal waar kedoesja is, bestaat een vorm van kavod. Omdat iedereen een G’ddelijke ziel heeft, betekent, dat wij ons `bekowed’ – eervol moeten gedragen.

Juist in onze parsja komt die connectie tussen kedoesja en kavod duidelijk naar voren. De kohaniem (priesters) kennen een hoog niveau van kedoesja en hun gedrag dient zich daarnaar te richten. De kedoesja van de korbanot (offers) vereist een bekowede omgang met de fauna en alles in het Heiligdom, G’ds kedoesja vereist veel kavod in onze relatie met het Opperwezen, waarna de kedoesja van de Sjabbat en Jamiem toviem (feestdagen) volgt. Het einde van de parsja wordt gevormd door de zoon van een Egyptische opzichter, die de Naam van Hasjeem vloekt, de mekaleel. Mekaleel (G’dsvloeker) komt van de stam `kal’, licht. Kavod komt van de stam `kaweed’ zwaar.

Kal en kaweed

Wanneer wij de ander `zwaar’, serieus nemen en rekening houden met zijn G’ddelijke ziel, dan gaan wij op bekowede (eervolle) manier met hem of haar om. Als wij onze medemensen niet aanspreken op hun G’ddelijke oorsprong en niveau kan het einde zijn, dat wij hem of hij ons vervloekt. We waren vergeten, dat zijn G’ddelijke oorsprong ook in de intermenselijke relatie moet doorklinken.

Fijngevoeligheden

Het zijn kleine fijngevoeligheden en subtiele verschillen, die hier een duidelijke rol spelen. De Talmoed vertelt, dat iemand die op straat eet vergeleken kan worden met een hond. Sommigen zeggen zelfs, dat hij niet eens meer mag getuigen. Waar het hier om gaat is de menselijke waardigheid op een heel subtiel niveau. Als iemand op straat eet, toont dat, dat hij zich niet bekommert om zijn eigen kavod. Het zou zo maar kunnen dat hij ook andere zaken doet, die hem – door zijn gebrek aan kavod voor zijn hoge roeping – ongeschikt maken om als honderd procent betrouwbare getuige op te treden in een gerechtshof  (Bet din).

Waarom maken wij ons zo druk over dat eten op straat? Als het maar kosjer eten is en hij een beracha gezegd heeft, is alles toch `koosjer wejoosjer’? Maar daar gaat het hier niet om. We spreken op een hoger niveau. Kavod kan omschreven worden als `uiterlijk gedrag dat aansluit bij en een gevolg is van het gevoel, dat de mens de G’ddelijke beelddrager is, het enige schepsel hier op aarde, dat geschapen is in de Tselem Elkiem, het G’ddelijke beeld, en hierdoor een innerlijke kedoesja herbergt’.

Juist de mensen, die door hun hoge gevoel voor kedoesja een voorbeeldfunctie hebben, moeten uiterst alert zijn op alle afbraak van kedoesja, die in onze maatschappij gepropageerd wordt. Een talmied chagam (een Geleerde) moet zijn verfijning ook tonen in bekowed gedrag. Iedere nieuwe generatie lijkt hier steeds ongevoeliger voor te worden. Maar daar gaat het nu juist om.

Kedoesja leidt tot een bepaalde ziele adel die zich uit in een grote liefde voor alles om ons heen, een liefde die te maken heeft met het gevoel, dat G’ds wereld vol is van Zijn kedoesja en dienovereenkomstig behandeld en benaderd dient te worden.

ZESDE OCHTENDBERACHA: MALBIESJ AROEMIEM
– “Geprezen.. Die naakten kleedt”.

Wij zeggen deze beracha omdat:

  1. ONDERSCHEID MET DIEREN. Alleen mensen zich kleden. Kleding duidt op een bepaalde ingetogenheid. Ingetogenheid is mede een uiting van een gevoel van bescheidenheid tegenover G’d en de medemens.
  1. KLEDING ONDERSCHEIDT. Kleding de `man maakt’ maar ook vaak een weerspiegeling van onze identiteit is.
  2. UITERLIJK BELANGRIJK. Er achter al die (Joodse) uiterlijkheden een diepe filosofie schuil gaat. Neem de keppel. Velen menen dat een keppel wordt gedragen om uiting te geven aan het gevoel, dat `er iets boven ons is’. Toch is er meer. De keppel voor mannen vormt een deel van de kleding en volgt dus als kledingstuk de algemene kledingvoorschriften. Bepaalde theorieën stellen, dat wij ons kleden om ons te beschermen tegen de natuurelementen of om onszelf te verfraaien.

De kledingtheorie uit de Tora luidt echter, dat wij ons naakt schamen: `Adam en zijn vrouw waren beiden naakt maar zij schaamden zich niet’ (Genesis 2:25). Na de zondeval schaamden Adam en Eva zich en naaiden van vijgenbladeren schorten (ibid. 3:7)

Volgens de Tora kleden wij ons dus omdat wij ons schamen. Wij bedekken onze hersenen omdat we ons schamen voor ons verstand. G’d heeft de mensheid met een grote intelligentie begiftigd maar als wij het resultaat van onze inspanningen aanschouwen, komen wij al gauw tot de conclusie dat wij er niet veel van gebrouwen hebben.

 

Reacties zijn gesloten.