Joodse Omroep behoudt uitzenduren in nieuwe concessietoewijzing

De Joodse Omroep houdt de komende vijf jaar het zelfde aantal uren op radio en tv, 70 uur radio en 23 uur tv-zendtijd. Dat heeft het Commissariaat voor de Media bekend gemaakt.
Het Commissariaat voor de Media heeft besluiten genomen over de aanvragen van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag (de zgn. 2.42-omroepen) voor een aanwijzing voor de periode september 2010 tot 31 december 2015.
De Joodse Omroep, evenals de Boeddhistische Unie Nederland (BUN), en de Organisatie voor Hindoe Media (OHM) krijgen ieder per jaar 23 uur op televisie en 70 uur op de radio. De grootste op religieuze grondslag gebaseerde zendgemachtigden zijn het Rooms Katholiek Kerkgenootschap (RKK) en de Stichting Verzorging Kerkelijke Zendtijd (IKON en ZvK). Zij krijgen elk per jaar 83 uur op televisie en 249 uur op de radio. De SMON (Islam) en het Humanisme (HUMAN en De Vrije Gedachte) krijgen elk per jaar 58 uur op televisie en 175 uur op de radio.

Bij het toekennen van de zendtijdconcessies heeft het Commissariaat sterk gelet op goed bestuur en op functiescheiding bij de administratieve organisatie. Zo heeft bij toekenning van de voor de moslims beschikbare zendtijd aan een nieuwe speler, de Stichting Moslim Omroep Nederland SMON, meegespeeld dat de SMON een duidelijke scheiding heeft aangebracht tussen toezicht en dagelijkse leiding en dat de administratie zodanig is ingericht dat een rechtmatige besteding van middelen kan worden gegarandeerd. 
De aanvragen van de Stichting Moslimomroep (SMO) en de Stichting Verenigde Moslimomroep (VMO) worden afgewezen. Naar het oordeel van het Commissariaat biedt de SMON de meeste garanties dat naast de eerste generatie moslims ook de tweede en derde generatie als doelgroep worden betrokken in het publieke bestel. Verder biedt het bestuursmodel van de SMON voldoende waarborgen om herhaling van de conflicten die de moslimomroepen in het verleden hebben gekenmerkt, te voorkomen. 

De hoeveelheid uren die jaarlijks voor de genootschappen gezamenlijk beschikbaar is, bedraagt 1057 uur voor radio en 351 uur voor televisie. Deze uren worden over de genootschappen verdeeld: 25 procent van het totale aantal beschikbare uren wordt gelijk over de organisaties verdeeld en 75 procent van de uren wordt verdeeld naar rato van de omvang van de achterban.

Reacties zijn gesloten.