Aboutaleb en Evers nemen eerste exemplaar boek Joodse begraafplaats in ontvangst

Burgemeester Aboutaleb en rabbijn Evers van de Joodse Gemeente Rotterdam hebben het eerste exemplaar in ontvangst genomen van een boek over de oude Joodse begraafplaats aan de Oostzeedijk in Rotterdam. Het boek Huis van de levenden is geschreven door Ton Hokken en uitgegeven door Primavera Pers, in samenwerking met het Gemeentearchief Rotterdam. De begraafplaats werd gesticht in 1696. Het is een van de weinige oude monumenten in Rotterdam dat door het bombardement in mei 1940 veel van zijn historische panden verloor.
De meeste graven dateren van 1770 tot 1820. Er liggen veel leden van families die al geruime tijd in Rotterdam woonden en een invloedrijke positie hadden binnen de Joodse gemeenschap.
De uitgave bevat de foto’s die het Gemeentearchief Rotterdam in 1976 van de ruim 200 zerken liet maken, toen veel inscripties in betere staat waren dan nu. De doorgaans Hebreeuwse teksten zijn vertaald, vaak vanaf de foto. Ton Hokken deed vervolgens onderzoek naar de levensloop van de mensen die er begraven liggen.

“Bij de zorg voor levenden hoort de zorg voor de doden. Dat gegeven klinkt door in het boek dat Ton Hokken schreef over de geschiedenis van de Joodse begraafplaats aan de Oostzeedijk. Dit boek over de Joodse begraafplaats heeft mooie voorbeelden van samenleven zoals het kan en zoals wij het willen”, aldus burgemeester Aboutaleb bij de boekpresentatie in het deelgemeentekantoor van Kralingen-Crooswijk.


Historie

Directeur Jantje Steenhuis van het Rotterdamse gemeente-archief ging in op de historie van de Joden in Rotterdam. “Het boek Huis van de levenden illustreert hoeveel moeite de Joodse gemeenschap deed om overledenen te begraven volgens hun voorschriften, op een stuk grond buiten de bebouwde kom.
In Rotterdam waren vanaf het begin van de zeventiende eeuw verschillende Joodse begraafplaatsen in gebruik, soms zelf tegelijk. Uit die tijd dateren de eerste vermeldingen van Joodse inwoners, zogenoemde Sefardische Joden. De kooplieden uit Antwerpen en Amsterdam kwamen hier wonen op verzoek van het stadsbestuur. Alvorens zich hier te vestigen onderhandelden zij over het recht op een eigen begraafplaats. Die werd in 1613 gesticht. Een aantal grafstenen aan de Jan van Loonslaan resteren nog. Iets later kwamen ook Asjkenazische Joden uit Duitsland en Polen naar Rotterdam. In 1696 kocht de Sefardische gemeenschap een stuk grond aan de Oostzeedijk.”
Niet veel later, in 1710 werd de begraafplaats gedeeltelijk en in 1773 geheel overgenomen door de Asjkenazische gemeente. Aan de hand van de inscripties verzamelde de schrijver van het boek, Ton Hokken, biografische gegevens in allerlei archiefbronnen. De meeste graven dateren van voor de invoering van de burgerlijke stand in 1811. Ontelbare uren speurwerk zijn uiteindelijk door Hokken samengebracht in het boek Het Huis van de Levenden.

Opperrabbijn Arjeh Leib Breslau
Rabbijn Evers schetste het belang van de Joodse begraafplaats, de bijzondere zorg en de heilgheid die de dodenakkers in het Jodendom hebben. ook stond hij stil bij de misschien wel beroemdste begravene op de oostzeedijk, rabbij Arjeh Leib Breslau, auteur van het boek Pnee Arjeh.

“Een van de illustere rabbijnen uit lang vervlogen tijden, die hier begraven ligt, is Rabbi Levi Hijman Breslau (1781-1809) in het Hebreeuws Rabbi Arje Leib ben Rabbi Chajiem, geboren in 1741 in Breslau. In 1781 werd de Pnee Arje – zoals hij internationaal bekend staat naar zijn responsawerk – benoemd tot Opperrabbijn van Rotterdam.

In de Rotterdamsche Courant van 7 augustus 1781 wordt in geuren en kleuren beschreven hoe deze bekende geleerde in Rotterdam werd binnengehaald. Hij bezat een brede algemene ontwikkeling, had veel belangstelling voor Hebreeuwse grammatica en telde vele niet-Joodse vrienden. Maar bovenal was hij een groot Talmoedisch geleerde, een van de weinige grote experts op het gebied van de halacha, de Joodse wet, gedurende de afgelopen eeuwen.
In 1790 werd door de firma Proops zijn responsaverzameling Pnee Arje – letterlijk het gezicht van Arje – in het Hebreeuws uitgegeven. Met dit werk vestigde hij zijn naam en faam als een van de grootste halachische, joods-juridische autoriteiten van zijn tijd.

Uit de protocollen van de Joodse Gemeente Rotterdam blijkt hoe hij in 1809 een grote som geld heeft geschonken voor de armen van de stad.
Ik denk, dat het hem en vele andere illustere voorgangers van onze Joodse Gemeente toekomt vandaag geëerd te worden met een aandenken, dat hen en ons waardig is.”

Reacties zijn gesloten.