Joodse zegen ’krachtiger’

In de periode voor de vroege Middeleeuwen lieten sommige landeigenaren hun gebied liever zegenen door een rabbijn dan door een christelijke geestelijke. Christelijke gelovigen bezochten op zaterdag de synagoge en zaten op zondag in de kerk. De Kerkleiders werden hierom boos op hun gelovigen, wat de grondslag vormde voor hun anti-Joodse preken.

Tot dergelijke conclusies komt Elisabeth Boddens Hosang in haar proefschrift ’Establishing bounderies’, waarop zij promoveert aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.

Concilieteksten
De tot het Katholicisme bekeerde theologe nam concilieteksten uit de vierde tot de zesde eeuw onder de loep waarin kerkleiders iets zeggen over de relatie tussen christenen en joden. In die vroege eeuwen was het christendom nog niet dominant. Tevens gebruikte zij archeologische bronnen.

Boddens Hosang is de dochter van een Nederlandse diplomaat. Zij verruilde de Nederlands-Hervormde kerk voor de Katholieke kerk, en leidt nu een aan de kerk gewijd leven. In De Haag maakt zij deel uit van het interkerkelijk Jom Hashoa-comité.

Bezorgd en boos
Volgens Boddens Hosang blijken de christelijke kerkvaders niet anti-joods te zijn geweest, maar bezorgd over de populariteit van het jodendom onder christelijke gelovigen. Volgens de Haagse diplomatendochter leken hun preken weliswaar anti-joods, maar waren de kerkvaders in werkelijkheid boos op hun eigen gelovigen. Dat kwam onder meer doordat sommige christenen landzegeningen lieten uitvoeren door joden, omdat een joodse zegen ’krachtiger’ zou zijn.

Hecht
Boddens Hosang noemt de relatie tussen christelijke en joodse gelovigen tot ver in de 11e eeuw ‘hecht’. Eerder werd aangenomen dat de scheiding van hun wegen in de eerste eeuwen van de jaartelling plaatsvond.

Reacties zijn gesloten.